Henk Wubben, ex-secretaris van de Rode Jeugd en biograaf van Kim Il Sung; 'Ik zit gevangen in mijn eigen onbuigzaamheid'

Wat geloven we, wie vrezen we en waarom beminnen we? Frénk van der Linden spreekt met mensen die door overtuiging of ervaring een bijzonder inzicht hebben in geloof, dood of liefde. Cultureel antropoloog Henk Wubben (55) was in de jaren zeventig landelijk secretaris van de maoïstische Rode Jeugd. Deze week publiceert hij zijn studie Noord-Korea, de hongerige tijger. 'Met een thema-avond over het dialectisch materialisme trek je geen hond achter de kachel vandaan. De beuk erin!'

Noord-Korea, de hongerige tijger. Uitgeverij Balans, 368 blz., ƒ 45.

Ik werd om vier uur 's nachts wakker door een ontploffing. Toen ik de woonkamer binnenliep, zag ik het plafond instorten en een enorme vuurbal op me afrollen. Hitte, lawaai, rook. Ik was bang dat ik zou stikken. Deur van het trappenhuis opengezwaaid: dat stond al in lichterlaaie.

Ciska was in de slaapkamer achtergebleven, waar we uit het raam klommen en vanaf de vensterbank om hulp riepen. Beneden zag ik alleen maar mensen de benen nemen. Op de verdieping onder ons klonken weer explosies, de vlammen rukten op. Ik liet me zakken en bereikte met mijn tenen een bovenlicht. Met mijn nagels aan de randen van bakstenen hangend kroop ik omlaag. Toen ik eenmaal in een kozijn stond, probeerde Ciska hetzelfde te doen. Dat ging mis. Ik zie haar nog vaak in slow motion voorbijsuizen. Onderweg maakte ze een pirouette. Afgelopen, dacht ik. Maar ze klapte op de rand van een tuintafel, die haar val brak.

Even later stonden we in onze blote kont naar elkaars snijwonden te kijken. Het huis in de Quellijnstraat brandde tot op de grond af. De volgende morgen, 17 juni 1980, kwam burgemeester Polak naar de Pijp om de situatie in ogenschouw te nemen. Ik weet niet of hij de moeite heeft genomen eveneens te gaan kijken bij het voormalige archief van de Rode Jeugd. Dat bleek die nacht toevallig óók in vlammen te zijn opgegaan.

Sigurd Debus was een stadsguerrillero. Los van de RAF, maar met een grote sympathie voor de Rote Armee Fraktion, hing hij in Hamburg de rechtse vijand aan de strot. Ik leerde hem begin jaren zeventig kennen, raakte gecharmeerd door zijn wilskracht, zijn dadendrang. Debus werd een goeie vriend. Als hij bij me logeerde, bakkeleiden we nachtenlang over strategie-kwesties. Hij paste offensief geweld toe om een politieke omwenteling te bevorderen. Ik wilde éérst op zo'n aardverschuiving aansturen; al doende kon zonodig defensief geweld worden gebruikt. Debus plaatste bommen op hoofdkantoren van werkgevers, attaqueerde leveranciers van het leger en pleegde overvallen op de belangrijkste steunpilaren van het kapitalisme: banken. Op een gegeven moment werd hij gepakt. De rechters gaven hem vijftien jaar. Tijdens gijzelingen eiste de RAF vrijlating van mijn kameraad. Maar helaas.

Op een bijeenkomst over politieke gevangenen in Amsterdam, 1978, ontmoette ik iemand die zich voorstelde als Manfred Berger. Zijn actienaam was Fritz. Als voormalig mede-gevangene en intimus van Debus liet hij me weten dat Sigurd zou worden bevrijd: 'Hij verkeert in deplorabele conditie, de bewaarders zijn bezig hem te killen.' Kon ik Debus na de ontsnapping opvangen en in Nederland laten bijtanken voordat-ie zijn Krieg zou hervatten? Ik ging onder voorwaarden akkoord. Zo mochten er geen doden vallen bij de escape. Na verloop van tijd groeide bij mij het wantrouwen: Fritz kwam voortdurend met ongeloofwaardige verhalen, complicaties en gewijzigde voornemens.

