Hoe het Wallenberg-imperium oorlogsbuit heelde; Verhuld in zaken

De Zweedse zakenman Raoul Wallenberg heeft in de oorlog tienduizenden Hongaarse joden gered. Hij werd voorgesteld als de onbaatzuchtige exponent van 's lands neutraliteit. RIOD-onderzoeker Gerard Aalders en de Amerikaanse wetenschapper Susanne Berger ontwarren een kluwen van zakelijke en politieke belangen achter Wallenbergs missie en komen tot een nieuwe reconstructie van een oud drama. Neutraliteit als sluier voor collaboratie.

Omstreeks april 1944 arriveert Iver C. Olsen op de Amerikaanse ambassade in Stockholm. Hij heeft een speciale opdracht: hulp bieden aan vervolgde joden in Hongarije. Dat land had zich in 1941, toen Duitsland de Sovjet-Unie aanviel, aan de zijde van Hitler geschaard. Maar toen de Duitse krijgskansen keerden, wilden de Hongaren van het verbond af. Hitler greep in en Hongarije werd in maart 1944 alsnog bezet, waarmee voor de joden een gruwelijke tijd aanbrak. Amerikaanse joden probeerden hun Hongaarse geloofsgenoten te helpen en stelden financiële steun beschikbaar. Die gelden konden het best via de ambassade van een neutraal land worden omgezet in daadwerkelijke steun.

Olsen was door de War Refugee Board - ressorterend onder het Amerikaanse ministerie van Financiën - naar Stockholm gestuurd. Hier ging hij op zoek naar iemand die de weg in Hongarije kende en ontmoette zo Kalmán Lauer, een zakenman van Hongaarse afkomst. Die was directeur van Mellaneuropeiska (Meropa), een im- en exportbedrijf in conserven dat zich vooral op Hongarije richtte. Lauer vestigde Olsens aandacht op zijn mede-directeur, de Zweed Raoul Wallenberg.

Raoul Wallenberg (1912-1947?) was een telg uit de invloedrijkste familie van Zweden. Bedrijven als Saab, Swedish Match en Svenska Kullagerfabriken (SKF) behoren tot de 'Wallenberg-sfeer', zoals in Zweden het financieel-industriële conglomeraat van de familie wordt genoemd. Het weekblad Time merkte eens op dat “in geen enkel ander industrieel land ter wereld één familie zo'n enorme economische macht kan uitoefenen”. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd het Wallenberg-imperium geleid door de broers Jacob (1892-1982) en Marcus (1899-1982), die de wereld keurig in tweeën hadden verdeeld. Jacob onderhield de contacten met het Derde Rijk, terwijl Marcus de familiebelangen bij de geallieerden behartigde. Zo profiteerden zij optimaal van Zwedens neutrale status.

Geheime clausules

Gedurende de hele oorlog heeft Zweden, praktisch zonder verzet, toegegeven aan Duitse eisen, die varieerden van vrije doortocht voor hun troepen over Zweeds grondgebied (uit Noorwegen naar het front in Leningrad) tot aan het leveren van materialen en grondstoffen die essentieel waren voor Hitlers oorlogsvoering. Van een land dat zichzelf neutraal verklaart mag een correct nastreven van de neutraliteitsprincipes worden verwacht, maar daaraan heeft het Zweden ontbroken.

Zo bleef het land hardnekkig, tot aan het voorjaar van 1945, ijzererts en kogellagers aan Duitsland leveren. Onder druk van de geallieerden was weliswaar afgesproken om de omvang van de ijzerertsexport naar het Derde Rijk te verminderen, maar het koninkrijk Sverige probeerde op allerlei manieren de gemaakte afspraken te ontduiken. De geallieerden konden wel de kwantiteit controleren, maar van de kwaliteit van de verschillende ertssoorten hadden ze geen benul. Dus toen de uitvoer van erts in 1944 onder druk van Londen en Washington werd teruggebracht van tien naar zeveneneenhalf miljoen ton per jaar, compenseerden de Zweden dat verschil door de Duitsers een betere ertssoort te leveren, zodat er in de praktijk weinig veranderde.

