Leerling en meester op voet van oorlog door geheimzinnige brieven; Kift & couture

In de kleine wereld van de Nederlandse couture zijn collega's zelden vrienden. Zeker Mart Visser en zijn leermeester Frans Molenaar niet. Hij doet mij na, beweert Molenaar. Hoe komt hij erbij, zegt Visser.

Couturier Mart Visser: “Toen het nog een leerling-meester verhouding was, ging het goed. Maar die verhouding werd steeds schever. Dan zei Frans: 'Kom morgenochtend maar om half zeven, we moeten vroeg weg'. Als ik dan kwam, was hij net wakker en zei: 'Er staan beneden drie paar schoenen, poets ze maar alledrie dan kan ik daarna kiezen wat ik aandoe'. Zo'n verhouding was dat. Na viereneenhalf jaar had ik hier geen zin meer in. Ik ben bezig een carrière op te bouwen, ik doe geen klusjes meer.”

Mart Visser (28) hoorde er plotseling bij, bij de modekoningen van Nederland. Een hele prestatie, want de meeste couturiers redden het niet in Nederland. Te duur, te weinig klanten. Sinds de dood van Frank Govers afgelopen januari, zijn van de 'oude garde' alleen Frans Molenaar en Edgar Vos nog over. Mart Visser wordt tegenwoordig met hen in eén adem genoemd.

De vroegere leerling van couturier Frans Molenaar (56) heeft sinds vier jaar zijn eigen modehuis en lokt steeds meer klanten, oók die van Molenaar. Nou ja, leerling, Mart Visser was als twintigjarige stagiaire van de modeacademie eigenlijk meer een klusjesman, zegt Molenaar. “Hij heeft het steeds over die leerling-meester verhouding. Maar weet je wat hij hier deed? Stofzuigen.”

In de kleine wereld van de couture zijn collega's zelden vrienden. In het beste geval negeren ze elkaar. Zelfs dat lukt Molenaar en Visser niet. “Het is hem gewoon in de bol geslagen”, zegt Molenaar. “Die jongen begint toch net? Hoeveel collecties heeft hij nou getoond. Vijf of zes. Het moet allemaal nog worden uitgediept en verbeterd.”

De onverkwikkelijkheden tussen de couturiers kwamen voor het voetlicht, nadat Visser vorige maand bij de politie aangifte van smaad had gedaan. Een klant van Molenaar en een aantal grote dagbladen hadden brieven ontvangen met het briefhoofd van Mart Visser. De klant werd uitgenodigd eens bij Visser te komen kijken; modejournalisten werd korting in het vooruitzicht gesteld als ze gunstig over hem zouden schrijven. Visser zegt dat hij het tot de bodem uitgezocht wil hebben: “Zo mijn goede naam kapot proberen te maken, dat is smaad en laster.” Volgens de politie verdenkt Visser een vrouw met wie hij financieel nog een appeltje heeft te schillen. “Zij proberen er nu eerst samen uit te komen”, aldus een woordvoerder.

De couturiers mogen onderling dan overhoop liggen, met de zaken gaat het beter dan ooit. Steeds meer mensen hebben steeds meer geld en door de grootschaligheid van de confectiekleding is de behoefte aan speciale aandacht en exclusiviteit gegroeid. “Er zijn steeds meer jonge mensen die van confectie op couture overgaan”, zegt Molenaar. “En als ze eenmaal hebben gekocht, blijven ze kopen.”

Visser spreekt van een “revival van aandacht en kwaliteit en normen en waarden”. “Kopers willen niet het 'de klant is koning'-gevoel, maar het 'de klant is vorst'-gevoel.” En hij heeft ieder jaar meer klanten. Het verschil in prijs tussen dure confectie en couture is ook niet meer zo groot, zegt hij: “Voor 2.500 gulden heb je een tweedelig pak van Armani, maar bij mij heb je voor 3.000 gulden iets handgemaakts en word je met alle égards ontvangen.”

Roomwitte schoenen

Zaterdagmiddag in de salon van Frans Molenaar te Amsterdam-Zuid: dames tussen de dertig en de zestig jaar lopen in wisselende ensembles door de winkel, bekijken zichzelf en elkaar, drinken kopjes koffie en glaasjes water en bespreken de laatste nieuwtjes. Een diep gebruinde vrouw paradeert in een zwierige kobaltblauwe mantel de paskamer uit. “Práchtig!” roept Molenaar. De vrouw van een bekende schilder die een zwart broekpak komt passen, loopt schaars gekleed door de winkel. “Oh, ik wist niet dat jij hier zat”, zegt ze tegen een man in een modern hooggesloten jasje. Hij is de uitgever van Trendies, een tijdschrift over 'de betere dingen in het leven'. Grijnzend zit hij bij de paskamer te wachten op zijn hoofdredactrice, die onlangs een interview met Molenaar hield en nu een deux-pièces probeert. De hoogblonde schoonmoeder van een bekende Nederlandse zanger past onder het keurende oog van haar man drie pakjes. Ze neemt ze alledrie.

