Krijtlijnen

MARC DUTROUX - het symbool van een serie hartverscheurende misdrijven tegen kinderen in België - heeft een justitiële crisis losgemaakt in zijn land en deszelfs staatsinstellingen, culminerend in de witte marsen. Het volksprotest was massaal en diepgevoeld, doch niet altijd even precies.

Het was aan het Belgische parlement om via intensieve hoorzittingen de vinger op de te lang toegedekte wonden te leggen.

De enquêtecommissie-Verwilghen is tegen deze zware opdracht bestand gebleken. Zij heeft het falen van de instanties indringend blootgelegd en kwam met een unaniem eindrapport. Geen geringe prestatie, gezien de zware (bureau)politieke lading van de rechtshandhaving bij onze zuiderburen.

De moeilijk bevochten consensus kwam in het plenaire debat al direct onder spanning te staan van de klassieke, middelpuntvliedende tegenstelling tussen Noord en Zuid (Vlamingen en Walen). Het voornaamste breekpunt was het voorstel de drie rivaliserende politiediensten om te smeden tot wat al gauw een “eenheidspolitie” werd gedoopt.

Het is niet tot een breuk gekomen; de aanbevelingen van de enquêtecommissie zijn integraal aanvaard. Deze uitkomst zegt in de eerste plaats iets over de ernst van de volksvertegenwoordigers nu ook daadwerkelijk “krijtlijnen” voor de hervorming te trekken, zoals het tijdens het debat over de enquête werd uitgedrukt. Alweer, een hele ambitie in de Belgische politieke traditie, waarin het nodige achter de schermen pleegt te worden geregeld.

Krijtlijnen zijn teer, en het Belgische politieprobleem is dan ook nog niet werkelijk opgelost. De nu in principe afgesproken integratie van de strijdende politiediensten is één ding, maar vormt nog geen garantie voor de opbouw van een nieuwe korpsgeest.

HET VERZANDEN van de onderzoeken naar de verdwenen kinderen is niet in de laatste plaats toe te schrijven aan een combinatie van falende leiding en arrogantie bij het justitiële apparaat. België zit hier gevangen tussen een verlammende traditie van politieke benoemingen en gebrek aan “politieke aandacht”, zoals de enquêtecommissie het noemde.

Met het beëindigen van de politieke benoemingen is gelukkig ook voor de enquête al een begin gemaakt. Bij de beoogde professionalisering en modernisering van het justitiële apparaat komt meer kijken. De enquêtecommissie wijst terecht op het ontstellende gebrek aan aandacht voor de ouders van de vermiste kinderen. Haar voorstellen voor de slachtofferhulp ontkomen niet aan een “excès de zèle”.

Het is een elementaire taak van de justitie de zwaarbeproefde betrokkenen op de hoogte te houden van de gang van het onderzoek, ook al lijken zij wel eens “lastig”, zoals een hoge Luikse magistraat het ook na het enquêterapport nog durfde te noemen. Het instellen van een algemene aanspraak op aanwezigheid van ongeruste familieleden bij huiszoekingen heeft echter het kenmerk van gelegenheidswetgeving na het schokkende tekortschieten van de politie in de woning van Dutroux.

Des temeer geldt dit voor de voorgestelde verplichting slachtoffers te raadplegen bij voorwaardelijke invrijheidsstelling van eenmaal veroordeelde (zeden)delinquenten. De justitie heeft hier een zware verantwoordelijkheid, maar moet de wonden niet onnodig openhouden.