Koeienkoppen voor de bijl; vondst van bse bij anja en nellie kwam als een verrassing

Waarom de twee Nederlandse bse-koeien zo laat werden gevonden, is nog steeds een raadsel. Worden bse-koeien pas gevonden als er naar gezocht wordt?

'NEE NEE, DAT HEB ik liever niet”, zegt drs. Lucien J.M. van Keulen van het DLO-instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid (ID-DLO) in Lelystad, als ik vraag of de fotograaf erbij mag zijn als een koeienkop met een bijl wordt geopend om de hersenen eruit te halen. “Nee, daar willen we geen buitenstaanders bij hebben. Maar ik kan wel uitleggen waarom dat met een bijl gebeurt. Dat is omdat je met een zaag het hersenmateriaal naar buiten zou brengen. En als de koe BSE zou hebben - en dat weet je pas dagen later - dan heb je dat besmettelijke prioneiwit misschien aan je handen, aan je jas en wat niet al. Dus doen we het met een bijl. Als je het goed doet, blijven de hersenen daarbij intact, er gaat binnen het hersenvlies niets stuk. Drie bijlslagen is meestal wel genoeg. Er zijn hier op het instituut mensen die daar erg goed in zijn.”

Het openen van koeienkoppen voor BSE-onderzoek is langzamerhand routine geworden op het ID-DLO. Vorig jaar werden er 22 koppen opgestuurd door dierenartsen op verdenking van BSE. Maar dit jaar gaat het veel harder: alleen het eerste kwartaal al werden 16 koppen aangeboden. Waaronder de eerste Nederlandse BSE-koe, Anja-3 uit Wilp, en de tweede, Nellie-190 uit Kollum. Lucien van Keulen was degene die de diagnose stelde: “Allebei klassieke gevallen, echte schoolvoorbeelden, geen twijfel mogelijk.”

De immuunhistochemische kleuringen waren positief (kleuringen die berusten op een antilichaam-reactie speciaal gericht op prioneiwit). Maar ook al onder de microscoop waren duidelijk de karakteristieke BSE-vacuoles (kleine vloeistofblaasjes) te zien in de neuronen in het hersenweefsel. De vacuoles zelf zijn leeg, maar er om heen zit het prioneiwit gestapeld. Wat dat prioneiwit doet, waarom er vacuoles ontstaan en waarom de koe er ziek van wordt - dat zijn nog allemaal open vragen, zoals er zoveel nog raadselachtig is bij prionziekten.

Wetenschappelijk was de diagnose BSE bij Anja en Nellie dus erg aardig, maar economisch bepaald niet. En de veterinair patholoog wist dat. Van Keulen: “Ik wist dat het een miljoenenschade voor Nederland betekende, toen ik die vacuoles zag. Maar ik verklaar hierbij dat er geen enkele druk op me is uitgeoefend toen ik de diagnose stelde.”

Na deze twee Nederlandse BSE-gevallen moesten nog heel wat koeienkoppen rollen. Bij Anja-3 gingen 105 stalgenoten voor de bijl en drie opgespoorde verwanten. Anja bleek de enige BSE-koe in haar stal. Na Nellie uit Kollum volgden 88 stalgenoten en één verwante koe. Het ID-DLO maakte gisteren bekend dat bij geen van de onderzochte dieren ook maar een spoor van de ziekte is aangetroffen. De getroffen boer mag van het ministerie van Landbouw zijn bedrijf nu weer voortzetten.

Dr. Mari A. Smits is de leider van de kleine werkgroep scrapie/BSE van het ID-DLO. Het enorme instituut valt rechtstreeks onder het ministerie van Landbouw. Beleidsgerichte vragen mogen wetenschappelijke onderzoekers niet beantwoorden. Dus de vraag of de onmiddellijke slacht van Anja's en Nellie's stalgenoten niet een beetje overdreven was, moet hij met een 'daar ga ik niet over' beantwoorden. Smits: “Wel weet ik dat men in Engeland alleen de BSE-koe opruimt. De rest van de stal laat men gewoon staan. Wanneer de prioneiwitten binnen de hersenen en het centraal zenuwstelsel blijven, kunnen ze niets besmetten. Maar ik wil het gevaar van het BSE-prion niet kleineren. Eenmaal buiten de hersenen is het bijzonder infectieus en stabiel. De Amerikaan Paul Brown van de National Institutes of Health heeft eens het scrapie-prion - scrapie is een verwante ziekte bij het schaap - in de grond begraven en drie jaar later op activiteit getest. Die activiteit was nog niet eens tot de helft teruggelopen! Zo stabiel zijn die prioneiwitten.”

Normaal koken is onvoldoende om een prioneiwit te denatureren (definitief inactiveren). Het moet minstens boven 133 graden gebeuren onder verhoogde druk. Sterke zepen doen ook niets. Gelukkig denatureert een prioneiwit wel in sterke loog, bijvoorbeeld het goedkope natronloog. Maar dan moet het wel tamelijk geconcentreerd zijn, minstens 1 Normaal NaOH. Van Keulen: “Dat is behoorlijk sterk hoor. Als je dat op je huid of je kleren krijgt, moet je het onmiddellijk afspoelen.” Met natronloog werden de stallen en de slachthuizen van Anja en Nellie behandeld. Het ID-DLO gebruikt het om de instrumenten te ontsmetten.

