Samengaan GPV en RPF nog ver weg

Vorige week publiceerden leden van GPV en RPF een oproep tot vorming van één lijst van hun beide partijen bij de volgende Tweede-Kamerverkiezingen. De kans op snelle vorming van één orthodox-protestant front is echter klein.

DEN HAAG, 19 APRIL. “Die ene fractie van GPV en RPF in de Tweede Kamer komt er, en die ene partij ook. De samenwerking van het Gereformeerd Politiek Verbond en de Reformatorisch Politieke Federatie is op gemeentelijk en provinciaal niveau ver genoeg gevorderd”, zegt dr. W.J. Ouweneel, docent aan de Evangelische Hogeschool te Amersfoort, en vooraanstaand lid van de RPF. “De vraag is alleen wanneer het zover zal zijn.”

Ook voor de redactie van het Nederlands Dagblad - lang verwant met het GPV, maar tegenwoordig ook gelezen en gemaakt door RPF-stemmers - is de vraag naar het óf van de samenwerking met de RPF achterhaald. “Toen ik vorige week mijn positieve hoofdartikel over de samenwerking schreef”, vertelt hoofdredacteur P.A. Bergwerff, “liep ik eerst door het redactie-lokaal om de meningen te verkennen over mijn standpunt. Niemand maakte bezwaar.”

Eind vorige week werd de al lang sluimerende discussie over het samengaan tussen het GPV en de RPF weer actueel. Achtendertig leden van GPV en RPF, van wie sommige actief als lid van een gemeenteraad of van Provinciale Staten, lanceerden een oproep om de verkiezingscampagne met één lijst in te gaan.

Aanjager van de discussie vormen niet alleen de komende Tweede-Kamerverkiezingen. Al sinds haar ontstaan, in 1975, streeft de RPF naar politieke eenwording van de protestantse orthodoxie. De oprichters waren gereformeerden die ontevreden waren over het opgaan van de ARP in het CDA. Aanvankelijk zochten ze hun heil bij het GPV. Als ze geen lid waren van een der vrijgemaakt-gereformeerde kerken, mochten ze daar echter niet binnen. Aangezien de zoekenden de SGP, de Staatkundig Gereformeerde Partij, te orthodox vonden, richtten ze in arren moede een eigen partij op. Zij hoopten echter, net als D66 destijds, op een spoedige opheffing en op eenwording met andere protestantse groepen.

In de jaren tachtig was het streven naar samengaan echter nauwelijks actueel. Het kostte de RPF soms moeite de kiesdrempel te halen. Van zijn kant hield het GPV met zijn redelijk stabiele achterban de boot af. Dat veranderde na 1994. In dat jaar kwam er een fundamentele wijziging in de krachtsverhouding tussen GPV en RPF. De laatste sprong in de Tweede Kamer van één naar drie zetels. Het GPV bleef op twee zetels steken, terwijl het gehoopt had op meer.

De verkiezingswinst van de RPF hing niet alleen samen met de moeilijkheden bij het CDA en de leiderswisseling bij het RPF, waar de dynamische zakenman L. van Dijke het roer van M. Leerling had overgenomen. Het was vooral een stille revolutie binnen de protestantse orthodoxie die de winst verklaarde. Veel van de nieuwe RPF-stemmers uit 1994 zijn lid van de zogeheten evangelische gemeenten: baptisten en pinkstergemeenten. In de jaren tachtig zijn die flink gegroeid, door ontevredenheid van gereformeerden over de samenwerking met de hervormde kerk, of uit onvrede van jongeren met de traditionele kerkdiensten. De groep evangelischen is nu zo'n 250.000 gelovigen groot, in theorie goed voor vier Kamerzetels.

Lange tijd golden zij als a-politiek. Vele evangelisch gelovigen. zoals Ouweneel, zochten aanvankelijk hun heil buiten deze wereld, en beschouwden “politiek (als) een kwaad van het vlees, een oefening in futiliteit” zoals de Amerikaanse socioloog Liebman in 1983 over de Amerikaanse evangelicals schreef. Dat veranderde op slag toen een paar jaar geleden diezelfde politiek ruw hun leefwereld binnendrong. De anti-discriminatiewetgeving van wijlen minister I. Dales verbood christelijke scholen in het personeelsbeleid te discrimineren op basis van seksuele voorkeur. Eenzelfde schokeffect, zij het in mindere mate, ging uit van de liberalisering van de regels op het gebied van de euthanasie.

De RPF wist als enige, niet-kerkelijk gebonden orthodoxe partij te profiteren van deze politisering. Het effect van de winst op de relatie met het GPV was meervoudig. Aan de ene kant kon de RPF vanuit een positie van kracht opnieuw een fusie aan de orde stellen. RPF-politici als Van Dijke wezen op de samenwerking tussen GPV'ers en RPF'ers in organisaties als de Evangelische Omroep. Ze beklemtoonden de voordelen die een verenigd christelijk front voor de werfkracht van die partijen zou hebben. Aan de andere kant werkte het assertieve optreden van de 'evangelischen' intimiderend op de vrijgemaakten. De cultuur onder 'evangelischen', die het moet hebben van ervaringen en stemmingen, vervult de verstandelijk ingestelde vrijgemaakten met reserve.

Meer nog dan religieuze verschillen, blokkeert een persoonlijke kwestie de vorming van één lijst. Als er straks één fractie is, wie moet die dan leiden? In christelijke kring wordt besmuikt gesproken over de slechte verhouding tussen GPV-voorman Schutte en RPF-leider Van Dijke. Hoofdredacteur Bergwerff zegt: “Toen ik vorige week mijn hoofdartikel besloot met de zin: 'Stijl en bemensing zijn niet echt principiële hinderpalen', doelde ik op de relatie tussen Schutte en Van Dijke. De eerste is bestuurlijk ingesteld, een technocraat. Van Dijke is meer een populist. Dat gaat moeilijk samen.” Schutte zelf noemde vandaag in zijn toespraak voor de jaarvergadering, berichten over zijn slechte relatie met Van Dijke 'een vergissing'. “Wij kunnen prima door één deur, dat kan ik u verzekeren”, aldus de GPV-voorman die onlangs voor nog een periode bijtekende.

Om voorlopig van de moeilijkheden af te zijn, heeft het GPV-bestuur vorig jaar een belangrijk besluit genomen. Het wees een gezamenlijke kandidatenlijst bij de komende verkiezingen af. Tegelijkertijd stemde het in met de instelling van een werkgroep van GPV- en RPF-prominenten, zoals de Kamerleden Van Middelkoop en Rouvoet, die andere mogelijkheden tot samenwerking onderzoeken. Tegen het besluit kwam, afgezien van de oproep van de 38, weinig oppositie. Het onderwerp staat vandaag niet op de agenda van de GPV-jaarvergadering.

Intussen waarschuwt RPF-lid Ouweneel zijn partijgenoten tegen het forceren van de samenwerking met het GPV. “Ook hier is haastige spoed zelden goed. Het ergste dat kan gebeuren is dat een samengaan van GPV en RPF gevolgd wordt door de oprichting van een nieuwe partij door ontevreden GPV'ers. In dat geval zal de fusie niet meer stemmen opleveren, maar juist minder.”