Stille kracht achter sportsucces

Inspanningsfysioloog Jos Geijsel adviseert vele Nederlandse topcoaches over hun trainingen. Hij was betrokken bij de olympische titels van de hockeyers, roeiers en volleyballers. Ook is Geijsel actief bij Ajax en, sinds kort, het Nederlands voetbalelftal.

Teamsporters hebben een broertje dood aan rondjes lopen. Dus kunnen ze Jos Geijsel als een vriend beschouwen. De inspanningsfysioloog uit Ouderkerk aan de Amstel zorgt voor een grote ommezwaai in de Nederlandse sport door coaches te adviseren hun spelers geen lange stukken meer te laten rennen. Teamsporters moeten als sprinters worden getraind, is de stellige overtuiging van Geijsel. “Dat is het korte, snelle werk. Duurtraining creeërt eigenschappen die ze niet nodig hebben.”

Van veel trainers in de teamsporten moeten de spelers lopen tot ze erbij neervallen. Meestal om 'basisconditie' te kweken. Onzin, stelt Geijsel. “De gemiddelde afstand die voetballers en hockeyers tijdens een wedstrijd in één keer moet afleggen, ligt tussen de elf en veertien meter. Dan moet je ze daar ook specifiek op trainen. Het een gaat ten koste van het ander. Een speler boet aan snelheid en felheid in als hij uithoudingsvermogen kweekt. Het maakt hem traag. Als Rintje Ritsma veel 10.000 meters traint, heeft dat een negatieve invloed op zijn 500 meter.”

Vaak wordt beweerd dat profvoetballers in vergelijking met andere sporters een slechte conditie hebben. Geijsel heeft dat echter nooit kunnen constateren. “Voetballers hebben in actie vaak een hogere hartslag dan een marathonloper of wielrenner. Dat duidt op een betere conditie. Maar het is appels met peren vergelijken. Wielrenners horen elke dag langdurig op de fiets te zitten. Daar past een ander soort conditie bij. Bij sporters die sprintgericht denken, hoort juist een zekere vorm van luiheid. Het zit 'm bij die groep niet in het meer uren maken. Je moet ze scherp houden. Zorg vooral dat ze op de eerste meters snel zijn.”

Geijsel beval vroeger zelf ook een zwaar trainingsprogramma aan, inclusief veel duurlopen. Totdat zijn oog viel op een oud, vergeten onderzoek uit Scandinavië over intervaltraining in relatie tot conditie. Hij combineerde dat met recent spiervezelonderzoek van de Vrije Universiteit in Amsterdam. Het resulteerde bij Geijsel in “een omslag van 180 graden”. Nu verrijkt hij coaches en trainers met zijn verworven wijsheden.

Ook Louis van Gaal maakt gebruik van de kennis en ervaring van Geijsel. De Ajax-trainer en de wetenschapper waren studiegenoten op de academie voor lichamelijke opvoeding. “Louis was toen totaal anders dan nu. Hij was op school het voorbeeld van losheid. Hij bewaarde zijn energie duidelijk voor de toekomst. Zeg maar dat hij voor een zes studeerde en nu voor een tien traint.”

Door toedoen van Van Gaal en clubarts Piet Bon komt Geijsel sinds 1993 bij Ajax over de vloer en test daar de spelers. Bij de Amsterdamse club staat Geijsel te boek als externe adviseur. “Zo noemt Louis me. Mij best.” Geijsel kreeg Van Gaal warm voor zijn theorie. “Hij had zelf ook al zijn twijfels. Op de academie had Louis een bloedhekel aan rondjes lopen. Maar dat was wel de cultuur: lopen, lopen, lopen. Je steeg in de achting van de docenten als je in een bepaalde tijd om de Sloterplas kon lopen.”