Uit het feit dat de stalgenoten en de verwanten van Anja-3 geen BSE hadden, vallen voorlopig nog niet veel conclusies te trekken. Het kan nog steeds aan het voer gelegen hebben. Smits: “De ene koe kan vatbaarder zijn dan de andere of Anja-3 kreeg toevallig een brok krachtvoer binnen met veel meer BSE-prionen. We weten nog weinig over de dosis-effect relaties bij BSE. Moet je een minimale hoeveelheid binnenkrijgen om ziek te worden? Dat weten we niet. Wat besmetting betreft moet je niet alleen naar het voer kijken. Naar alles wat je een koe toedient of waarmee een dier in contact komt, moet je kijken. Je mag niets uitsluiten.”

Een mogelijkheid die zich toch wat sterker opdringt is dat de beide koeien 'spontaan' BSE kregen, zonder enige besmetting van buitenaf. In Nederland lopen vijf miljoen koeien rond. Zo nu en dan zou een koe wel eens BSE kunnen krijgen. Zo'n gekke koe heeft geen merkbare gevolgen, want het diermeel werd, behalve tijdelijk in Engeland, altijd onder hoge temperatuur bereid en de overdrachtkans van BSE naar de mens is zeer gering. Nederland zou nooit echt BSE-vrij zijn geweest. Dat Anja en Nellie werden opgemerkt, zou dan komen omdat er intensief naar BSE is gezocht.

Van Keulen: “Dat lijkt me toch onwaarschijnlijk. De histologie van het hersenweefsel is zo duidelijk. Je ziet die sponsachtige structuren onmiddellijk onder een microscoop. Iemand zou dat toch ooit gezien moeten hebben en beschreven.”

Maar voor 1986 was BSE niet eens als ziekte bekend en pas vanaf 1990 is er een meldingsplicht. Ziektes die slechts bij één op de miljoen voorkomen, zijn zelfs bij mensen al moeilijk op te sporen, laat staan bij dieren. Waarom zou een dierenarts een koeienkop opsturen, als hij niet eens weet waarnaar gezocht moet worden?

Van Keulen: “Als dat inderdaad zo is - en ik kan het niet uitsluiten - zou dat betekenen dat BSE door onderrapportage verborgen is gebleven. Ja het kan, toch lijkt me dat minder waarschijnlijk. Maar ik ben veterinair patholoog, geen epidemioloog.”

Wonderlijk is het late tijdstip waarop BSE in Nederland is aangetroffen. Sinds 1989 is het gebruik van diermeel in Nederland verboden. Een besmette koe manifesteert vanaf zijn vijfde jaar 'gek' gedrag. Als diermeel de besmettingsbron was, dan hadden we tot ongeveer 1994 BSE-koeien in Nederland moeten hebben. Daarna niet meer. Anja en Nellie werden voor besmetting door diermeel te laat gevonden. Smits: “De vondst van Anja en Nellie kwam inderdaad als een verrassing.”

Maar bij prionziekten is nog zoveel onbekend. Smits benadrukt dat veel zaken die in de pers en in de politiek al voor waar worden aangenomen, wetenschappelijk gezien nog lang niet onomstotelijk vaststaan. Smits: “Dat de 15 patiënten die aan de nieuwe variant van Creutzfeldt-Jakob stierven, die ziekte hebben opgelopen door het eten van producten van BSE-runderen is zeker niet bewezen. Maar in de politiek gaat men uit van worst case scenario's. Zo handelt men ook bij het slachten van verdachte dieren en het ontsmetten van stallen. Heel begrijpelijk en goed verdedigbaar. Maar daarom nog niet gebaseerd op wetenschappelijk vaststaande feiten.”

Bij prionziekten als BSE staan zelfs de elementairste zaken nog ter discussie. Zo neemt men in navolging van Stanley B. Prusiner aan dat bij een zieke hersencel een bepaald membraan-eiwit kan overgaan in de prionvorm. (Prion is de door Prusiner bedachte 'afkorting' van proteinaceous infectious.) De veronderstelling is nu dat deze afwijkende vorm het normale eiwit 'dwingt' de prionvorm aan te nemen. Dit prioneiwit is niet afbreekbaar en stapelt zich in de cel op. Door een tekort aan normaal eiwit of door een stapeling van prioneiwit, is de cel niet langer functioneel en de drager wordt ziek. Omdat zoogdiereiwitten evolutionair gezien nog niet erg ver uit elkaar zijn gegroeid, kan een prion van de ene soort soms een andere soort besmetten.

Biochemisch gezien was een zichzelf kopiërend eiwit al een revolutionair voorstel. Maar moeilijk te begrijpen is het bestaan van 'strains', verschillende typen prionen, die elk een verschillende vorm hebben - en die elk het normale eiwit dwingen zijn vorm aan te nemen, elk op zijn eigen wijze.

Het bestaan van strains is dan ook de achilles-hiel van de prionhypothese. Want het is al bijzonder dat biochemici bij vrijwel alle soorten zoogdieren eenzelfde eiwit vinden dat zich als prion gedraagt. Nog bijzonderder is het dat deze eiwitten verschillende ziekmakende vormen kunnen aannemen, vaak met een eigen ziektebeeld. Bij het schaap worden wel twintig strains onderscheiden. Dat gaat het voorstellingsvermogen van veel biochemici te boven.

Smits: “Het is de zwakke plek van de prion-hypothese. Er zijn ook heel wat onderzoekers die er niet in geloven. Prusiner roept triomfantelijk: dit zijn de feiten en dit is mijn hypothese. Als jullie wat beters hebben, kom maar op. En daar zijn we natuurlijk allemaal druk mee bezig. De uitdaging is groot. En die uitdaging is niet alleen wetenschappelijk, maar ook economisch van belang.”