Aan de muur hangen een groot portret van Molenaar door Marte Röling en foto's: Molenaar met actrice Audrey Hepburn, Molenaar met de Franse ontwerper Christian Lacroix, Molenaar met prinses Margriet. De meester loopt onder begeleiding van drie personeelsleden, die maten opnemen en noteren, druk heen en weer: dat jasje moet wat langer, dat mouwtje wat korter, zullen we dat rokje een beetje uitklokken? “Frans, wat moet ik nu”, roept een oudere dame in een wit zijden pak wanhopig. “Wat moet hier nou bíj?” Eén blik van de meester: “Roomwitte schoenen.”

Leuk tekenen

Ooit waren ze vrienden, Visser en Molenaar. “Ik leerde hem kennen via een vriendje op de modeacademie”, vertelt Visser. “Wij keken heel erg tegen hem op. Frans had een Jaguar met chauffeur, we gingen nachten uit in Amsterdam, het ging er wild aan toe. Met Adèle Bloemendaal gillend in de Oesterbar zitten. Dat soort dingen. Of dan zei hij: 'Weet je wat we doen? we gaan naar Aruba'. Als student was het te gek om dat mee te maken.” Geliefden waren zij nooit, onderstreept Visser. “Frans viel godzijdank niet op mij en ik niet op hem.”

“Als de werkster op vakantie was, kwam hij bij mij stofzuigen”, vertelt Molenaar. “Hij had het geld nodig. Hij heeft mannequins helpen aan- en uitkleden. Ik heb hem de organisatie geleerd, hoe je een collectie samenstelt, waar je de mannequins boekt.”

Aan de top komen, dat kost járen, zegt Molenaar, die eind deze maand zijn dertigjarig bestaan viert als couturier. Hij begon zelf als veertienjarige aan de Amsterdamse kleermakersvakschool en werkte daarna acht jaar in Parijs bij de huizen van Guy Laroche en Nina Ricci. “Ik heb het vak nog echt geleerd. Tegenwoordig volgen ontwerpers de mode-academie, ze kunnen leuk tekenen maar ze weten niet hoe ze iets moeten máken. Als ik een pand uitdraai, weet ik hoe het klokt en hoe het niet klokt. Je bent creatief of niet, dat kun je niet leren.”

“Ik ben gewoon begonnen”, zegt Mart Visser, die de modeacademie volgde en werkte als stylist. “Ik ben altijd vormend bezig geweest. Op mijn veertiende had ik een etalagepop, Lola, die kleedde ik iedere dag aan met oude kleding van mijn moeder.”

Het vak van couturier was begin jaren zestig nog onbekend, zegt Molenaar: niet meer dan een handjevol intellectuelen had er belangstelling voor. “In het begin viel iedereen steil achterover van mijn prijzen, maar met hulp van mensen als Benno Premsela en Wim Crouwel die me opdrachten gaven voor de Wereldtentoonstelling en de Haagse Reinigingsdienst, begon het een beetje te lopen. Marte Röling was heel snel bij me, Mies Bouwman, Corry Brokken, Rita Reys. Ze zijn altijd trouw gebleven.”

Met smaak

De salon van Mart Visser te Amsterdam-Zuid is een heldere, lege ruimte met als enige meubels stoelen en een tafel en rekken met kleding. De jonge couturier zit ontspannen achterover geleund in een stoel nog wat na te praten met Aïda, eigenares van een interieurwinkel in Loenen, over de Kunst en Antiekbeurs Tefaf in Maastricht. “Ik had zoveel bekijks met je mantel”, zegt Aïda. “Jammer dat Nederland zo calvinistisch is. Het is al snel té mooi of té opvallend.” Visser: “Het vliegveld Beek stond vol jets. Je zag er pakjes voorbij lopen dat je dacht: potverdorie Balenciaga!” Elly Koot, de blonde ex-mannequin die voorheen bij Molenaar in de winkel hielp, zorgt voor koffie, water en koekjes. Zíj heeft Visser gebeld en niet andersom, onderstreept ze. Het was heel moeilijk om aan Frans te vertellen dat ze wegging, zegt ze, en vooral naar wie. “Hij wilde me geen hand geven en ik mag nooit meer naar zijn show komen.”

