Hoe komen levende organismen aan de kennis die ze nodig hebben om te blijven leven?; Stof waar honger uit ontstond

Eerst was er alleen maar stof die geen honger kende. In deze dode materie ontstond een nieuwe organisatievorm: leven. Met het vermogen tot aanpassing. En aanpassing vergt kennis. Socioloog Goudsblom over de poëzie van Chris van Geel en de kat van Thorndike.

De bomen laten op hun naakte vingers kijken, ze zijn gemaakt van stof waar honger uit ontstond, de takken zijn verhuld beknopte fraaie blijken van dorst die zich vertakt, zich hecht onder de grond. Het gedicht 'Tuin op komst' van Chr. J. van Geel kan verschillende stemmingen oproepen. De eerste regels klinken neutraal: de overwegingen van iemand die in de winter zijn ogen de kost geeft en tekenen ziet van wat er komen gaat. Uit de derde regel spreekt ook waardering: de takken zijn 'fraaie' blijken van dorst; maar tegelijk zit er iets beklemmends in de gedachte aan stof waar honger uit ontstond, aan dorst die zich hecht onder de grond. Zo zijn de bomen, zo is het leven, zo zijn wij - dragers van duistere, ondergronds woekerende krachten.

Dit is wat mij in het gedicht bevalt: het geeft in weinig woorden veel te denken. Het vertolkt een levensgevoel en een wereldbeeld, een stemming en een idee.

In dat idee herken ik een wetenschappelijk inzicht. Van Geel was niet, zoals zijn collega-dichters Leo Vroman of Dick Hillenius, van beroep bioloog. Toch laat dit gedicht zich lezen als een poëtische toespeling op een wereldbeeld dat we kunnen associëren met de biologie, met Darwin en de evolutietheorie.

We zijn gewend de dichtkunst en de wetenschap te beschouwen als werelden die ver uit elkaar gegroeid zijn, en dichters en wetenschappers als mensen met sterk verschillende ambities en bezigheden. Maar ze hebben toch ook veel gemeen. Ze willen in menig opzicht hetzelfde, en als ze leven in dezelfde tijd, delen ze gemeenschappelijke ervaringen.

In de uitdrukking 'stof waar honger uit ontstond' kunnen we de verwijzing lezen naar een heel ver terug reikend evolutieproces, zoals we dat ook beschreven vinden in de hedendaagse biologie. Eerst was er, zo mogen we aannemen, alleen maar stof die geen honger kende: levenloze materie, passief overgeleverd aan de elementen, aan hitte en kou, aan droogte en vocht. In een klein deel van deze dode materie ontstond ergens in de oceanen een nieuwe organisatievorm: leven - eerst eencellig, later soms ook meercellig. Het levende deel van de materie hoefde de omstandigheden waarin het verkeerde niet meer volstrekt passief te ondergaan. Het bezat een vermogen tot aanpassing, hoe elementair ook.

Daarnaast bezat het leven nog een ander kenmerk dat de dode materie miste - het was sterfelijk. En om het sterven, de terugkeer in een levenloos bestaan, tegen te gaan, uit te stellen, bezat het dat andere kenmerk dat Chris van Geel aangaf met het woord honger.

We kunnen over deze zaken moeilijk anders praten dan in antropomorfe, welhaast dichterlijke taal. Zelfs het in dit verband veel gebruikte woord 'oersoep' is oer-antropomorf. We zijn op beeldspraak aangewezen. Kenmerkend voor leven, voor alle leven, is dat het 'wil' leven. Om de organisatievorm waarin de tot leven gewekte moleculen zich bevinden te kunnen voortzetten, is energie nodig. Die behoefte aan energie kennen we als honger en dorst. De planten hongeren naar zonlicht, water, mineralen; de dieren hongeren naar planten of naar andere dieren; en tegelijk staan ze alle van hun geboorte tot en met hun dood energie af aan allerlei hongerige parasieten.

Ik houd het beeld nog even vast. De honger die aan het leven inherent is, is niet alleen gericht op energie maar ook op kennis. Dit inzicht staat centraal in het boek Darwin Machines and the Nature of Knowledge van de Britse evolutiepsycholoog Henry Plotkin.

