Stokebrand

EEN TELEURGESTELDE, LICHTberoete lezer meldt zich bij AW-Headquarters. 't Hele weekend geschoond en gesnoeid in de bosschages achter in de tuin, na afloop een feestelijk kampvuur willen maken en toen vastgesteld: het gaat niet. Het hout was droog genoeg maar wilde voor geen geld en goede woorden vlam vatten. Vlierboomhout was het, of vlierhout of hoe dat heten mag. Waardeloos.

Waarin schuilen toch de verschillen in brandbaarheid tussen de diverse inheemse houtsoorten, wil de gedupeerde nu weten. Is het uitsluitend terug te voeren op een verschil in vochtigheid of is er meer? Hoe voorkom je dat er onbrandbaar hout op het vuur gaat? Wat is er nog over van dit soort kennis die in vorige eeuwen voor het oprapen moet hebben gelegen?

Het antwoord is waarschijnlijk: niets of bijna niets. Misschien dat hier en daar in geriefhoutbosjes nog boeren schuilen die weten wat er buiten het reguliere aanbod aan openhaardhout het beste branden wil, maar verder lijkt het wel gedaan met de brandhout-knowhow. Wie is er nog echt afhankelijk van een houtvuur?

Waarschijnlijk hebben de vroege kampeerders de kennis het langst bewaard. Maar Nederlands meest gerenommeerde kampeerder, Carl Denig, moest er begin jaren dertig al niets meer van hebben. “Ten eerste is het koken op een vuurtje tijdrovend en vervelend. Als men een flink vuur noodig heeft, wil het hout niet branden en geeft aan alles een rooksmaak; heeft men daarentegen een kalm vuur noodig, dan gaat het juist hard en verbrandt het eten.” Ook de landeigenaar had een bloedhekel aan kampvuren langs zijn evenaar, wist Denig.

In Engeland wordt evenmin vuur gestookt. Een gouden regel is, meldt 'The walker's handbook': steek nooit een vuur aan in dit land. Boeren worden er erg agressief van. Kampvuur, dat is romantiek voor in de Verenigde Staten.

Amerika's meest gerenommeerde kampeerder is Colin Fletcher, auteur van 'The complete walker', meester op het terrein van de zelfbeperking en improvisatie. Maar geen stokebrand. Fletcher beleeft geen vreugde aan kampvuurtjes en heeft zich ook nauwelijks verdiept in de hocuspocus die daaraan te pas komt. “Sommigen doen heel geleerd over de waarde van de verschillende soorten brandhout, maar ik ken er bijna geen een bij naam.” Wel heeft Fletcher vastgesteld dat er nergens vochtiger hout te vinden is dan in de woestijn. Daar groeien kennelijk uitsluitend bomen en struiken die geen druppel sap verloren laten gaan.

Zo belanden we bij Zuid-Afrika's meest gerenommeerde kampeerder, Robert Baden- Powell die heel wat pre-moderne kampervaring te boek stelde en zijn Afrikaanse inzichten later ook bewerkte voor de jongens op het noordelijk halfrond. In de Nederlandse vertaling ('Het verkennen voor jongens') van de 21ste Engelse druk is zegge en schrijve één passage onvertaald gebleven, een berijmde instructie voor het maken van een vuur: 'First a curl of birch bark as dry as it can be, then some twigs of soft wood, dead from off the tree, last of all some pine knots..' en zo gaat het nog even door, maar zonder dat nieuwe houtsoorten genoemd worden.

Achteraf schiet te binnen dat de oude milicienshandboekjes uit de vorige eeuw misschien nog bruikbare informatie hadden kunnen geven, voorlopig moeten we het hebben van de kleine aanwijzingen die hierboven zijn geciteerd. Het meest frappeert wat er over berkenbast wordt gezegd, want er is inderdaad weinig dat zo mooi en onverstoorbaar brandt als een krul berkenbast. En weinig dat mooier demonstreren kan dat er werkelijk grote verschillen bestaan tussen de diverse houtsoorten die geheel los staan van verschillen in vochtgehalte. Zoiets als kurk, toch ook een soort schors, wil absoluut niet branden en is voorheen zelfs wel als brandwerend materiaal aangeboden.

Maar waar zit het hem in? “Ik denk dat inhoudsstoffen een belangrijke rol spelen”, filosofeert een woordvoerder van de stichting Bos en Hout in Wageningen. Hars en terpenen kunnen de brandbaarheid sterk verhogen. Vluchtige oliën zoals in sinaasappelschillen en Eucalyptus-bladeren zijn heel brandbaar.' Daarmee zijn naaldbomen als den en spar al als aan te bevelen brandhout aangewezen (de taxus overigens niet, die heeft geen hars), maar hoe is de rangorde onder de loofbomen?

“Eerlijk gezegd gooien wij de verbrandingswaarde van de inheemse houtsoorten meestal op één hoop”, zegt Bos & Hout. “In een hoog, heet industrieel vuur brandt alles en leveren alle houtsoorten per kilo ongeveer evenveel energie, zo tussen de 16 en 18 megajoule.” Met de AW-vuurleiding deelt hij de mening dat de verschillen pas aan het licht komen in de kleine, relatief koele vuurtjes, het soort vuurtjes waarop je eerder zware takken dan zware stammen legt. In die vuurtjes zal het vochtgehalte van het brandhout een overheersende rol spelen, denkt B.& H. Wat dat betreft verdient het natuurlijk de voorkeur geen vers hout te verbranden, maar dood hout, bij voorkeur hout dat - los van de grond - tussen andere takken of bomen hangt. En dan is het van belang te bedenken dat er bomen zijn die, gekapt of omgewaaid, hun vocht veel langer vasthouden dan andere bomen. Eiken zijn daarvan een voorbeeld.

Is er de keuze uit hout dat al voldoende droog is, dan is het waarschijnlijk verstandig voor het kleine vuurtje de 'zachtste' houtsoorten te kiezen, zoals Baden-Powell al inzag. Zacht is min of meer synoniem voor het bezit van een lage dichtheid ('soortelijk gewicht') en een open structuur waarin de gassen die de gewenste verbranding moeten inleiden vlot beschikbaar komen. Typische zachte houtsoorten zijn, in volgorde van oplopende dichtheid: wilg, populier, els, linde en berk. Voornamelijk dus 'waterhout', dat ongelukkigerwijze juist ook zoveel water kan opnemen.

Hard hout in dezelfde volgorde is es, iep, kastanje, esdoorn, beuk, eik en haagbeuk. Hoe past vlierhout in dit rijtje? Dat wist het Polytechnisch zakboekje niet. Misschien is vlier nergens goed voor.