De 51-jarige Jos Geijsel, docent fysiologie en duursporten aan de Haagse academie voor lichamelijke oefening, komt voort uit de wereld van het marathonschaatsen. In de strenge winter van '63 stapte hij van voetbal over naar schaatsen. Hij was B-rijder en reed de laatste drie Elfstedentochten uit. Al op jonge leeftijd gaf Geijsel training en deed hij onderzoek naar de conditie van marathonschaatsers. “Bondsopleidingen zijn vaak van die kookboek-cursussen. Ik houd van meer diepgang en ga op zoek naar het hoe en waarom.”

Zo kwam hij er achter dat het voor schaatsers als training beter is te fietsen dan te hardlopen, in plaats van andersom. “Lopen en schaatsen is geen goede combinatie. Op het ijs worden dezelfde spieren op een hele andere manier belast. Dat er toch veel wordt gelopen, komt doordat veel schaatsers uit de atletiek afkomstig zijn. Leen Pfrommer is van huis uit een hardloper, Henk Gemser ook. Tegenwoordig wordt er gelukkig veelvuldig gefietst, maar het is nog te weinig. Veel schaatsers vergeten er het hele jaar mee door te gaan. 's Winters ligt de fiets op zolder of onder het bed.”

Via voormalig hockeycoach Hans Jorritsma kwam Geijsel voor het eerst in aanraking met teamsporters. Het was net na de Olympische Spelen van '88, waar de hockeyploeg een bronzen medaille won. Jorritsma, ook een oud-studiegenoot, vertelde hem dat zijn spelers jaarlijks op Papendal een zware test op de lopende band ondergingen, maar dat er met de resultaten nooit iets werd gedaan. Geijsel noemt dat “postzegels verzamelen”.

Hij deed er wel wat mee. Sporters houden niet van lange, uitputtende tests, maar Geijsel bedacht een methode waarmee hij in korte tijd nauwkeurig zicht krijgt op het fysieke vermogen van een ploeg. De teamsporters moeten met een hartslagmeter om korte sprints trekken. Ze hoeven dat niet eens op volle kracht te doen zodat Geijsel nauwelijks te maken krijgt met onwillige sportmensen. Aan de hand van de testresultaten adviseert de wetenschapper, die vaak zijn studenten inzet bij zijn projecten, de coach hoe hij zijn trainingen moet samenstellen. Wat hij wel en wat hij niet moet doen met de spelers.

Geijsel had voor de afgelopen Olympische Spelen niet alleen bemoeienis met de hockeyers, maar ook met de volleyballers en roeiers. Het regende in Atlanta goud voor Oranje en de sportgekke inspanningsfysioloog keek vanaf de tribune tevreden toe. Dat hij van NOC*NSF geen accreditatie als begeleider kreeg en op een camping moest slapen, kon de pret niet drukken. Maar raar was het natuurlijk wel. Want Geijsel kan als de stille kracht achter de successen worden beschouwd. Na thuiskomst kreeg hij welgeteld één kaartje, van een coach die hem bedankte voor de samenwerking. “Wie dat was? Laat maar. Anders doe ik anderen te kort. Zij tonen hun waardering vaak weer op een andere manier.”

Geijsel haalt zijn schouders op. “Je moet mijn rol niet overschatten. Ik win die medailles en prijzen niet voor ze.” Maar aangezien het in de topsport op details aankomt, zou zijn inbreng best weleens doorslaggevend kunnen zijn. Helaas is dat nooit te meten. “Ik vind het altijd leuk om bij wedstrijden te zijn. Maar mijn werk is dan al lang gedaan. Het is geen korte-termijnwerk.”

Hij heeft dan ook geen gouden advies voor Van Gaal waarmee de trainer Ajax woensdag alsnog langs Juventus zou kunnen leiden. “Er wordt beweerd dat de Ajax-spelers oververmoeid zijn, maar dat hebben we op het fysieke vlak niet kunnen ontdekken. Het zijn alle omstandigheden bij elkaar waardoor het allemaal iets meer moeite kost. Misschien kan je daarom in de laatste dagen voor Juventus wat hele kleine bijsturingen doen, maar Louis is mans genoeg om dat zelf te bepalen. Hij heeft de voorbereiding op tientallen Europese wedstrijden gedaan en dat is steeds goed gegaan. Waarom zou het nu dan ineens anders moeten? Ik vind trouwens dat je voor een belangrijke wedstrijd nooit moet experimenteren.”

