Zaden

Hoeveel water moeten ze precies hebben? Hoeveel licht? Hoeveel zal ik er zaaien in iedere pot? Hoe warm moet de kamer zijn? Het was mijn vriendin B., die opnieuw opbelde over haar zaden. In haar lange tuincarrière had zij nooit planten uit zaad geteeld, sterrekers op een washandje, dat was tot dusver haar enige contact met het wonder der ontkieming geweest.

Maar nu was haar tuin opeens aan iets nieuws toe: zinnia's, en diascia's, guichelheil.

Sommige mensen kieperen een paar zaden in een margarinekuipje, en een paar weken later zijn ze toe aan het uitplanten van weelderige vaste planten; het zijn de soort mensen die al op hun vijftiende wisten hoe je make-up moest aanbrengen, wier kousen nooit ladderen en wier marineblauwe jasjes geen kattehaar aantrekken. Het vreemde is dat B. denkt dat ik zo iemand ben: “Nooit”, riep zij uit, “zal ik die margarinekuipjes vol zaailingen vergeten bij jou thuis toen je nog in Parijs woonde.” Ik heb daar zelf geen enkele herinnering aan - waarschijnlijk omdat ze op een of andere gruwelijke manier aan hun eind zijn gekomen. Hoe dan ook, het is deze onverdiende reputatie die mij in staat stelt ernstig te waarschuwen tegen margarinekuipjes en zaaibakken te adviseren met doorzichtige plastic deksels - en daarbij zelf zo te worden meegesleept door geestdrift over turfpotten dat ik er ook een klein regiment van gekocht heb.

En dan hoor ik mijzelf de adviezen herhalen die de mensen mij gaven toen ik hulp vroeg bij het zaaien: “een beetje water, niet te veel, je ziet het vanzelf als ze meer nodig hebben”, “de kamer niet te warm, maar ook niet te koud”, “een lichte plek maar niet in de zon”. Dat is het soort praktische adviezen waar je veel aan hebt wanneer je voor het eerst zaden plant. Tuinboeken staan er vol mee. Wat ze niet geven is nadere uitleg: hoeveel is een beetje water? Hoe licht is een lichte plek? Hoe koud is niet te koud? Moet de verwarming 's nachts aanblijven? En hoe zat dat met de schijngestaltes van de maan? Zelfs zeer nauwkeurige instructies zijn soms ontoereikend: je moet bijvoorbeeld water geven vóór je zaait, dan wordt het zaaisel later niet verstoord. Daar denk ik altijd aan bij het zaaien, maar nooit eerder.

Onze logeerkamer staat op het ogenblik vol met beloftes van zomerse gerechten: courgettes, tomaten, basilicum. Omwille van deze zaailingen mag de verwarming in die kamer niet aan, hij is niet aan geweest sedert ik de tomaten gezaaid heb (in een verwarmde zaaibak) meer dan een maand geleden; dat is een groot ongemak. De tomaten, nu in potten, nemen veel ruimte in; ze staan dicht bij het raam om zoveel mogelijk licht te krijgen en achter ze staan spiegels, opdat ze rechtop groeien en niet naar het raam toe. Om de gordijnen dicht te doen zonder op de potten te gaan staan is niet onmogelijk, maar wel buitengewoon lastig.

Maar bij B. thuis is het nog erger: daar moesten er speciale hulpmiddelen aan te pas komen, zoals een van haar mans colbertjasjes, om de zaailingen af te schermen van direct zonlicht. Vervolgens bleek dat de gaskachel bij de laagste stand van de thermostaat de kamer toch nog verwarmde tot 25ß8: na drie dagen hadden de zinnia's gekiemd. Binnen een week stonden ze 10 cm hoog - heel passend bij een variëteit bekend als 'Californian Giants'. Weldra kwam het bericht: “Ze hebben het plastic deksel bereikt!” - en de andere zaden hadden nog niet eens enig teken van leven gegeven.

De zinnia's werden uit hun opsluiting bevrijd en vielen prompt ten offer aan de gevreesde omvalziekte. Satéstokjes, adviseerde ik, indachtig hoe mijn tomatenplantjes opgebonden moesten worden en er nergens in huis meer een satéstokje te vinden bleek te zijn. Weekend, winkels dicht. Ik probeerde het met limonaderietjes, maar die waren ongeschikt; ten slotte kon ik onze satéstokjes terugwinnen in mijn dochtertjes speelgoedkast, door de Indianentent te ontmantelen die zij er mee gemaakt had. B. had minder geluk, ze kon alleen maar eetstokjes vinden. Zo staan daar nu dus haar Californian Giants, 15 cm hoog, vastgebonden aan Japanse eetstokjes, met nog niet meer dan hun eerste zaailingblaadjes. De andere planten kiemden ten slotte ook, deze veroorzaken nu weer bezorgdheid om hun uitzonderlijk geringe afmetingen.

Thuis zaaien is een klucht; je hebt de juiste gereedschappen niet, de omstandigheden zijn niet optimaal, het is moeilijk een goede belichting te krijgen. Oude wastafelspiegels bewijzen daarbij goede diensten, of anders Geoff Hamiltons inwendig met folie gevoerde of witgeverfde kist om het licht te weerkaatsen. Toch is het moeilijk aan het gevoel te ontkomen dat de zaden kiemen ondanks de tuinier inplaats van dankzij hem; het is maar goed dat de Natuur ze geprogrammeerd heeft om dat te doen. Er zijn overigens soms wel eigenaardige voorbereidingen nodig: schuren, bevriezen, weken, het lijken wel magische handelingen.

Toen ik mijn verwarmde zaaibak pas had probeerde ik er van alles in, het indrukwekkendst waren de reuzen-tabaksbloemen die zo klein begonnen dat je ze haast niet zien kon en eindigden als gigantische planten van een andere planeet. Maar nu zaai ik in huis alleen nog maar groente; voor vaste planten is de schaduwtuin toch nutteloos, de meeste hebben veel zon nodig. Op de volkstuin probeer ik ieder jaar een ander Cruydthoeck-mengsel; dan is er het genoegen van het proberen ze te identificeren.

B. bezwoer dat zij zoiets nooit meer wilde ondergaan, de nerveuze spanning was te veel; maar dit stadium is ook wel het ergst. Het is als met een nieuw recept of een nieuw apparaat: pas wanneer je het één keer gedaan hebt wordt duidelijk wat met de instructies bedoeld wordt. En dan hebben haar katten nog niet eens de zaaibakken ontdekt.

Zinnia's hebben overigens inderdaad de reputatie moeilijk te zijn. Ik zocht ze op in Christopher Lloyd. “Ik zaai mijn grootbloemige zinnia's niet voor de eerste week van mei”, schrijft hij, “en dan kiemen ze in vier dagen.” Hier met de eetstokjes, ik ga ze volgend jaar ook proberen.