Op een dag kreeg ik een paniekerige Fritz aan de lijn. Na een vergeefse poging de gevangenis bij Hannover binnen te dringen, was hij met zijn rechterhand op de vlucht geslagen. Ik moest hen onderdak bieden. De zaak stonk als een emmer visafval. 'Entschuldiging', zei ik. 'Leider verkeerd verbonden.'

Mijn strijd viel even stil door de fik in de Quellijnstraat. Ik werd gearresteerd; volgens rechercheurs zou ik zelf explosieven tot ontploffing hebben gebracht. Later pakten ze ook Ciska op. In persberichten heette het dat 'een terroristisch netwerk met vertakkingen naar het buitenland' was opgerold. Maar nog tijdens het voorarrest werden we op vrije voeten gesteld en een proces tegen mij resulteerde in vrijspraak. Later volgde wel een veroordeling tot 54 dagen celstraf wegens overtreding van de vuurwapenwet: op het moment dat ik werd aangehouden, had ik een bescheiden pistool bij me. Gewoon omdat ik me bedreigd wist. Die brand was niet de eerste poging ons uit te schakelen.

Sigurd Debus stierf voorjaar '81, middenin een hongerstaking. Autopsie wees flinke hersenbeschadiging uit - dat krijg je niet als je eten weigert. Vervolgens luidde de officiële uitleg dat hij op de intensive care zijn bed had verlaten, duizelig was geworden en op zijn kop was gevallen. Verzin eens wat origineels, jongens! Jaren later zouden de puzzelstukjes pas op hun plaats vallen.

Ik ben me in Marx gaan verdiepen toen ik na de LTS in dienst kwam bij Philips. Daar vond ik nou niet bepaald de vrijheid die ik zocht. Het jeugdloon dat je in ruil voor het klotewerk kreeg, was zo laag dat je onmogelijk op jezelf kon gaan wonen. 'Verderfelijke, monopolistische grootkapitalisten' waren het, 'uitbuiters' die bankwerkers degradeerden tot 'verlengstukken van de machines'. Aangezien het Communistisch Manifest niet in Eindhoven te koop was, leidde ik dat zo'n beetje af uit een boekje van dominee Banning, de doorbraaksocialist.

Lies, m'n vriendin, zat op het gymnasium. Met haar las ik in eerste instantie Camus, Kierkegaard, Sartre. We wilden bij Albert Schweitzer gaan werken, of in een kibboets. Op den duur daagde het besef dat het onrecht structureel en wereldwijd was, dat het ook in Brabant bestond. Het existentialisme leverde geen flikker op; je bleef in je persoonlijke sores, het ondergroef het systeem niet. Ik ging me communist noemen. Toch voelde ik niks voor de CPN. De Waarheid vonkte niet, die krant was het orgaan van een ordinaire belangenbehartigingsclub. Terwijl ik 's nachts in de Kruidenbuurt lag te dromen over een nieuwe wereld.

Mijn moeder zei altijd: 'Henk verleest zijn verstand'. Zij, een traditioneel ingestelde katholieke vrouw, las niet eens de bijbel. De kerk maakte wel duidelijk hoe je de dingen die daarin stonden moest begrijpen. Als mijn moeder eenmaal ergens voor had gekozen, bleek ze daar met geen paard vanaf te halen. Misschien is dat koppige terug te voeren op haar boerenafkomst. Ik heb veel van haar. Ik zou wat meer op mijn vader willen lijken: soepel, vatbaar voor argumenten, mild. Het lukt me lang niet altijd zo te leven. Het is lullig, maar ik constateer dat ik gevangen zit in mijn eigen onbuigzaamheid.

Pa was elektriciën, lid van de katholieke vakbond voor de kleinmetaal. Voor mijn vader was solidariteit een natuurlijk gegeven. Maar een barricade-tijger was hij niet. De politiek - in Eindhoven gedomineerd door de KVP - was geen onderwerp.

Mijn weerzin tegen de oude normen en waarden ontstond door de wijze waarop zwartrokken van de Sint-Jozefparochie godsdienstles gaven. Je werd als een stuk papier de stempelmachine ingeduwd: bam, zo zit het. Ik was oprecht geïnteresseerd in religie, ik worstelde met allerlei vragen, maar je werd niet geacht die te stellen. Fuck, dacht ik, als jullie geen boodschap aan mij hebben, heb ik geen boodschap aan jullie.