Leven, aldus Plotkin, is aanpassing. Aanpassing vergt kennis. Aanpassing kan, zo vervolg ik in eigen woorden, twee vormen aannemen: aan datgene wat al aan het gebeuren (of al gebeurd) is, en aan datgene wat nog gebeuren gaat.

In het eerste geval kunnen we spreken van accommodatie, in het tweede geval hebben we te maken met anticipatie. En anticipatie, dat is duidelijk, vergt kennis. Een plant die tegen het vallen van de avond zijn bloemen sluit, 'weet' kennelijk dat het donker wordt, zoals een boom die in de herfst zijn bladeren laat vallen 'weet' dat het winter wordt. De signalen van wat op komst is, worden door sensoren opgevangen en om zo te zeggen 'begrepen'.

De grote vraag die Plotkin ons stelt is: hoe komen levende organismen aan de kennis die ze nodig hebben om te blijven leven? Het antwoord luidt in eerste instantie: door te leren. Maar zonder nadere toelichting is dat antwoord schromelijk ontoereikend. De bomen waar Chris van Geel over schrijft, zijn niet stuk voor stuk bezig zich in een leerproces de kennis eigen te maken, op grond waarvan ze kunnen weten wanneer het moment is aangebroken om hun knoppen te laten openspringen. De anticipatie op de seizoenen die de bomen hebben geleerd, hebben ze geleerd als soort, in een lang proces van evolutie. De kennis zit in hun genen.

Als de boom een dier was, zouden we spreken van een instinct. Bij dieren is het anticipatievermogen veel verder ontwikkeld, want dieren kunnen zich bewegen. Net als planten leven zij in een omgeving die voortdurend verandert; maar ze dragen zelf aan die verandering bij door in de omgeving voortdurend van plaats te veranderen.

Instincten zijn genetisch overgeërfde vormen van aanpassing - zowel aan wat er al aan het gebeuren is, als aan wat er hoogstwaarschijnlijk gebeuren gaat. Hoe moeilijker voorspelbaar de gebeurtenissen, des te minder betrouwbaar werken de instincten.

En des te nuttiger wordt kennis die niet tot in details genetisch is voorgeprogrammeerd - aangeleerde kennis dus.

Over de manier waarop individuen leren is in de wetenschap al veel bekend. Plotkin haalt een klassiek experiment uit de dierpsychologie aan: de kat van Thorndike. Die zat opgesloten in een kooi vlak naast een bak met heerlijke vis. in de kooi hing een touwtje, als de kat daar aan zou trekken, zou er een deurtje open gaan en de kat zou zó bij de vis kunnen komen. Maar dat wist hij niet. De eerste keer dat de kat in de kooi gezet was, ging hij hevig te keer. Hij maakte in het wildeweg allerlei bewegingen, waarbij hij op een gegeven moment ook zo hard met beide voorpoten aan het touw trok dat het deurtje opensprong.

In de daarop volgende dagen werd het experiment herhaald, en na korte tijd had de kat zijn lesje geleerd. Hij ging niet meer als een wilde te keer; hij wist wat hem te doen stond: even aan het touw trekken en dan rustig de kooi uitstappen. Vertoon van heftige emoties bleef voortaan uit. Eenmaal met kennis uitgerust, kwam de kat tot bedaren. Hij wist zich aan te passen; zijn kennis bracht hem tot rust.

Opmerkelijk is dat de beweging van het trekken aan het touw aanvankelijk at random geschiedde, zonder enige berekening of toeleg. Daarin verschilde deze beweging niet van alle andere bewegingen die de kat maakte in zijn radeloze honger. Kennelijk leidt radeloosheid tot randomness in het gedrag, en, meer dan dat: er staat een premie op. Het enige alternatief bij radeloosheid is apathie, passiviteit, overgave. Dan bieden lukrake bewegingen, al zijn ze nog zo ongericht, meer kans op uitkomst - zoals de kat van Thorndike tot zijn geluk mocht ontdekken. De toevalstreffer van het touwtje trekken werd door de kat geleerd, aan zijn gedragsrepertoire toegevoegd.

