Hollands Dagboek

Frank Ligtvoet (1954) studeerde Nederlands en was vijf jaar directeur van het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds in Amsterdam. Vorig jaar werd hij hoofd Pers- en Culturele Zaken op het Consulaat Generaal in New York. Daar woont hij nu met zijn vriend Nanne Dekking, die kunsthandelaar is.

Dinsdag 8 april

Voor vertrek van Amsterdam naar Schiphol langs de boekwinkel om Toon Tellegens Brieven aan niemand anders te kopen. Een advies van de jonge, sinds kort gebloemde overhemden dragende dichter Victor Schiferli, die zijn brood verdient bij het Literair Produktiefonds, tot voor een jaar de plek waar ik werkte. Op het vliegveld ontmoet ik Anna Beentjes, onze nieuwe medewerker podiumkunsten voor de komende vier jaar. Wanneer ik wat later door wil in Reves Brieven aan Matroos Vosch en pagina 113 opsla, lees ik dat juist in die brief ook 'de jonge Zeevos' op reis gaat naar New York. Boeken en leven zijn altijd met elkaar in gesprek, maar boeken onderling ook: mijn lievelingsdier in Tellegens nieuwe boek blijkt de Olifant, een onhandige lieverd die steeds uit de boom valt en vrijwel volledig bult met slurf wordt. Bij Reve lees ik nu over Beckett, die 'zich als jongen met gespreide armen en benen boven uit een hoge spar placht te laten vallen, 'om te proberen te vliegen'. Gelukkig blijkt al dat 'geval' geen omen. Reves taalgebruik - het wentelbeertje en het gebloemde overhemd van hierboven bijvoorbeeld - is trouwens heel besmettelijk en ik weet niet of sommige bijnamen van kennissen en vrienden als het Trillend Damhert, La Vache qui Rit en Frau Unrat gestolen zijn of variaties.

Woensdag

Op kantoor Anna ingeluid bij de collega's op de afdeling Pers en Culturele Zaken: de onverwoestbare, extraverte Henry Kol, cultureel attaché, de serieuze en fijnvoelende medewerker beeldende kunsten Robert Kloos en de hoekige, erudiete adminstratieve medewerker Cordula Bartha.

's Avonds komt vriendin en, tijdens mijn studie, leermeesteres Marita Mathijsen langs. Ze is hier voor een teksteditie-congres en heeft de door haar verzorgde Oeraanslag van Mulisch meegebracht. Geheel vertrouwd en lacherig halen we in het Afro-Amerikaanse Café Beulah, Nannes en mijn favoriete restaurant, de gehele wereld goedmoedig door de gehaktmolen.

Als we door de ijskoude nacht naar huis teruggelopen zijn, treffen we voor de deur onze logé en Amerika-addict Jan Riezenkamp met zijn koffers. Hij is zowat mijn hoogste baas bij het Ministerie van OCW en sinds jaar en dag vriend. Naast een verse lading Privé's heeft hij het wonder-cd-tje van Jantje Smit bij zich en na een keer luisteren concluderen we dat Heintje indertijd beter was.

Donderdag

Tegen zevenen komt onze logé naar beneden en al snel spreken we op een middendaagse toonhoogte over de conferentie komend weekend van de diplomaten die in Noord-Amerika cultureel werk doen, de PCZ-conferentie, waarvoor hij is overgekomen.

Op het Consulaat ontstaat 's morgens enige commotie wanneer een delegatie van Greenpeace onaangekondigd een petitie wil aanbieden in verband met het Noorse uitleveringsverzoek van Paul Watson. De nasleep ervan betekent dat we niet samen naar onze afspraak met Jane Moss van Lincoln Center kunnen. De mogelijkheden en onmogelijkheden van wat 'een Nederlandse week in New York' is gaan heten met Concertgebouw en Nederlands Danstheater tasten we af. Het landenconcept werkt volgens Moss niet in deze stad en alle mogelijke programmaonderdelen moeten op zichzelf sterk genoeg zijn om publiek te vinden: kwaliteit dus en niet nationaliteit.

Robert en ik nodigen kunstenares Rini Hurkmans uit voor de lunch. Ze bouwt haar project op bij de belangrijke galerie Holly Solomon. Het gaat om een enorme computerprintout op heel dun papier in een etalage aan Houston Street. Zaterdag kunnen we er naar gaan kijken. Tijdens het diner kan Robert zijn ideeën over het wat en hoe van de Nederlandse beeldende kunst in de VS met Rini's praktijk vergelijken. De verhalen zijn angstwekkend en amusant tegelijk.