Geijsel staat wel altijd open voor nieuwe ideeën en methoden. Want zijn werk is nooit af. “De trainingen zijn nog beter af te stemmen op de specifieke eisen. Hoe kan het allemaal nog efficiënter?”

Bij FC Twente week trainer Hans Meyer dit seizoen af van het gebruikelijke trainingsprogramma door zijn spelers niet woensdag maar dinsdag vrijaf te geven. Dat zorgde voor veel publiciteit. Geijsel moet er om lachen. “Het is interessant omdat de pers het interessant vindt. Die verandering zou er mee te maken hebben dat er altijd op de tweede dag na een wedstrijd spierpijn optreedt. Dat is geval bij ongetrainde mensen, maar niet bij profs. Die herstellen veel sneller.” Toch wil de expert de Enschedese werkwijze niet afdoen als onzin. “Topsport is lopende-bandwerk en als je dat met zoiets doorbreekt, kan het psychologisch gezien verfrissend werken.”

Geijsel zal niet raar opkijken als in de toekomst meer clubs de dinsdag als vrije dag gaan gebruiken. Want Twente was de afgelopen maanden succesvol en dan nemen anderen zo'n aspect snel over. “Als het Nederlandse voetbalelftal van Turkije had gewonnen, zou nu iedereen een cooling-down doen.” Daarmee doelt hij op het uitgebreide uitlopen van de spelers meteen na het duel tegen San Marino. Dat gebeurde omdat vier dagen later de wedstrijd tegen Turkije op het programma stond. “Of het strikt noodzakelijk was, weet ik niet. Die wedstrijd tegen San Marino was ook weer niet zo zwaar dat de benen er verzuurd van raakten.”

Hans Jorritsma, tegenwoordig werkzaam bij de KNVB, bracht hem in contact met bondscoach Guus Hiddink. “Tijdens het eerste gesprek met Hiddink zaten we al na een uur, anderhalf uur op dezelfde lijn”, aldus Geijsel. Als Oranje zich voor het WK in Frankrijk plaatst, zal Geijsel adviseren om de voorbereiding niet te lang te laten duren. Te intensieve training werkt vaak averechts. Zo is het volgens Geijsel ook aan te bevelen sportmensen in hun vakantie met rust te laten en ze geen schema's mee te geven naar de zon. “Elke teamsporter vindt het vreselijk om alleen op het strand te lopen. Dat is hij niet gewend. Daarom is het beter wat conditieverlies te accepteren. Want binnen vier, vijf weken kan een topsporter weer topfit zijn.”

Ook straftraining sorteert volgens Geijsel geen effect. “Integendeel. Het is het paard achter de wagen spannen. Als je iemand zich op de training kapot laat lopen, dan put je hem alleen maar uit voor de wedstrijd in het weekeinde. Een straftraining is eigenlijk heel sadistisch, slaafs.” Je kan zo'n speler nog beter vrijaf geven, stelt Geijsel. Want rust maakt gretig. Dat blijkt met name als sportmensen door een blessure aan de kant moeten blijven. “Ze zijn belust op revanche en willen de schade inhalen.” Schaatsster Yvonne van Gennip bijvoorbeeld. Zij had veel pech tijdens de voorbereiding op de Winterspelen van '88, maar haalde wel drie gouden medailles.

Geijsel zal morgen met grote aandacht de beste Nederlandse lange-afstandsloper Bert van Vlaanderen volgen tijdens de Rotterdam Marathon. De atleet keerde minder dan een etmaal voor de start pas terug van een hoogtestage in Mexico. Geijsel betwijfelt of dat verstandig was. “Nou Bert, dacht ik toen ik het las. Ik had toch gezorgd dat ik een week voor de marathon terug was geweest om aan de omstandigheden te wennen. Het is hier fris en er zal dus niet veel worden gezweet. Dan houdt Bert het dikke bloed van Mexico en dus ook zware benen. Ik ben benieuwd.”