We kunnen de vele lukraak gedane pogingen van de kat om uit zijn kooi te ontsnappen beschouwen als evenzovele 'mutaties' - allemaal vergeefs en daarom ook weer snel vergeten. Alleen de ene geslaagde mutatie bleef behouden. We stuiten hier op een belangrijk principe, dat niet alleen geldt voor individueel leergedrag, maar voor de evolutie van levende soorten. Ook daar kunnen mutaties uitkomst bieden, als de omstandigheden zich wijzigen. De mutaties die optreden, vallen steeds in een bepaalde spreiding van mogelijkheden; daarbinnen zijn ze stuk voor stuk lukraak en onvoorspelbaar.

De selectie die bepaalt welke van de vele nieuwe vormen beklijven, is echter niet random, maar bepaald door de voorwaarden tot overleving onder wisselende omstandigheden. Kortom, ook al zijn de mutaties (waarvan de meeste weer verdwijnen) onvoorspelbaar, de selectie (die leidt tot blijvende innovaties) is verklaarbaar.

Met de wisselwerking tussen 'onvoorspelbare' mutaties en een toch 'verklaarbare' selectie hebben we telkens weer te maken bij het individuele leren, in de biologische evolutie en ook in de sociaal-culturele ontwikkeling.

Onder schrijvers over evolutie bestaat tegenwoordig een neiging om sterk de nadruk te leggen op het random aspect van het proces, op het lukrake van de mutaties. De honger die uit stof ontstaat, neemt telkens nieuwe vormen aan. Die vormen zijn onvoorspelbaar, en daarom, suggereren zij, lijkt het hele proces onverklaarbaar.

Vanuit deze gedachtenwereld is bijvoorbeeld het nieuwste boek van Stephen J. Gould geschreven, Full House. De titel bevat een programma, een methodische richtlijn voor het evolutionaire denken op allerlei gebied: in de biologie en de geologie, maar ook in de sociale wetenschappen en de humaniora. Deze richtlijn luidt: bekijk in de evolutie steeds het volledige spectrum, staar je niet dood op één of twee lijnen, zoals de afstamming van de mens of het paard. Het meeste leven is nog altijd bacterieel; het zou daarom onzinnig zijn te menen dat 'het leven' in het algemeen tendeert naar steeds hogere vormen van organisatie.

Van deze eerste richtlijn heeft Gould een tweede afgeleid, waar hij evenveel belang aan hecht, namelijk: kijk op ieder moment in de evolutie, van welke soort ook, of de veranderingen wel meer dan één kant op konden gaan. Zo konden zoogdieren, beginnend met het formaat van muizen, aanvankelijk alleen maar groter worden. In een nog kleiner lichaampje hadden zoogdieren (althans zoals wij ze kennen) niet kunnen overleven; de richting waarin de random mutaties zich konden voortzetten was daardoor bij voorbaat bepaald.

De beide richtlijnen van Gould zijn ook van belang voor een begrip van de ontwikkeling van menselijke samenlevingen. Om met zijn tweede principe te beginnen: naar alle waarschijnlijkheid hebben onze Homo sapiens voorouders vele duizenden generaties lang in kleine overlevingseenheden geleefd. Die zullen soms met elkaar zijn slaags geraakt; maar als de strijd voorbij was, ging het leven voor de overlevenden weer verder in dezelfde kleine groepen, met een maximum omvang van misschien veertig of vijftig leden. Vanuit deze aanvangssituatie konden de menselijke overlevingseenheden alleen maar groter worden.

Dat gebeurde misschien maar zelden; maar als het gebeurde, had het vèrstrekkende gevolgen, want voortaan waren de partijen niet meer even groot. Er was een nieuwe situatie ontstaan, waarin het voor steeds meer mensen een kwestie van leven en dood kon worden om tot een grotere, liever dan een kleinere groep te behoren.