De export van kogellagers was van hetzelfde laken een pak. Op papier konden de geallieerden tevreden zijn, in de praktijk werden ze ook hier in de luren gelegd: de voor Duitsland onmisbare kogellagers werden heimelijk aan boord van vissersboten gebracht en op volle zee overgeladen op Duitse schepen.

Leverancier van zowel de kogellagers als het erts: het Wallenbergconcern. En dit was niet de enige manier waarop het bedrijf de Duitse grootindustrie terwille was.

Een goed voorbeeld van geheime collaboratie is hun (schijn)overname van de American Bosch Corporation (ABC), de Amerikaanse dochter van het elektronica-concern Bosch AG uit Stuttgart. In geval van oorlog wordt vijandelijk bezit geconfisqueerd. Om dat te voorkomen verkocht Bosch zijn dochteronderneming aan Wallenberg. ABC werd 'Zweeds', dus neutraal en daarom niet confisqueerbaar. In geheime clausules was vastgelegd dat de Wallenbergs het bedrijf voor de duur van de oorlog zouden overnemen. Voor hun diensten kregen ze commissie. Maar de Amerikanen - die dergelijke schijnbewegingen tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden leren kennen - vertrouwden de zaak niet en stelden een onderzoek in. ABC werd in beslag genomen.

De camouflage-activiteiten strekten zich ook uit tot bedrijven als Siemens en IG Farben. Verhullingsoperaties waren een hoog ontwikkeld specialisme van de gebroeders Wallenberg. Zelden was een familiedevies zo toepasselijk: esse non videri - zijn, maar niet gezien worden.

Behalve met de nazi's onderhielden de Wallenbergs ook nauwe contacten met het conservatieve Duitse verzet dat een separate vrede met de Westerse geallieerden nastreefde om daarna (eventueel in een gezamenlijke kruistocht) de communistische Sovjet-Unie te vernietigen. Jacob Wallenberg fungeerde als contactman tussen de Widerstand en de Engelse regering. De Britten en hun bondgenoten hebben nooit serieus overwogen met deze Duitse ondergrondse in zee te gaan, maar Londen wilde wel in gesprek blijven, omdat het belangrijke informatie uit het hol van de leeuw kon opleveren. Van zowel hun camouflage-activiteiten als intermediair-functie waren de Russen op de hoogte. Maar ze kenden de Wallenbergs ook uit eigen ervaring.

In 1942 zaten de Sovjets te springen om een bepaald soort staal voor hun vliegtuigindustrie omdat hun eigen voorraden door de Duitsers waren vernietigd. Jacob Wallenberg bleek bereid het staal te leveren in ruil voor een deel van de Russische platina-reserves. De deal - een grove schending van de neutraliteit - trok de aandacht van de KGB , die zich afvroeg of deze wetenschap tezijnertijd niet zou kunnen worden gebruikt om de Wallenbergs onder druk te zetten: de broers controleerden praktisch de Zweedse economie en de Russen hadden aan alles gebrek. De Wallenbergs zouden hun sleutel kunnen vormen tot vele goederen en diensten waaraan ze behoefte hadden.

Marcus maakte zich intussen zorgen over hun investeringen in Finland, dat aan Duitse kant tegen de Russen vocht. Als de Russen zouden winnen konden ze naar hun investeringen fluiten. Om zo'n ramp te voorkomen benaderde Marcus in het geheim de Russen en stelde voor zijn invloed aan te wenden om de Finnen tot een vredesverdrag met Moskou te bewegen. De Russen hadden niets te verliezen en gingen akkoord. Achter de schermen speelde Marcus, volgens KGB-generaal P. Soedoplatov, een sleutelrol bij de vredesonderhandelingen.