Mijn moeder had er veel verdriet van, maar slikte het. Met mijn vader discussieerde ik steeds vaker over het communisme. Ik zou er nooit in slagen hem te bekeren: de arbeiders gingen er de eerste decennia na de oorlog flink op vooruit, van frustratie of rancune tegenover de autoriteiten en de vrije-markteconomie was geen sprake. Laat staan van een opstand.

Je conformeren, je gemak houden, je nek niet uitsteken: ik ervoer die voorschriften als een wurgketting. Mijn kankerhekel aan het autoritaire klimaat op school en bij Philips maakte het er niet beter op. Mijn wegbreken uit de klem liep uiteindelijk via de oproep voor militaire dienst. Waarom, vroeg ik me af, zou ik me laten inlijven door het gevechtsapparaat van de gevestigde belangen, waarom zou ik voor de 'oranje-fascisten' op de Lünenburger heide gaan oefenen in het verdedigen van mijn eigen maatschappelijke gevangenis? Ze konden mijn rug op.

De uitweg was het tekenen van een achtjaarscontract bij de koopvaardij. Zo werd je ontslagen van dienstplicht. Ik voer als motor-drijver op vrachtschepen van de Rotterdamse Lloyd en zeeslepers van Weismuller de wereld rond. De Indiase kades krioelden van scharminkels in lompen, die werden mishandeld door opzichters. Ook in Mozambique kreeg ik het schuim op mijn bek: met een zweep in de hand dwongen Portugese kolonisten de zwarte havenarbeiders tot het laten zakken van de broek om te bewijzen dat ze niets uit het ruim hadden gejat. Het China van Mao was anders: daar werkten redelijk gevoede, geestdriftige, collectief denkende mensen. Daar kwam wat van de grond.

In '67 sleepten we een Amerikaans werkeiland naar Manilla. Eenmaal in Zuidoost-aziatische wateren werd de bestemming gewijzigd: richting Cam Ranh, een militaire basis van de yankees in Vietnam. Bleek er verdomme een fabriek voor het repareren van wapens aan onze kont te hangen. Onderweg zag ik B-52's overkomen die Ho Chi Minh en de zijnen naar de filistijnen moesten bombarderen. Communist Wubben verkeerde ongewild in een collaborateurspositie. In zeemanskroegen compenseerde ik dat middels woordenwisselingen met marinelui uit de VS. Het begon meestal vriendelijk, maar o wee als ik iets te vaak 'Give them commies hell' hoorde. Dan vlogen de glazen door de lucht en werd zo'n tent één grote knokpartij.

Terug in Nederland sloot ik me aan bij de Rode Jeugd, een zuiver proletarische, maoïstische club. De Moskou-lijn sprak me niet aan: het Oostblok werd geregeerd door 'betonmolens en lege meelzakken', respectievelijk partijhengsten die instructies uitbraakten en opportunisten die zich omhoog likten.

De Peking-gezinde RJ stond haaks op wazige flowerpower-toestanden, vrolijke provo's en lieve Kabouters. Niks pacifisme - weerbaarheid, de beuk erin! De Hermandad zwaaide nu eenmaal niet met de lange lat om een fijne discussie met ons aan te gaan. Mijn Eindhovense afdeling probeerde vanuit Café De Volksbond, proeflokaal voor de werkende stand, jonge arbeiders te mobiliseren. Met een thema-avond over het dialectisch materialisme trek je geen hond achter de kachel vandaan. Kortom: mouwen opstropen, protesteren, aanpakken. We deelden bij fabriekspoorten pamfletten ter bevordering van de klassenstrijd uit, kalkten tegen het generaalsregime in Indonesië en gingen voor de deur van een middelbare school liggen als daar iemand een pro-NATO-praatje kwam houden.

