Nuttig verzinsel

Feit & fictie. Tijdschrift voor de geschiedenis van de representatie. Jaargang 3, nummer 2. Lente 1997. Losse nummers ƒ25,- via de boekhandel of bij Historische Uitgeverij Groningen 050-3181700. Jaarabonnement (4 nummers) ƒ 95,-

Wat is het nut van democratie? De filosoof Karl Popper had een kort en krachtig antwoord: democratie is de enige methode om een regering zonder geweld weg te krijgen. Niet de kwaliteit van het bewind is het essentiële verschil met een dictatuur, maar de mogelijkheid om je door verkiezingen vreedzaam te ontdoen van een impopulaire regering. De precieze wijze van verkiezing of vertegenwoordiging in het parlement doet er vervolgens weinig toe - al had Popper zelf een diep vertrouwen in het Engelse districtenstelsel.

Als hoogste rechtvaardiging van het systeem voldoet Poppers simpele constatering prima, maar een parlement in de praktijk heeft meestal andere filosofische problemen. Want wie of wat vertegenwoordigt een volksvertegenwoordiger eigenlijk: het héle volk of slechts het deelbelang van de directe kiezers? Staat het landsbelang eigenlijk wel gelijk aan de meerderheid van stemmen?

In De nuttige fictie van het algemeen belang, in het nieuwste nummer van het cultuurhistorische tijdschrift Feit & fictie, keert de Tilburgse hoogleraar Encyclopedie der rechtswetenschap Willem Witteveen zich tegen het postmoderne nihilisme dat politieke idealen ontmaskert zonder met iets nieuws te komen. Welke bezoeker aan het het bal demasqué van de huidige politiek durft zich te beroepen op het algemeen belang? Zijn visie zal onmiddellijk worden verscheurd worden als een retorische truc om een 'benepen deelbelang' te verbergen. Hoe terecht die ontmaskering soms ook is, met deze hyperkritiek dreigt het kind met het badwater weg te worden gegooid.

Al durft niemand er openlijk voor uit te komen, de fictie van het algemeen belang is voor het parlementaire debat wel noodzakelijk om goed te kunnen functioneren, om tot compromissen te komen, aldus Witteveen: “De politiek ziet er anders uit in de voor debat doorgaande palavers van De Balie - de theater geworden metafoor van het post-moderne politieke denken - dan in de eindeloze soap-opera van de parlementaire beraadslagingen.” De meeste Nederlandse Kamerleden zien zich als vertegenwoordigers van dat algemene belang, maar ze denken dat hun kiezers willen dat zij voor hun deelbelang opkomen - zo bleek een paar jaar geleden uit onderzoek. Een nodeloos verwarrend situatie, aldus Witteveen.

Nederland dankt deze verwarring aan de ineenstorting van de verzuiling in de jaren zestig. Door die verzuiling was in Nederland - sinds eind negentiende eeuw - het idee gemeengoed geworden dat een parlementariër spreekbuis is voor zijn achterban. Want de burger hoorde keurig bij een katholieke, protestantse, socialistische of liberale 'zuil', met de bijbehorende partijen in het parlement. Slechts in de (stille) compromissen tussen de elites vormde zich het algemeen belang. Als de zuilen uit elkaar vallen, hangt dit ideaal van 'mimetische representatie' van de politiek plotseling in de lucht. Maar er is geen ander ideaal voor in de plaats gekomen. Het parlement moet nog altijd een spiegel zijn - niet alleen in ideeën maar liefst ook in geslacht, afkomst en arbeidsverleden.

Om een alternatief, functionerend ideaal te vinden duikt Witteveen een aantal politieke denkers op uit de achttiende en negentiende eeuw. Bijvoorbeeld de achttiende-eeuwse conservatieve filosoof en Member of Parliament Edmund Burke. Deze beschouwde individuele meningen slechts als brandstof voor het politieke proces van oordeelsvorming, waarin zich het algemeen belang vanzelf openbaarde. Burke vond zelfs dat verkiezingen amper belangrijk zijn voor het feit van de vertegenwoordiging: omdat het niet om belangenbehartiging gaat, kan het onafhankelijke parlementslid ook de niet-kiezers vertegenwoordigen. Ironisch feit is dat Burke zelf door zijn ongebonden optreden het vertrouwen verloor van zijn eerste kiesdistrict, Bristol, en moest overstappen naar de safe seat Malton - met slechts 300 gehoorzame kiesgerechtigden.

De grote Nederlandse grondwetgever van 1848 Johan Rudolf Thorbecke blijkt het vertegenwoordigingsprobleem zelfs om te draaien: zonder parlement geen volk. Een volk zonder vertegenwoordigers is niet meer dan een “menigte van individus (...) zonder gezamenlijk publiek karakter”, schreef hij in zijn commentaar op de grondwet van 1814. Vertegenwoordiging betekent in zijn opvatting niet dat de Kamerleden 'de wil dier menigte' openbaren, maar dat de Staten-Generaal aan het volk een publiekrechtelijk gestalte geven. Kritische oordeelsvorming door de elite, daar ging het om, aan meningen van het volk heb je niets.

Hoewel hij de negentiende-eeuwse liberale filosofie een niet erg stabiele combinatie van opvattingen vindt, ontleent Witteveen er wel zijn uitweg uit de postmoderne verwarring aan. Hij vraagt zich af: “Wat moet het algemeen belang betekend hebben voor mensen die geloofden in het liberale programma (...)? Hebben de liberalen geloofd in hun mythes?” Het algemeen belang was geen zoethoudertje waarin men vroeger geloofde 'omdat men nu eenmaal niet beter wist', maar dat nu door slimmerikken is ontmaskerd. Nee, ook in de negentiende eeuw beschouwden politici het idee van het algemeen belang als een bewuste, rationele poging om een fictieve werkelijkheid in het leven te roepen.

Meer dan een ideaal was het “een legitimerende politieke formule waarin men het ongeloof tijdelijk opschort”. De praktijk in de negentiende-eeuwse parlementen was bepaald niet hemels. Maar zolang geen grote inbreuken op rechten van minderheden worden gepleegd, kan de fictie dat wordt gehandeld in het algemeen belang lang blijven bestaan.

Onder het aan de literatuurwetenschap ontleende motto willing suspension of disbelief kan het algemeen belang dus een openlijke opmars beginnen in het politieke debat, wat Witteveen betreft. Aldus ontdoen we ons met een postmodern 'doen alsof' van de verlammende werking van het postmoderne cynisme. Want niet iedere aanvaarding van een idealistische term hoeft te leiden tot een naïef geloof erin.