Met deze kennis, en die over andere geheime transacties van de Wallenbergs, kon de KGB de broers zwaar onder druk zetten. Ook ná de oorlog, toen Stockholm met Moskou een handels- en kredietovereenkomst sloot ter waarde van een miljard kronen. De Russen konden ter waarde van dat bedrag orders plaatsen bij Zweedse bedrijven - voor een groot deel uit de Wallenberg-sfeer. Helaas voor de Russen vond Washington dat een slecht idee: de Koude Oorlog was inmiddels uitgebroken. De Wallenbergs werden door zowel Moskou als Washington onder druk gezet. De Amerikanen wonnen, omdat ze de broers met de ABC-affaire in een sterkere greep hadden. De Russen hebben niet meer dan een deel van hun krediet in Zweden gebruikt.

Koningspas

Van de ingewikkelde zakenmanoeuvres van Jacob en Marcus, zo heeft het Wallenberg-concern altijd benadrukt, moest hun achterneef Raoul niets hebben. Hij zou zelfs geheel buiten de familie hebben gestaan. Raoul studeerde architectuur in de VS, maar belandde desondanks toch in zaken en bouwde een carrière op binnen het Wallenberg-concern. Vooral met Jacob Wallenberg, de feitelijke eigenaar van Meropa, waar Raoul en Lauer een directeursfunctie vervulden, kon hij het uitstekend vinden. Volgens een verklaring van Lauer was Jacob zelfs Raouls 'idool' en voerde hij (koerier)missies voor Jacob uit in bezet Europa. Gedurende zijn tijd bij Meropa (1941-1944) fungeerde hij als Jacobs privésecretaris.

Het was ook Jacob Wallenberg die zijn achterneef een 'koningspas' bezorgde. Tot dusver was absoluut onbekend dat Raoul over dit zelden uitgereikte reisdocument (bestemd voor leden van de koninklijke familie) beschikte. Hij kreeg de pas op 10 oktober 1941, nog geen twee weken na zijn aantreden in Meropa. Wat moest een 29-jarige zakenman in conserven, met een weerzin tegen commercie, met zo'n pas?

De koningspas verschafte grote bewegingsvrijheid en hij gebruikte hem intensief: Boedapest, Vichy-Frankrijk, Parijs, Berlijn en Zwitserland. Waarschijnlijk heeft Raoul dit zeldzame reisdocument gebruikt om delicate missies voor Jacob in Europa te kunnen uitvoeren. Een aantal van zijn reizen liep in tijd en bestemming merkwaardig parallel met die van dr. Eugen Thomä en baron Waldemar von Oppenheim, twee topfunctionarissen van Bosch. Het is aannemelijk dat Raoul werd gebruikt om contacten te onderhouden met Bosch-officials die Jacob en Marcus Wallenberg, gezien hun moeilijkheden met de Amerikanen vanwege ABC, liever niet in Stockholm over de vloer kregen. De geallieerden hielden het Duitse personenverkeer in Zweden immers nauwlettend in de gaten.

En niet alleen het Duitse personenverkeer. Uit recent door ons gevonden materiaal in Amerika blijkt dat Iver C. Olsen meer was dan de uitvoerder van het War Refugee Board-project. Hij was ook verbonden aan de US Treasury Departments Foreign Funds Control Unit die een onderzoek instelde naar de ABC-affaire. In zijn nieuwe standplaats Stockholm werd Olsen voortdurend van het ABC-onderzoek (én andere tegen Wallenberg lopende onderzoeken) op de hoogte gehouden. De keus om Olsen naar Stockholm te sturen was dan ook geen toeval: een van zijn taken was om de Wallenbergs in de gaten te houden.

Olsen had bovendien nog een derde functie: hij was agent van de Office of Strategic Services (OSS), de voorloper van de CIA. De OSS was in Oost-Europa druk bezig met het opzetten van stay behind networks, een netwerk van agenten dat zich moest nestelen in gebieden waarvan werd aangenomen dat ze na de oorlog binnen de invloedssfeer van de Sovjet-Unie zouden komen te liggen. Ook in deze functie zou Olsen weer met de Wallenbergs te maken krijgen.