Terug op het consulaat treffen we Henry nog net met Bart Wijnberg van het Ministerie van VWS die een lezing op Columbia University over het Nederlands euthanasiebeleid houdt. Daarna een etentje samen met twee galeries ter gelegenheid van de tentoonstellingen van Nederlandse architecten en het symposium over Nederlandse architectuur morgen en overmorgen. Later die middag horen we van het MoMA dat er geen Nederlandse architecten onder de drie architecten zijn, die gevraagd worden een voorstel te doen voor de uitbreiding van het Museum. We hadden gehoopt op Arets of Koolhaas die op de longlist stonden.

Om zes uur met Anna en Robert naar StoreFront, de belangrijkste architectuurgalerie van de VS, waar Raoul Bunschoten exposeert. Daarna door naar de voorbezichtiging van Ben van Berkels tentoonstelling bij Artist Space. De serieuze aandacht voor Nederlandse architectuur in de VS blijkt uit de belangstelling voor deze avond van de 'juiste' mensen: critici, conservatoren en verzamelaars nemen de kans waar de Nederlanders te leren kennen.

Om elf uur doe ik Nanne thuis verslag. We gaan braaf slapen.

Vrijdag

Ik lees bij het ontbijt, helaas weer om 5.45 uur, via een fax van vriendin Marijke de reacties op mijn stuk over de Nederlandse Taalunie (NRC 2 april). Mij lijkt het goed dat er een openbaar debat plaatsvindt over de basis van het internationaal kunstbeleid en de verantoordelijkheid ervoor. Ik geniet van de vileinigheden van Greetje van den Bergh en Theo Janssen van de Taalunie, die goed geformuleerd zijn. Krantendebatten zijn altijd licht in het voordeel van de laatste schrijver, omdat de precieze en genuanceerde formulering van de tegenstander al tussen de rotte vis ligt. Zo vond ik tactisch en retorisch heel sterk de wig die mijn Taalunieopponenten drijven tussen het standpunt van mijn staatssecretaris en het mijne, zijn ambtenaar. Dat is inderdaad een probleem, waarover ook in Zoetermeerse kringen al werd gemopperd. Ik had bij mijn stuk moeten melden dat ik op persoonlijke titel aan het woord was. Mea culpa, mea maxima culpa.

Om tien uur begint het architectuursymposium in de grote zaal van de kunstopleiding, de Cooper Union. Ik moet tegen enen terug naar kantoor, dus kon ik pas later te weten dat de middagsessie veel beter bezocht werd en toegankelijker was voor niet-Nederlandse oren.

Na een uurtje bellen werk ik aan mijn praatje voor de PCZ conferentie, waarin het moet gaan over 'gedelegeerde autoriteit', dat wil zeggen wie leent ons de autoriteit om over de kunsten te spreken en er hier aandacht voor te vragen, terwijl we geen specialisten zijn.

Na de drukbeklante opening van Bunschotens tentoonstelling, laat ik Maarten Mulder, 'mijn' ambtenaar bij OCW en over voor de PCZ conferentie ons huis zien, dat uitkijkt op het beeld van de eenbenige Peter Stuyvesant. Lichte-muziekmensen steken we de ogen uit met de mededeling dat Mike Stoller (van Leiber en Stoller) hier ooit woonde.

We eten, wederom, bij Cafe Beulah. Ik kies bezwaard twee maal sla, maar gelukkig zit er bij de hoofdsla een beetje vette saus. Met drank zijn we matig, want voor je het weet loop je in deze feeststad met Refusal op zak.

Nanne doet al tandenpoetsend verslag van zijn bezoek aan Anton Kern, die een nieuwe kleine galerie op Broadway heeft en onlangs met succes werk van Lara Schnitger toonde. Daarna at hij ergens in Soho, iets met tamelijk veel knoflook dus.

Zaterdag

Nanne geeft zich over aan de nationale sport van het Rollerbladen. Wanneer hij bezweet thuiskomt, hebben we eindelijk wat hier 'quality time' heet. De middag breng ik door bij het nu echt goed bezochte symposium, waar in het bijzonder Wiel Arets en Van Berkel veel indruk op me maken: de verbinding van theorie en praktijk is verbluffend. In de pauze komen er in gesprekken met onder andere de ironische Winy Maas en Robert ideeën op voor vervolgprojecten.

De discussie moet ik laten voor wat die is, omdat we - door de stromende regen - naar Rini's opening gaan. Ze is opgetogen, en terecht, over het resultaat: je ziet op de prints een paar meter hoog stalen staketsel waarin vegetatieve vormen (zeekomkommers? cactussen!) weemoedig hangen.