Door de activiteiten van Philips in het Griekenland van de kolonels aan de kaak te stellen, plaatsten we ons op de landelijke actiekaart. Ik leidde een demonstratie naar het standbeeld van de bedrijfsoprichter, oom Anton. In mijn handen had ik een rouwkrans van prikkeldraad met een hakenkruis; er bungelde een schenkel aan om de barbaarsheid van de dictators in Athene te onderstrepen. Dat vond de bewakingsdienst van de gloeilampenmagnaat niet zo leuk. Die probeerde ons tot appelmoes te slaan. Wij mepten terug. Na nog wat confrontaties escaleerde dat tot een continue krachtmeting, inclusief knokploegen van politie in burger en militant verzet van de RJ. Ikzelf gooide een zware marine-markeringsbom in de raadszaal uit woede over de ontruimingen van gekraakte panden. Dat je dan een poosje achter de tralies -ach ja, hoorde erbij. Alleen wanneer we door de straten trokken om te betogen tegen de Sovjet-Unie - bijvoorbeeld vanwege Praag '68 - konden we ongestoord onze gang gaan.

Ik zag de Rode Jeugd als een koevoet waarmee het bestel uit zijn voegen zou worden gelicht. De Black Panters in Amerika, Parijs op z'n kop, Belgisch anarchisme, de Baader/Meinhof-groep: we waren een radertje in een internationale beweging tegen het Westerse imperialisme. In onze ogen tekende zich op wereldschaal een pre-revolutionaire situatie af, de pestilentiën van het kapitalisme zouden voor eens en voor altijd worden uitgeroeid. Achteraf lijkt dat zelfoverschatting, maar het was zo'n nobele zaak... Een geloof? Ja, een geloof in de humaniteit, in de positieve potentie van de menselijke soort. Dat paradigma werkte als een kader waar alles in werd geperst. Ik had een relatie met een Dolle Mina; ook zij vond dat 'alle macht aan het volk' moest. Verhoudingen met vrouwen die andere opvattingen hadden, waren uitgesloten. Daar zou ik schizofreen van zijn geworden.

Na een paar roerige jaren wist de Nederlandse overheid de maatschappelijke onvrede te kanaliseren. Bij de Rode Jeugd merkten we dat de animo voor onze initiatieven afnam. Alleen de felsten bleven over. Mijn RJ-collega Theo Engelen,later correspondent voor NRC Handelsblad, zei in Vrij Nederland dat 'iemand om zeep brengen in onze ideologie vanzelfsprekend is'. Ik was inmiddels landelijk secretaris, schrok me de kolere. 'De vijand is ook hard', las ik uit zijn mond. 'De verzetsmensen in de oorlog aarzelden ook niet om een Duitser te mollen, zo ligt het hier ook. Grenzen kennen wij niet.'

Andere romantici wilden een 'RJ-killer commando' opzetten, 'ready to combat'. Na trainingen in de bossen zouden ze bij de Chinese ambassade de benodigde handvuurwapens bestellen. Gelukkig bond dat stel randdebielen na een paar tirades mijnerzijds in.

Zomer '71 reisde het RJ-bestuur voor drie maanden naar de Volksrepubliek. We vonden het grandioos: in een zee van rode vlaggen legden duizenden mensen met de hand een stuwdam aan, Chinezen wisselden tijdens het schaftuur van gedachten over ideologische vraagstukken, het onderwijs werd door Rode Gardisten hervormd. Ik zou onze visie op dat alles niet naïef willen noemen. De excessen van de Culturele Revolutie verwierpen we, maar belangrijker was dat burgers de gelegenheid kregen te hoop te lopen tegen de Chinese nomenklatura.

Toch beleefden we een stuk of wat tegenvallers. Onze gastheren deden plotseling de mededeling dat binnenkort Richard Nixon op staatsbezoek zou komen. Nixon! Waarom of all people die boef? De tweede schok was dat de Grote Roerganger zijn afspraak met ons afzegde omdat er zogenaamd een oorlog dreigde met de Sovjet-Unie. Tijdens onze retourvlucht naar Schiphol hoorden we dat Mao's ultra-radicale 'wapenbroeder' Lin Biao, ons idool, een mislukte putsch zou hebben gepleegd en per vliegtuig op weg naar Moskou boven Mongolië zou zijn neergestort. Voor ons was er geen touw meer aan vast te knopen. De Rode Jeugd raakte zijn oriëntatiepunt kwijt.

