Onder de 400.000

MET DE GROEI van de werkgelegenheid in Nederland gaat het nu al een aantal jaren de goede kant op. Zo goed zelfs dat het 'poldermodel' in het buitenland een begrip begint te worden. Terwijl in diverse andere Europese landen de malaise voortduurt, draait in Nederland de banenmotor op volle toeren.

De doelstelling van het kabinet - per jaar honderdduizend banen er bij - wordt ruimschoots gehaald. Toch is dit maar een deel van het verhaal. Want in internationaal perspectief is het aandeel van de economisch actieven afgezet tegen de totale beroepsbevolking in Nederland nog altijd relatief laag.

Op de arbeidsmarkt is dan ook sprake van een inhaaloperatie. De gegevens over wie er profiteren van de banengroei weerspiegelen dit. Veruit het grootste deel van de nieuwe werkgelegenheid komt ten goede aan mensen die zich voor het eerst melden op de arbeidsmarkt: schoolverlaters en vrouwen. De werklozen daarentegen hebben de afgelopen jaren maar in zeer beperkte mate een graantje meegepikt van de economische opleving. Terwijl de werkgelegenheid fors toenam, daalde de werkloosheid tergend traag.

HIERIN LIJKT NU eindelijk verandering te komen. Uit de jongste cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat de werkloosheid het afgelopen kwartaal flink is afgenomen. Voor het eerst sinds het voorjaar van 1993 is het aantal werklozen onder de grens van 400.000 gekomen. Vergeleken met een jaar geleden betekent dit 54.000 werklozen minder. Dit is dan ook het echte goede nieuws: groei van de werkgelegenheid en daling van de werkloosheid zijn niet langer twee gescheiden circuits.

Het is vooralsnog de groep jonge werklozen die weer aan de slag komt. Dat is een logische zaak, want het is nu eenmaal een feit dat naarmate iemand langer werkloos is de kans op het vinden van een baan kleiner wordt. Toch komt de banenmachine steeds dichter in de buurt van de kern van de langdurig werklozen. Hun positie is niet langer uitzichtloos. Maar dit betekent wel dat voorbereidende maatregelen getroffen moeten worden.

Het aanbod zal op de aanstaande vraag moeten worden afgestemd. Maar dit constateren is aanzienlijk eenvoudiger dan in de praktijk brengen. Juist nu werkloosheid en werkgelegenheid direct in elkaars verlengde komen te liggen zal blijken dat er in veel gevallen nauwelijks te overbruggen discrepanties tussen vraag en aanbod zitten.

DE TAAK WAAR overheid, werkgevers en werknemers de komende tijd voor staan is om die brug toch te slaan. Daarbij mag geen middel onbeproefd worden gelaten. Het gereed maken van de moeilijkst bemiddelbaren voor de arbeidsmarkt is een enorme opgave. Er zal zeker naar de loonkosten, ofwel het minimumloon moeten worden gekeken. Maar een wat minder dogmatische afwijzing in sommige kringen van gesubsidieerde banen, als opstap naar 'echt' werk is evenzeer op zijn plaats. Want één ding staat vast: het poldermodel is pas werkelijk geslaagd als het buitenland kan constateren dat er in Nederland geen vaste groep gemarginaliseerden bestaat.