De businessactiviteiten van Raoul beperkten zich niet tot Meropa want hij was betrokken bij ten minste vijf andere Wallenberg-bedrijven die zaken deden met Oost-Europa en het door Duitsland bezette deel van de Sovjet-Unie. Alleen bleef die link met de Wallenbergs onzichtbaar, omdat de eigendomsrechten, typisch Wallenberg, gecamoufleerd waren.

Een van die bedrijven, Josephson & Company, hield zich bezig met heling door tegen harde valuta goederen van de nazi's op te kopen die ze in de Sovjet-Unie hadden geroofd. In de correspondentie van Raoul met Lauer, die onlangs door ons werd gevonden, duikt de firma regelmatig op, hoewel zijn juiste relatie tot het bedrijf niet vaststaat. De berichten waren bovendien gecodeerd: Rusland werd aangeduid met 'Ostfirma Josephson' terwijl Plauen & Co. voor Duitsland stond.

Heling lijkt op het eerste gezicht onverenigbaar met het imago van tycoons als de Wallenbergs. Toch was het zo en het was bepaald niet de eerste keer: de broers waren voor alles in als er wat te verdienen viel. Onlangs hebben we in de Zweedse krant Dagens Nyheter aangetoond dat ze er evenmin voor terugschrokken 12.000 kilo 'besmet' goud (geroofd door de nazi's in de bezette gebieden) wit te wassen. Ook hebben ze van Nederlandse joden geroofde effecten opgekocht.

Onschendbaar

Door de toenemende chaos in Hongarije waren ook de belangen van Zweedse bedrijven, en dus die der Wallenbergs, in het gedrang gekomen. In Zweden ging men zich terecht zorgen maken over de veiligheid van vrienden, verwanten en werknemers van hun Hongaarse dochterbedrijven. Ook een man als Lauer had een lijstje van verwanten en vrienden die hij naar Zweden wilde halen. De enige mogelijkheid om een helpende hand toe te steken was via de ambassade in Boedapest. En net als Olsen had het Zweedse bedrijfsleven zijn oog op Raoul laten vallen. Hij was de aangewezen man om de reddingsoperatie uit te voeren. Toen Olsen, in naam van de War Refugee Board, Raoul benaderde voor een hulpactie in Hongarije, hád hij dus al een soortgelijke missie van het Zweedse bedrijfsleven geaccepteerd.

Met Buitenlandse Zaken, dat hem de diplomatieke status had verleend, was Raoul overeengekomen dat zijn actie twee maanden zou duren: tot 6 september 1944. Het plan was om een zogenoemde 'beschermpas' uit te reiken aan personen wie reeds een verblijfsvergunning in Zweden was toegezegd. Die pas maakte hen tot (tijdelijk) Zweeds staatsburger en daarmee onschendbaar. Het ging dus uitsluitend om mensen die óf naaste familie in Zweden hadden óf belangrijk waren voor het Zweedse bedrijfsleven. Qua omvang waren beide groepen beperkt en meer dan twee maanden zou hij inderdaad niet nodig hebben gehad.

De 'beschermpas-methode', aanvankelijk uitsluitend bedoeld om verwanten en Zweedse zakenrelaties te redden, heeft Raoul wereldfaam bezorgd. Niet omdat hij zich aan zijn opdracht hield, maar juist omdat hij ervan afweek. Die reddingsdrift wekte in Stockholm de nodige ergenis, want zijn optreden trok veel aandacht en dat was bepaald niet de bedoeling: ook in het najaar van 1944 wilde Zweden Berlijn niet al te zeer voor het hoofd stoten.

Frappant in dit verband is het optreden van Carl Lutz, de Zwitserse consul in Boedapest. Net als Wallenberg voorzag hij joden rondom de jaarwisseling 1944/1945, van een pas die het hun mogelijk maakte aan deportatie te ontsnappen. Bij zijn terugkeer in Bern werd Lutz wegens Kompetenzüberschreitung op het matje geroepen. Pas 13 jaar later zou hij worden 'gerehabiliteerd' en naar voren geschoven als het symbool van Zwitsers meeleven met vervolgde joden.