“Het decolleté moet wat dieper”, zegt de eigenares van een pr-bureau, een jonge donkerharige vrouw met felrode lippen die een feestjurk past. “Emile Ratelband was in het Amstel”, vertelt ze. “Hij rijdt in een Bentley.” Visser, druk in de weer met spelden, giechelt en zegt: “Ik mag dat wel hoor, gewoon lak aan de wereld.”

Het zijn niet de 'oude' families die couture kopen, zegt Visser. De 'blauw bloed branche' investeert volgens hem liever in schilderijen en oude kasten. Het zijn vooral de artiesten, de bezoekers van grote party's en jonge mensen die wel wat over hebben voor een handgemaakt kledingstuk. De term nouveau riche is voor zijn klanten niet relevant, zegt Visser, die roept teveel de associatie op met ordinair. “Er zijn nieuwe rijken die een enorme stijl hebben opgebouwd.” Frans Molenaar: “Ik noem het geen nouveau riche, ik noem het jonge mensen met geld. Die zijn er ook met smaak.”

Vous êtes very beautiful

Met vrouwen heeft Molenaar altijd een bijzondere band gehad, zegt hij. “Ik ben eerlijk tegen ze. Als ik vind dat het niet staat, zeg ik dat. Ik bel op en zeg: 'kom langs want er hangt hier een pak, dat is geknipt voor jou'. Of zij bellen: 'ik heb dit en dat van jou aan, wat moet ik nou doen?' Dan zeg ik: 'ik kom wel even langs, misschien moet die rok wat korter'.”

Visser 'ambieert' vrouwen, zegt hij. “Ik zie hoe je een vrouw mooier, aantrekkelijker en sterker kunt maken. Ik vind het heerlijk als vrouwen een rol spelen: zo'n stuk afstand, zo'n stuk theater, dat vind ik echt kicken. Ik weet nog goed dat ik vroeger met mijn ouders in Parijs een keer zo'n lange, dunne dame zag in Chanel-stijl. In mijn slechtste Frans zei ik: 'vous êtes very beautiful'. Zo'n dame die mij dan aankijkt en zegt: 'merci'. Dat vond ik zo lekker.”

Sommige dames blijven jarenlang trouw aan hun couturier - Adèle Bloemendaal, Mies Bouwman, Sigrid Koetse, ze zweren bij Molenaar. Er zijn ook talloze die geen moeite hebben met overlopen. “Klanten zijn vrij,” zegt Molenaar. Visser, die onder anderen presentatrice Linda de Mol, minister Jorritsma, actrice Sjoukje Hooymaayer en schilderes Ans Markus tot zijn clientèle rekent, zegt geen onvoorwaardelijke trouw te verwachten van zijn klanten. “Als iemand een deux-pièces van mij draagt met een blouse van Frank Govers eronder, zeg ik: 'prima, die mevrouw ziet er mooi uit'.”

Europarlementariër Hedy d'Ancona verscheen onlangs op de show van Visser in een pakje van Molenaar. Molenaar: “Visser is nieuw, dus mijn klanten gaan daar kijken. Maar dat betekent niet dat ze ook bij hem blijven.” Hedy vond er trouwens niks aan bij Visser, zegt Molenaar. “Ze belde me op en zei: nu heb ik het tenminste gezien.”

“Ik zie bij de shows van Visser al heel veel vrouwen zitten die klant waren bij Molenaar”, zegt Barbara Plugge, societyjournalist bij het weekblad Privé. Ook is de slag begonnen om de klandizie van Frank Govers, die sinds zijn dood 'vogelvrij' is, zegt Plugge. “Ze hebben wat te besteden, je moet ze grijpen als ze laagvliegen.”

Een oranje stropdas

Concurrentie is goed, vindt Molenaar, maar niet als die hem nádoet, personeel aanneemt dat voorheen bij hem werkte en klanten van hem benadert, zoals volgens hem Mart Visser doet. “Die jongen bewondert mij gewoon enorm. Hij wil alles bereiken dat ik heb bereikt. Ik zit altijd te schetsen in de Amstel-club, hij is oók lid geworden van de Amstel-club. Wij hebben in de kleding een wit biesje, hij heeft in zijn kleding nu ook een wit biesje. Ik draag een oranje stropdas, zie ik hem op tv oók met een oranje stropdas.” Van de Amstel-club ben ik lid geworden om dezelfde reden als Frans, zegt Visser. “Omdat het zakelijk gewoon heel interessant is. De top van Nederland komt daar.”

