Lotingsysteem (1)

Naar aanleiding van het artikel 'Huidige lotingsysteem is het beste' over de voorstellen van de commissie-Drenth over het toelatingsbeleid van medisch studenten (12 april) de volgende opmerkingen. De conclusie van de schrijvers is niet een logische gevolgtrekking van de door hen aangevoerde argumenten.

Volgens de auteurs zijn er vier partijen die belang hebben bij de selectie van medische studenten, te weten: de studenten zelf, de gezondheidszorg, de medische wetenschap en de universiteiten. Goede selectiecriteria om de belangen van studenten mee te laten wegen zijn er volgens de schrijvers niet. Evenmin, zeggen zij, kunnen de belangen van de gezondheidzorg - het opleiden van kundige en goed functioneren artsen - in dit stadium (voor de studie) een rol spelen. Daarentegen kunnen de belangen van de medische wetenschap worden gediend door het selecteren van de intellectueel meest getalenteerde studenten.

Ook de universiteiten zullen baat hebben bij deze selectie, immers deze studenten zullen, volgens de schrijvers het snelst afstuderen. Het blijkt dus dat er voor de eerste twee groepen geen goede selectiemethoden bestaan om hun belangen te dienen. Voor de derde en vierde groep (wetenschap en universiteit) bestaan die volgens de schrijvers wel. Waarom trekken zij dan hieruit niet de conclusie dat het zonder loting toelaten van de meest getalenteerde studenten de beste selectieprocedure is, omdat hierdoor de belangen van de laatste twee groepen zo goede mogelijk worden gediend, terwijl niet is aangetoond dat daardoor de belangen van de eerste twee groepen worden geschaad.

Ik begrijp niet waarom - zoals de auteurs vermelden - het onderwijs niet is toegerust voor het hanteren van een tweedeling: studenten die direct zijn toegelaten op grond van hun eindexamenresultaten, en studenten die hebben moeten loten. Dat gebeurt in het huidige systeem toch ook, al is het dan in een iets andere verhouding.