Raouls taak voor het War Refugee Board was aanvankelijk beperkt tot het oprichten van een organisatie om voedsel en medicijnen te distribueren. Voor een groep van 649 personen regelde hij 10 dagen na zijn aankomst een uitreisvisum. Die groep bestond hoofdzakelijk uit mensen die dankzij verwanten en vrienden in het buitenland een inreis- of verblijfsvergunning hadden weten te krijgen. Zweden was een van de reisdoelen. Uiteindelijk wist hij vele tienduizenden joden het leven te redden door hen van een Zweedse pas te voorzien.

Voor zowel de familie Wallenberg als de Zweedse regering was Raouls 'uitlening' aan het War Refugee Board aantrekkelijk omdat het hun negatieve imago bij de geallieerden kon opvijzelen. Ze gaven daarom ook hun actieve steun. Belangrijke medewerkers van Raoul waren medewerkers van een Wallenbergbedrijf; en de directeur van Swedish Match in Zagreb (een Wallenbergbedrijf) kwam als consul de ambassade in Boedapest versterken.

Raouls auto stond geregistreerd op een adres van Wallenbergfirma Bosch Magneto; een van de 29 Europese Boschbedrijven die Wallenberg voor de duur van de oorlog als 'Zweeds' had gecamoufleerd. Uit de door ons gevonden correspondentie tussen Lauer en Raoul blijkt de laatste tussen al zijn drukke bezigheden door de belangen van Meropa niet uit het oog te verliezen. Hij was ook bang dat Jacob Wallenberg zich zou 'ergeren' aan zijn langer dan voorziene verblijf in Boedapest en hij liet via Lauer aan Jacob vragen of hij met zijn wegblijven niet zijn carrière bij Stockholms Enskilda Bank (een bank uit de Wallenberg-sfeer) op het spel zette.

Bron van informatie

In Boedapest maakte Raoul officieel deel uit van de Zweedse ambassade, die geleid werd door Ivar Danielsson. De Russen wantrouwden de ambassade, al was het alleen maar vanwege Danielsson die in 1942 wegens zijn onverbloemde nazi-sympathieën door de Britten uit zijn toenmalige standplaats Egypte was gegooid. Per Anger, een van Raouls naaste medewerkers, stond evenmin bekend als anti-nazi. Dat belette hem overigens niet om ook contacten te onderhouden met de OSS. In een telegram (7 november 1944) wordt Anger genoemd als contactman tussen de OSS en het verzet in Boedapest.

Raoul Wallenberg wordt in hetzelfde telegram als tweede man opgevoerd, ná Per Anger. Op zich is dit ene telegram geen bewijs dat hij daadwerkelijk een OSS-agent was. Wel rapporteerde Wallenberg aan Olsen in Stockholm. In die zin was hij een bron van informatie, maar dat maakt hem niet tot een betaalde spion.

Er was meer dat de Russen wantrouwig maakte. In 1943 had Raoul op verzoek van SS-chef Himmler contact gezocht met Sovjet-autoriteiten. Himmler voorzag al in een vroeg stadium de Duitse nederlaag en was daarom voortdurend bezig met het leggen van contacten die hem na de oorlog van pas zouden kunnen komen. Het lag dus niet in de bedoeling om toen al (1943) daadwerkelijk met de Russen in gesprek te komen.

Himmler probeerde hetzelfde met de Westelijke geallieerden en hij was ook degene die zich achter de schermen voor separate vredesbesprekingen inspande. Daar komt bij dat Wallenberg zijn reddingswerk slechts kon doen met toestemming van Himmler. Met zo'n 'gunst' probeerde Himmler, wiens SS de concentratiekampen runde, bij de geallieerden in een goed blaadje te komen.

Hartaanval

Op 19 januari 1945 wordt Raoul Wallenberg in Boedapest gearresteerd door SMERSH ('dood aan de spionnen'), de militaire contra-spionagedienst van de Sovjets. Dat bemoeienis van SMERSH duidt op verdenking van spionage en dat was niet onlogisch. Raoul was niet zomaar een gevangene; het Kremlin was over zijn gevangenschap geïnformeerd en zeker is dat ten minste minister van Buitenlandse Zaken Molotov, de chef van de KGB en de toenmalige minister voor Staatsveiligheid zich met zijn geval hebben bemoeid. Pas in februari 1957 komt Moskou met het bericht dat Wallenberg op 17 juli 1947 aan een hartaanval in de Moskouse Ljoebjanka-gevangenis was overleden. Vermoedelijk is hij doodgeschoten en gecremeerd om de sporen van de executie uit te wissen.