En wat voor groepsomvang geldt, geldt in dezelfde mate voor allerlei andere sociaal-culturele mutaties. Ook die konden aanvankelijk maar één kant uitgaan. Ook de kennis en de organisatie konden alleen maar toenemen. Als dit dan eenmaal ergens was gebeurd, en de mutatie had zich als innovatie genesteld, dan vormde die innovatie een factor die geen enkele mensengroep die er mee te maken kreeg ongestraft kon negeren.

Het 'full house' idee van Gould heeft dan ook een aanvulling nodig. Als inderdaad één bepaalde soort zichzelf groter en sterker weet te maken, zoals Homo sapiens dat gedaan heeft - met behulp vooral van toenemende kennis en sociale organisatie - dan zijn hiermee voor de andere soorten die zich in dezelfde ecologische niche bevinden de overlevingskansen ook ingrijpend veranderd. Het hele huis gaat er anders uitzien, als een van de bewoners steeds meer ruimte opeist.

De grote vraag is: hoe is de menselijke dominantie gegroeid? Met behulp van toenemende kennis en organisatie - akkoord, maar waardoor zijn die dan zo sterk toegenomen?

Ieder antwoord roept nieuwe vragen op. Maar ik denk dat we hier toch minstens één sluier nog wel iets verder opzij kunnen schuiven. Er is veel te zeggen voor de gedachte dat een belangrijke impuls tot toenemende menselijke dominantie zal zijn gekomen uit de verhoudingen tussen de mensen onderling, en dat concurrentie en organisatie binnen de eigen soort hebben geleid tot een voorsprong op andere, concurrerende soorten.

Wanneer sommige groepen zich sterker wisten te maken tegenover bepaalde roofdieren, veranderde daarmee ook hun verhouding tot andere groepen mensen. Die stonden voor de keus: de nieuwe manieren van jacht of afweer wel of niet overnemen. Juist de onderlinge concurrentieverhoudingen maakten deze keus beslissend, telkens weer. Vuurgebruik, pijl en boog, landbouw, metaal, schrift, industrie - wie er over beschikten, stonden sterker dan wie er niet over beschikten. De sancties op het al of niet meedoen met de vernieuwingen werden steeds sterker, met als laatste verpletterende sanctie op het niet meedoen: de totale ondergang.

Zo is de menselijke dominantie over andere soorten nauw verbonden met de veranderende machtsverhoudingen binnen de eigen soort. En die veranderende machtsverhoudingen hebben de mensen gedwongen tot het leven in steeds grotere samenlevingsverbanden, met steeds ingewikkelder vormen van organisatie en steeds meer omvattende kennis.

Tot de biologische voorwaarden waardoor mensen zich in het leven kunnen handhaven behoort het aangeboren vermogen om dingen van en aan elkaar te leren en zich aldus vormen van kennis en organisatie eigen te maken. De realisering van dit vermogen is een proces dat zich afspeelt binnen historisch ontwikkelde sociale netwerken en culturele tradities.

Om aan die netwerken en tradities te kunnen deelnemen, moeten mensen in staat zijn om rekening met elkaar te houden. Ze moeten weten wat ze aan elkaar hebben, wat ze van elkaar kunnen verwachten. Ik denk dat we, zonder in morele illusies te vervallen, kunnen stellen dat het menselijk samenleven berust op een basis van gemeenschappelijke verwachtingen, van gedeelde kennis en wederzijds vertrouwen. Het individuele verstand wordt primair ontwikkeld in het sociale verkeer, als een functie van het samenleven. Kinderen leren hoe de wereld in elkaar zit door te letten op wat andere mensen zeggen en doen.

De kat van Thorndike stond er helemaal alleen voor; dat overkomt mensen maar zelden. Van jongsaf leren ze van en aan elkaar; verreweg het grootste deel van de kennisverwerving bestaat uit kennisoverdracht. Kennis en organisatie, de twee belangrijkste bronnen van de mensenmacht, zijn nauw met elkaar verbonden. Beide berusten op een basis van vertrouwen.

