Slappe was-crèche

Een echtpaar (50 jaar) met schoolgaande kinderen heeft de zaken goed voor elkaar: een royaal inkomen, een volledig ouderdomspensioen op 60 jaar (hoewel de AOW vanaf 65 jaar uitkeert), eigen huis, alle doelen en wensen liggen op schema enzovoort. Er drijven desondanks donkere wolken aan hun financiële hemel, omdat mevrouw worstelt met de zorg voor een familiekapitaal.

Moet je dat nou zelf beheren of die zorg uitbesteden aan een vermogensbeheerder, een professionele kracht die je slappe was helemaal verzorgt?

Vorig jaar nam ze zelf eens de proef op de som en stalde 100.000 gulden bij een slappe was-crèche. Die stopte het geld in aandelen en opties en maakte in zes maanden 14,5 procent rendement. Bruto, want er gaan nog vanaf 1,5 procent per jaar aan beheerskosten (1.500 gulden voor een ton) en 15 procent van de vermogensgroei als prestatievergoeding; circa 2.000 gulden. Bij elkaar 3.500 gulden of 3,5 procent per jaar van de inleg, ervan uitgaande dat de winst over een heel jaar ook 14,5 procent bedraagt. Dit vindt mevrouw aan de hoge kant: “Wie haalt er tegenwoordig geen goed rendement op de beurs!”, schrijft ze. Die reactie vraagt om nuancering.

Achteraf is het verloop van de aandelen duidelijk, maar vóóraf en voor de korte termijn blijft voorspellen mensenwerk. Daar komt bij dat de beheerder geen prestatieloon ontvangt als het vermogen niet groeit. Bovendien doe je je slappe was de deur uit om niet meer zelf achter de tobbe te hoeven staan. Wanneer je twijfelt en meent dat iedereen goed kan wassen, moet je uitzoeken of dat waar is. Mevrouw doet dat.

De andere vier ton staat voor de helft op een spaarrekening, om de vrijstelling te benutten en als liquide reserve, en zit in beleggingsfondsen.

Onder meer het Delta Lloyd Investment Fund dat wereldwijd in aandelen belegt (17,9 procent gemiddeld per jaar, gemeten over 5 jaar); ING Bank Dutch Fund in Nederlandse aandelen (24 procent); Robeco Florente Fund, een groeifonds dat belegt in rentewaarden en geen dividend uitkeert (onbelast 2,4 procent, gemeten over 3 jaar) en het Robeco Divirente Fund, een variant op het Florente Fund, dat wel dividend uitkeert (3,4 procent).

Uit de rendementen in deze opsomming is geen cijfer te berekenen vergelijkbaar met de 14,5 procent van de vermogensbeheerder. Wél blijkt een sterke nadruk op spaarrente en obligaties. Die twee leveren vanwege het gebrek aan risico als regel weinig op. Dus wint de beheerder het bijna zeker van zijn cliënt en bewijst daarmee dat niet iedereen een goed rendement op de beurs maakt.

Leidt die nederlaag tot de conclusie dat de familie het hele kapitaal maar moet uitbesteden? Nee, er gaat eerst een stap aan vooraf. Ze moeten bedenken wat ze willen, welke doelen ze nastreven. Dat blijken er drie te zijn. Het geld goed beheren, mevrouw wil misschien eerder (gedeeltelijk) stoppen met werken en ook iets doen voor de kinderen. Op die vage voornemens kan niemand een beleggingsbeleid baseren. Wat is wel duidelijk? Bijvoorbeeld dit.

De ouders schenken beide kinderen op hun 18de verjaardag eenmalig het (in 1997) schenkingsrechtvrije bedrag van 39.667 gulden. Daar moeten ze vanaf dat moment zelf voor zorgen. Daarmee daalt het ouderlijk vermogen straks met 80.000 gulden tot 420.000 en de vermogensbelasting vermindert met 640 gulden. De kinderen kennen geen beleggingsprobleem, omdat ze de schenking binnen een jaar of vijf zullen besteden.

Voor noodgevallen, liquiditeit en de rentevrijstelling van nu nog 3.000 gulden per jaar, gaat 70.000 op een spaarrekening. Daarna blijft er 350.000 vermogen over.

Hoe schat je de kosten van eerder stoppen met werken? Zeg: 30.000 gulden bruto per jaar tussen 60 en 65 jaar. De contante waarde van dat bedrag tegen naar schatting 6 procent (een obligatierendement), op 60 jaar, is geen 150.000 gulden, maar circa 125.000. Een deel van de 350.000 gulden moet dus vanaf nu, in 10 jaar tijd, rijpen tot 125.000. Dat deel komt op 62.500 gulden als het rijpen tegen 7,2 procent per jaar plaatsvindt. Dit bedrag kan bijvoorbeeld in een beleggingsfonds voor Nederlandse aandelen.

Gaat mevrouw vanaf 58 jaar minder werken en wil ze haar lagere inkomen met 50.000 gulden per jaar uit eigen middelen aanvullen, dan heeft ze daarvoor over acht jaar 280.000 gulden nodig en moet er nu ruim 150.000 gulden in het voornoemde beleggingsfonds.

Er resteert nog 200.000 (350 minus 150) gulden zonder doel. Dat kan mevrouw uitbesteden, maar het is verstandiger om er eerst een doel voor te bedenken.