Uit het schaarse archiefmateriaal dat inmiddels in Rusland boven water is gekomen, worden we helaas niets wijzer over de motivatie om hem voorgoed vast te houden. Hebben de Russen in die tweeëneenhalf jaar tussen arrestatie en overlijden niet het doel bereikt dat ze bij zijn arrestatie voor ogen hebben gehad? Volgens Soedoplatov probeerde de KGB hem als agent te recruteren om zo de KGB van nog meer informatie over Jacob en Marcus te voorzien. Ook zijn verblijf in de Ljoebjanka zou daarop duiden, want volgens de KGB-generaal voor 'speciale operaties' stonden de gevangenen daar op de nominatie om te worden aangeworven óf te worden geliquideerd. Ook is mogelijk dat hij een pion was in de Amerikaans-Russische strijd om de medewerking van Jacob en Marcus: de ABC-affaire versus het miljardenkrediet. Of was het een simpele wraakoefening voor wat Jacob en Marcus tijdens de oorlog hadden aangericht? De conclusie lijkt onontkoombaar dat Raouls verdwijning in direct verband staat met de operaties van het Wallenberg-concern tijdens de oorlog.

De Wallenberg-broers hebben zich nooit voor zijn vrijlating ingespannen en het is maar de vraag of ze op zijn terugkeer zaten te wachten. Waarom worden de zakentalenten van Raoul en zijn onmiskenbare connecties met de Wallenberg-sfeer tot op de dag van vandaag zo hardnekkig ontkend?

Na de oorlog kreeg uitsluitend zijn werk voor de WRF aandacht. Omdat Raoul uit Zweden kwam, werd zijn humanitaire werk steeds meer vereenzelvigd met zijn geboorteland. Raoul Wallenberg is uitgegroeid tot de beschermheilige van zijn geboorteland en de personificatie van een beleid dat in werkelijkheid nooit heeft bestaan. Dankzij hem ontstond het beeld dat Zweden synoniem was met oprechte neutraliteit en het was ook aan hem te danken dat Zweden werd gezien als een volk dat op de bres had gestaan voor bedreigde joden.

Zweden heeft zich dat imago graag laten aanleunen, maar heeft die beeldvorming niet actief bevorderd. Hoe kon het ook? Het tegendeel is waar. Net als Zwitserland stuurden de Zweden de meeste joden, behalve Noorse en Deense, tot ongeveer 1944-1945 aan de grens terug. De 'J' die de Duitsers in de passen van joden stempelden, had de instemming van de Zweedse regering en was zelfs (mede) op haar aandringen tot stand gekomen, omdat op die manier joden aan de grens sneller konden worden geïdentificeerd.

Over de periode 1941-1944 - van Raouls aantreden in Meropa tot aan zijn vertrek naar Boedapest - is verrassend weinig bekend. Onderzoek naar de activiteiten van Raoul over die periode zou nieuwe feiten over de handel en wandel van het Wallenberg concern (en dat van de Zweedse overheid) kunnen opleveren. Waarschijnlijk zit geen van beide partijen daarop te wachten en is dat de reden dat de archieven van Buitenlandse Zaken, de Säpo (veiligheidsdienst) en de militaire inlichtingendienst nog steeds (deels) gesloten blijven. Ook de familie Wallenberg wil van toegang tot hun archieven niets weten, ook al heeft ze publiekelijk het tegendeel beweerd. De Tweede Wereldoorlog kan nog steeds, ook al behoort ze inmiddels meer dan een halve eeuw tot de geschiedenis, reputaties aantasten of vernietigen.

    • Gerard Aalders
    • Susanne Berger