Vissen in aquaria zijn te bang voor klassiek onderzoek

'Schreckstoff' is een belangrijk stofje binnen de klassieke ethologie of gedragsbiologie. Die naam, ook door Engelstaligen nog gebruikt, komt voort uit een wat mechanisch georiënteerde analyse van diergedrag: een stimulus-respons benadering die van vastliggende, strikt voorspelbare reacties uitging.

Moderne onderzoekers doen nu pogingen dat beeld onderuit te halen. Er leek weinig mis met dit begrip dat in de jaren dertig werd geïntroduceerd. Menigeen met een aquarium waarin een gup verongelukte heeft zelf het effect van schrikstof waargenomen. Wanneer de huid van populaire prooivissen verwond wordt door een roofvis, komt een feromoon vrij dat andere prooivissen, vooral soortgenoten, aanzet tot paniek- en vluchtreacties. Als zulke feromonen kunstmatig worden onttrokken aan een vis en apart aan een aquarium worden toegevoegd roepen ze dezelfde reacties op. Zo'n zeventig procent van de zoetwatervissen staat te boek als gebruikers van zulke alarmstoffen met bijbehorende chemo-receptie.

Het leek altijd een aardig voorbeeld van dienstverlening aan de groep: jij bent gepakt, maar de rest kan door jouw stille alarmroep nog tijdig vluchten. Maar aan het postuum redden van soortgenoten is doorgaans nauwelijks individueel evolutionair voordeel verbonden. Steeds vaker blijkt dat dieren zelden een fraai, hoger groeps- of soortbelang in gedachten hebben, maar eerder gezond eigenbelang. Daarom was er de laatste tijd veel aandacht voor een tweeledig effect van schrikstof: de waarneming ervan door roofvissen. Bijvoorbeeld door snoeken die in een aquarium voorntjes belagen. In dat geval heeft de schrikstof ook als effect dat er al snel een tweede snoek ter plekke opduikt. Met zijn alarmferomoon trekt het bedreigde voorntje dus andere roofvissen aan. De spanning tussen de concurrenten of zelfs schermutselingen geven volgens Canadese onderzoekers het prooidier een kans op ontsnapping: een hoogst persoonlijk voordeel.

Generaties onderzoekers zijn dus al bezig visjes te beschadigen en de onttrokken schrikstoffen weer in aquaria te brengen en ze berichten nauwgezet over de waarnemingen. Uit het vrije veld is nu een ontluisterend bericht gekomen (Proceedings of the Royal Society of London, vol. 283). Engelse onderzoekers plaatsten een op afstand bedienbare onderwater-videocamera in de rivier Frome in Dorset, die rijk is aan elritsen (Phoxinus phoxinus), zeer eetbare scholenvisjes, en snoeken (Esox lucius). Aan elritsen uit dezelfde rivier onttrokken zij schrikstof en brachten die vervolgens voor de camera in het water. Tegen de verwachting in bleek dat noch het aantal vissen ter plekke, noch het gedrag daarvan wezenlijk werd beïnvloed.

Bij nabootsing van het veldexperiment in het laboratorium was er weer wel het bekende effect. Maar onder natuurlijke omstandigheden speelt schrikstof niet of nauwelijks een rol. De onderzoekers geven een mooie draai aan die tegenvaller. Veroordeeld tot een verblijf in een toch altijd betrekkelijk klein aquarium zijn vissen veel gevoeliger voor verontrustende signalen. Hun reactie is daar intenser dan in een natuurlijke omgeving waarvan ze alle vluchtmogelijkheden kennen.

Het onderzoeksteam van St Andrews en Oxford gebruikt een eenvoudige analogie. Gezien de sterke paniekreactie die een brandlucht bij mensen in een kleine kamer oproept, lijkt die geur een fundamentele angstprikkel die haast wetmatig een reactie oproept. Maar mensen die buiten op een wandeling rook ruiken, tonen hooguit wat lichte interesse. Kortom, vissen moet je niet in kleine kamertjes onderzoeken om vervolgens van fundamentele, vastomlijnde gedragsprincipes te spreken. Ook in hun gedrag zijn vissen flexibel. Hun reactie op prikkels uit de omgeving hangt sterker af van de context waarin ze die ontvangen dan van de stimuli zelf. Een simpel aan/uit-effect op het gedrag is zelfs in dit klassieke geval moeilijk verdedigbaar. De veldwerkers jagen laboratoriumonderzoekers nog eens extra schrik aan: misschien mogen die verbindingen die gezamenlijk Schreckstoff genoemd worden, niet eens beschouwd worden als werkelijke alarmferomonen.