Parlement moet duidelijk kader scheppen voor nevenfuncties

Mag een Kamerlid commissaris zijn van een farmaceutisch bedrijf en in die functie de minister benaderen? Komende week discussieert de kamer over een interne gedragscode. G.J. Wolffensperger pleit voor een toetsingscommissie. Een soort 'jurisprudentie' kan een richtsnoer worden voor de toekomst.

De ophef die is ontstaan over het handelen van het Kamerlid Frits Bolkestein als commissaris van een farmaceutisch bedrijf, ligt al weer een paar maanden achter ons. Maar de meer algemene vraag wat een Kamerlid wel en niet mag, is nog steeds niet bevredigend beantwoord. Ook niet door de notitie die het Presidium van de Tweede Kamer over dit onderwerp geschreven heeft en die volgende week in het parlement wordt besproken.

“Ik zweer/verklaar dat ik, om iets in dit ambt te doen of laten, rechtstreeks noch middelijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen”. Met een kort briefje aan minister Borst maakte MSD-commissaris Frits Bolkestein vorig jaar duidelijk dat deze ambtseed voor velerlei uitleg vatbaar is. Zich van geen kwaad bewust zag de fractievoorzitter van de VVD geen enkele strijdigheid tussen zijn beide functies, terwijl anderen een dergelijke combinatie op basis van diezelfde eed - voor zichzelf - altijd zullen afwijzen.

Het objectieve antwoord op de vraag naar de juistheid van het handelen van Bolkestein is hiermee uiteraard niet gegeven en daar zit dan ook precies het probleem. De D66-fractie heeft haar eigen regels met betrekking tot de aanvaarding van een dergelijk commissariaat: een nevenfunctie die op gespannen voet staat met het woordvoerderschap dient door ons te worden geweigerd. En een fractievoorzitter gaat over alles. Dat wil zeggen dat een commissariaat in MSD-vorm ontoelaatbaar is.

Maar behalve een goed gevoel, levert dit gegeven weinig op. Andere fracties hebben andere normen en het ontbreekt tot nu toe aan objectieve regels waaraan wij ons allen kunnen binden. Dat geldt niet alleen voor de nevenfuncties, maar het geldt evenzeer voor de overige dilemma's waarvoor een Kamerlid kan komen te staan. Mag je op kosten van een bedrijf naar de Olympische Spelen, en zo ja, met welk vliegtuig? Of, bij welk bedrag wordt een relatiegeschenk een poging tot beïnvloeding?

Deze en tal van andere vragen uit de praktijk van de laatste jaren worden over het algemeen naar eigen inzicht beantwoord. Vaak gaat dat goed, maar bij iedere gelegenheid dat hierover een schandaal of zelfs maar een publieke discussie ontstaat, is de schade aanzienlijk. Schade die lang zichtbaar blijft omdat die wordt toegebracht aan de integriteit van het parlement, de levensvoorwaarde voor de maatschappelijke acceptatie van politieke beleidsbeslissingen.

Er zullen weinig politici zijn die deze mening niet onderschrijven, en dat maakt het extra moeilijk te aanvaarden dat het parlement zelf niet in staat zou zijn haar geloofwaardigheid op dit punt gestalte te geven. De D66-motie die tijdens het befaamde MSD-debat werd aanvaard gaf enige hoop, maar helaas is de uitvoering daarvan - in de vorm van een voorstel van de kant van het presidium van de Tweede Kamer - teleurstellend. Vooral omdat daarin enerzijds wel gepleit wordt voor een zekere aanscherping van de regels (naar Engels model), terwijl een meerderheid van het presidium anderzijds weigert om een toetsingskader voor deze aangescherpte regels te geven.

Deze inconsequentie in de redenering brengt een definitieve oplossing nauwelijks dichterbij. De verschillen in interpretatie blijven bestaan, een objectivering van de gedragsregels blijft ontbreken, en de juichende reactie van de VVD-fractie op dit rapport blijft het gevoel geven dat het risico van toekomstige affaires alles behalve uitgesloten is.

In het debat van volgende week zal D66 alsnog voorstellen een kader te scheppen, waarbinnen een meer geobjectiveerde beoordeling van het handelen van Kamerleden mogelijk wordt. De meest vergaande maatregel, een formeel omschreven gedragscode wordt door mij daarbij overigens niet overwogen. De diversiteit in mogelijke verleidingen waaraan een Kamerlid bloot kan komen te staan, is dermate groot, dat die niet in een uitputtende lijst te vatten is, terwijl ik de omgekeerde conclusie - wat niet op de lijst staat mag wel - ook niet graag voor mijn rekening zou nemen.

De nadere uitleg van de ambtseed die een meerderheid van het presidium voorstelt aan de hand van twee normen uit de Engelse code, is weliswaar zinvol, maar terecht heeft men besloten niet de gehele Engelse gedragscode over te nemen. De vele schandalen die het Engelse parlement altijd hebben gekenmerkt vormen wel het beste bewijs dat deze ook zijn zwakke kanten heeft.

Wat dan wel? De Tweede Kamer moet haar leden de mogelijkheid bieden om eventuele vragen of twijfels over hun handelen voor te leggen aan een zogenoemde toetsingscommissie.

Het presidium zou deze rol op zich kunnen nemen en in concrete gevallen schriftelijk advies kunnen geven over een bepaalde voorgenomen activiteit. Dit gebeurt dan alleen op verzoek en anoniem. Verder zal van de gegeven adviezen jaarlijks verslag worden gedaan aan het parlement. Een verslaglegging die in de loop van de jaren tot een zekere 'jurisprudentie' zal leiden en daarmee tot een richtsnoer voor toekomstig handelen.

Dit alternatief is door het presidium afgewezen met als belangrijkste argument dat er ook nog nooit gebruik is gemaakt van de reeds bestaande mogelijkheid het bestuur van de Tweede Kamer te raadplegen. Een slechte score wordt aangegrepen als bewijs voor het gebrek aan meerwaarde van intercollegiale toetsing. Een merkwaardige conclusie, want zolang subjectieve maatstaven richtlijn voor het handelen vormen, moet men natuurlijk niet raar opkijken als van theoretische oplossingen voor dit probleem weinig gebruik gemaakt wordt.

Het is even wennen voor parlementariërs om hun eigen oordeel over wat kan en wat niet kan voor te leggen aan derden. Maar een toetsing in deze gedaante zou een serieuze stap zijn op weg naar een moderne en adequate invulling van het zelfreinigend vermogen dat van het parlement verwacht mag worden. Het doet - anders dan bijvoorbeeld een gedragscode - recht aan de dilemma's die kunnen voorkomen in onze complexe samenleving, maar het voorkomt evenzeer dat 'goede trouw' als een soort automatische piloot het enige sturingsmechanisme blijft.