Volgens een bekend, naar ik meen aan Hegel toegeschreven, gezegde is de enige les die het verleden ons leert, dat wij van het verleden nooit iets geleerd hebben. Het is aardig gezegd, maar volstrekt onwaar. Alles wat wij weten hebben we geleerd - als individu, als samenleving en als soort. En wanneer kan dat leren hebben plaatsgevonden? Alleen maar in het verleden. Toen de kat van Thorndike eenmaal wist hoe hij zijn kooi moest openen, hoefde hij zich niet meer te bekommeren om dat akelige stukje verleden, toen hij nog wanhopig naar een uitweg zocht. Wat die ervaring hem had bijgebracht, zat nu in hem, als een fossiel in een stuk rots.

Zo zitten in ons allerlei lagen van kennis die wij hebben opgedaan in diverse fasen van ons verleden en met behulp waarvan we ons moeten leren aan te passen aan alle nieuwe omstandigheden, die we zelf voortdurend creëren.

In de Nederlands Hervormde kerk te Workum staat op een lijkbaar het volgende gedicht:

'Ons leven is maar eenen dag vol ziekten en vol naar geklag vol rampen dampen en verdriet een schim een droom, en anders niet.' Het is een anoniem vers, uit de achttiende eeuw. De kwaliteit van Van Geel haalt het niet. Maar het vertolkt een direct navoelbaar sentiment - een sentiment dat enigszins lijkt op de ooit door Woody Allen geuite klacht: het eten is slecht, en de porties zijn nog klein ook.

De porties zijn in onze eeuw groter geworden: we leven gemiddeld langer dan onze voorvaderen in de achttiende eeuw. Maar tegelijk kennen we maar al te goed de ervaring dat we ons bevinden in een situatie die te vergelijken is met die van de kat van Thorndike. Al in het begin van de twintigste eeuw sprak Max Weber van het 'staalharde omhulsel', waarin mensen in de moderne samenleving gevangen zitten. Misschien verkeren we inderdaad in een toestand van collectieve radeloosheid, waar we met allerlei vrij lukrake bewegingen uit proberen te ontsnappen, bijvoorbeeld in files en in vliegverkeer. Dat zou dan tot de socio-pathologie van het hedendaagse leven behoren. Bij een diagnose en waardering daarvan moeten we, denk ik, niet de hoogst denkbare maatstaven van verstand en geluk aanleggen. We moeten in de eerste plaats bedenken hoe kort onze ervaringen met het 'moderne' leven nog maar zijn.

De wereld lijkt steeds verwarder en verwarrender te worden. Van alle kanten worden we bestookt met afleiding, met een veelheid aan indrukken die ons doen geloven dat er geen coherent wereldbeeld meer mogelijk is. We kunnen ons heil zoeken in een of andere vorm van fundamentalisering. De fundamentalisten van alle pluimages hebben met elkaar gemeen dat zij zich schrapzetten tegen het voortgaan van de verandering - niet tegen de verandering tout court, want elke vorm van cultuur is het resultaat van veranderingen, van mutaties en innovaties, in het verleden. Fundamentalisering betekent: tot hier en niet verder gaan. Aan wat eens nieuw was, wordt een status van onwrikbare eeuwigheid toegekend.

Maar er is ook een intellectuele beweging die zich in de omgekeerde richting voltrekt. Het gaat hier om de erkenning van de aloude stelling van Heraclitus, dat alles verandert. Steeds meer leren wij onszelf en de wereld waarin wij leven te zien in termen van processen. Die processen zijn gekenmerkt door conflict en strijd; maar tegelijk zien we in die strijd de drang en de dwang tot organisatie, tot symbiose en (bij mensen) tot samenwerking en solidariteit. Zo daagt er toch iets van een aanvaardbaar algemeen intellectueel kader. Dat kader biedt plaats aan ideeën van chaos en randomness, van rampen, dampen en verdriet. De verbindende gedachte: dat alles een geschiedenis heeft, en onderhevig is aan processen, wordt door niemand serieus ontkend. Dichters en wetenschappers uit alle vakgebieden kunnen zich hierin verenigen.