Visser schrijft vaak briefjes. “Als ik een mooie mevrouw zie staan in een celebrity-rubriek, stuur ik haar een handgeschreven uitnodiging voor mijn show.” Molenaar moet het meer hebben van de dinertjes die hij bezoekt en van de kennissen die hij in zijn dertig jaar vakmanschap heeft opgedaan. “Dan zit je eens naast iemand en zeg je: 'wat ziet u er mooi uit', zo komt een gesprek op gang.”

Uitgaan hoort bij het leven van de couturier, zegt Molenaar, die al zijn hele leven alleen woont. Eten bij Joop Braakhekke, naar het theater het ballet of het concert. “Vanavond ga ik naar Toon Hermans, die ken ik al veertig jaar. Ik heb de smoking gemaakt voor zijn laatste show.”

Uitgaan hoort bij het vak, zegt ook Visser. Hij heeft maandag met een paar klanten nog “ouderwets de slappe lach gehad” bij restaurant Le Garage. Gisteren nog was hij op een surprise party voor zijn goede vriendin Monique des Bouvrie.

Als je de juiste ingangen hebt, is naam maken in Nederland niet moeilijk, zegt Visser. “Maar écht succes hebben, dat mag hier dus niet. Nu ik in het rijtje van de groten sta, word ik van alle kanten aangevallen. Gisteren hoorde ik weer dat er allerlei verhalen over mij rondgaan, dat ik als ik in het Concertgebouw een mooie potentiële klant zie zitten, een briefje schrijf en het door de rij aan haar laat doorgeven. Ik zit inderdaad altijd te tekenen tijdens concerten, maar ik heb nog nooit een briefje aan iemand doorgegeven.”

Summier gekleed

“Het was over toen hij niet meer wilde stofzuigen”, vertelt Molenaar. “Na de bontshow, waar ik hem had geïntroduceerd, was het bij alles wat ik hem vroeg plotseling: 'oh nee, daar heb ik echt geen tijd voor'. Nou, er waren genoeg stagiaires die dolgraag voor mij wilden werken. Hij heeft mij nooit bedankt. Hij heeft me later niet eens uitgenodigd voor de opening van zijn salon.” Visser: “Het was een leuke vriendschap. Maar voor mij was het een tussenfase. Het ging met die werknemers-werkgeversrelatie fout omdat ik zelf iets wilde gaan neerzetten. Dan vindt hij ineens dat je schoenveters verkeerd zijn gestrikt. Toen ben ik voor mezelf begonnen.”

Visser heeft zijn stijl inmiddels helemaal gevonden, zegt hij. “Mijn volgende collectie draag ik op aan de danseres Martha Graham. Zo summier gekleed en dan toch met dat wijde rok-effect.” Molenaar: “Mijn collectie lijkt nog op die van tien jaar geleden. Ik volg eén lijn. Ik kan goed geabstraheerd denken. Ze noemen het wel dogmatisch conservatisme: dit wil ik, dit moet het worden en dat wordt het dan ook.”

Molenaars collectie is klassiek en monumentaal, met veel felle kleuren en lange zwierige jassen die, als het moet, veel kunnen verhullen. Visser maakt wat meer trendy kleding, sexy jurkjes en pakjes waar je jong voor moet zijn, maar die met jasjes er overheen ook passen bij wat oudere dames. “Hij doet mij na”, beweert Molenaar. “Hoe komt hij erbij”, zegt Visser.

Molenaar is wat duurder dan Visser: onder de vierduizend gulden kun je bij hem niet terecht. Maar met zijn circa tachtig klanten en zijn omzet van een paar miljoen is hij wèl de grootste. Het klantenbestand van Visser bedraagt ongeveer de helft. Leven van de couture doen ze geen van beide: Visser kleedt het personeel van Vroom en Dreesman, het Amstelhotel en de schouwburg in Tilburg, Molenaar maakt bedrijfskleding voor onder andere Albert Heyn en EHCO-KLM, maakt glasontwerpen en voert een confectielijn voor heren. De couture is wel hun visitekaartje: als die goed gaat, gaat de rest ook goed.

Laatst las Visser een artikel over een andere jonge ontwerper, vertelt hij. “Ineens voelde ik jaloezie. Ik dacht: wat krijgen we nou?” Dan, na een korte stilte zegt hij: “Als ik iemand zou opleiden en die zou voor zichzelf beginnen, zou ik niet leuk vinden. Maar dat je dertig jaar op een niveau zit als Frans en je laat je nog zo kennen - dat snap ik niet.”