Kort bij Van Berkels officiële opening langs. Nu zie ik hoe Van Berkels tentoonstelling een spiegeling is van die van Hurkmans: ook hij heeft gebruik gemaakt van computerprints die de muren van een ruimte bedekken. Niet alleen boeken, ook kunstwerken spreken met elkaar.

Zondag

Ik lees wat in de Art en Leisure bijlage, die elke week weer een van de problemen demonstreert waarmee we geconfronteerd worden: de enorme berg aan feiten en feitjes over kunstenaars, organisatoren, bestuursleden, instellingen, fondsen, voorstellingen, tentoonstellingen, journalisten. Hoe de juiste feiten te selecteren, hoe ze te gebruiken. Het doet me wel eens wanhopen of je ooit greep krijgt op deze stad, laat staan dit hele land. In Nederland was ik na zo'n twintig jaar op de hoogte van het reilen en zeilen van nog maar een deel van de kunstwereld, hier probeer ik het onder stoom binnen een jaar.

Om negen uur naar kantoor. De meeste collega's uit Washington, Chicago, Los Angeles, Houston, Ottawa en Montreal zijn er al. Riezenkamp en Dirkse gaan in hun inleidingen op de samenwerking in, en de basis daarvoor in onder meer de brief aan de Kamer van de twee staatssecretarissen.

De nadruk komt in de loop van de ochtend te liggen op de professionalisering van culturele medewerkers en de werkmethoden.

Maandag

Ik lig nu precies veertien dagen achter met het doorwerken van uitnodigingen, tijdschriften, aankondigingen, brochures; 'mensenpost' probeer ik wel steeds af te handelen.

's Middags steelt Robert de show met een voortreffelijk betoog over het mogelijke beleid voor de beeldende kunst. Hij overtuigt ons heel elegant van zijn visie op het doel en de werkwijze op dit terrein. Heel in het bijzonder gaat het hem om de aansluiting van wat wij hier doen en wat in Nederland gebeurt.

Dinsdag

Maarten Mulder komt nog even langs voor hij later op de dag vertrekt. Omdat hij wat blijft hangen, kan ik hem uitnodigen om met mij en filmer Johan van der Keuken mee te gaan naar een afspraak met Adrienne Mancia, filmconservator van het MoMA. De Grand Old Lady van de artistieke film, die de geschiedenis van de Nederlandse documentaire film door en door kent, geeft een paar zeer bruikbare adviezen die hopelijk uiteindelijk zullen leiden tot de vertoning van - ten minste - Van der Keukens Amsterdam-film.

's Middags met Anna haar voorstel voor een werkprogramma doorgenomen. Zij heeft voorlopig de leukste baan: theaterbezoek en aansluitend ontmoetingen met al de programmeurs van dat theater. En daarbij heeft ze nog geen stapels, zoals wij allen. Vrijdag zullen we haar kunnen introduceren bij een aantal bekenden uit de danswereld, wanneer ik thuis een klein feestje geef voor de Nederlands-Israëlische choreograaf Itzik Galili, die met een ballet in het Joyce Theater staat.

Woensdag 16 april

Om half zes zijn Nanne en ik uitgenodigd door Charles Ryskamp, directeur van de Frick Collection om een lezing bij te wonen van Artbur Wheelock. Hij organiseerde in de National Gallery in Washington de Vermeer- en Steen- tentonstellingen. Nu spreekt hij tot ieders plezier als een jonge hond, kwispelend en blaffend.

De uitnodiging voor het diner na afloop blijkt zeer eervol, omdat het gezelschap klein is. Een aantal kunsthistorici en handelaren en een paar liefliebbers. Een van de laatsten - een mediaevist - blijkt tijdelijk te wonen in het huis van de niet lang geleden gestorven dichter James Merrill. We spreken al snel over diens relatie met Hans Lodeizen en via hem over Gerard Reve en dan over zijn Nederlandse vrienden, die ik gelukkig - we zijn weer thuis - allemaal ken. Het wordt een geheel literaire avond wanneer blijkt dat de echtgenoot van een conservatrice van de Frick de Amerikaanse uitgever is van Arnon Grunberg.

Diners houden hier vroeg op en rond tienen lezen we de afscheidsbriefjes her en der van Jan. We gaan vroeg slapen, maar midden in de nacht worden we gewekt door een Brahmsconcert dat opschalt uit de woonkamer. Een beetje nerveus gaan we samen naar beneden, zien geen menselijke bediener van de cd-speler en besluiten dat Jan vermoedelijk met de timer op het apparaat heeft geëxperimenteerd. Als Jantje Smit ons had gewekt, hadden we het zeker geweten.