Thuis hadden we trouwens al genoeg kopzorgen. In onze afwezigheid was de Mercedes van de Eindhovense hoofdcommissaris Odekerken door een RJ-maat opgeblazen - wraak voor de toenemende vigilante campagnes van de politie. Het was een contraproduktieve zet, want nu gingen de BVD en andere terreurbestrijdende kongsi's zich undercover met ons bemoeien. We werden het doelwit van een kleine, geheime oorlog. Infiltratie, provocatie: de Rode Jeugd, een erg open organisatie, bleek er niet tegen opgewassen. Ik zag het niet meer zitten. Eind jaren zeventig stemde ik met een meerderheid voor opheffing. We hebben het krachtenveld verkeerd ingeschat, zei ik tegen mezelf. Pas op de plaats, Henk. Ik ging antropologie studeren aan de Universiteit van Amsterdam, leerde een lid van het Rode Verzetsfront kennen, Ciska Brakenhoff, en ging met haar samenwonen. Kort daarop zagen we ons gedwongen uit die in brand gestoken etage te klimmen.

Op een avond in 1986 keek ik naar het Duitse televisiejournaal. Het grote nieuws was dat de oppositionele SPD in de deelstaat Nedersaksen een geheime-dienstschandaal aan het licht had gebracht. In opdracht van regeringspartij CDU waren er jarenlang allerlei dubieuze trucs uitgehaald om 'Die Linke' in het gareel te krijgen. De naam van Sigurd Debus viel. Wat bleek? De BND, de inlichtingendienst, had indertijd een val gezet door het plan voor zijn 'ontsnapping' te verzinnen. De bedoeling van die staatsoperatie was om met instemming van de bondsregering door te dringen tot de RAF. Vanwege de overstelpende bewijzen gaf de Duitse overheid de gang van zaken officieel toe. Dat men had geprobeerd Herr Wubben erbij te betrekken was, omdat hij behoorde tot de top van de Terroristenszene. Merci voor de vererende promotie!

Je staat wel even gek te kijken als je verneemt dat het Bundeskriminalamt in overleg met Nederlandse ministeries op je heeft gejaagd. Mijn advocaat eiste onmiddellijk heropening van de rechtszaak over de fik in de Quellijnstraat. Antwoord van justitie: 'in het belang van de staatsveiligheid' kon daar geen sprake van zijn. In verweer gaan kon ik niet, omdat mijn belangen onvoldoende waren geschaad. Per slot van rekening was ik vrijgesproken. Mijn interpretatie is dat ze me eerst via Debus hebben willen kaltstellen; toen dat mislukte mocht ik desnoods aan mootjes. Trauma's en nachtmerries heb ik er niet aan overgehouden. Freud komt er bij mij voor geen millimeter in, dat zijn gedachtenspinsels voor de bourgeoisie.

Noord-Korea was altijd een achterafstraat op de plattegrond van het communisme. In mijn RJ-jaren had ik weinig belangstelling voor Kim Il Sung en zijn juche-filosofie, de zelfvoorzieningsmethode waarmee het land zich als Baron van Munchhausen aan de haren uit het moeras trok. Nam niet weg dat die benadering op afstand het ideale politieke en economische model leek voor een Derde-Wereldnatie. Kim liet zich wel wat potsierlijk omschrijven - Grote Leider, Zon van de Natie, Briljante en Onoverwinnelijke Gestaalde Commandant - maar dat soort etiketten moest je met een korrel zout nemen. Dacht ik.

Samen met Ciska had ik voor de Novib een landenmap geschreven over de sociale woestenij die in Zuid-Korea was ontstaan door het rauw-kapitalistische experiment. Op de universiteit kwam ik in gesprek met een delegatie uit Pyongyang die ons uitnodigde voor een bezoek aan het noorden. Het oogde beter dan pakweg Bulgarije en Roemenië: tanige mensen in nette kleding, behoorlijke hoeveelheden etenswaren in de winkels. De hoofdstad lag er met zijn enorme boulevards en smetteloze flats bij als een showcase. Een tweede trip riep bedenkingen op: de efficiëntie was wurggreep-achtig, de slogans getuigden van paranoïa, Koreanen werden afgeschilderd als übermenschen, en iedereen liep gehersenspoeld in de marshouding. De speldjes met de kop van Kim zaten tot op de kinderpyjama's. Kritische vragen waren out of the question. Hoe dúrfden we eraan te twijfelen dat op de verjaardag van Kim Il Sung twee regenbogen aan het zwerk verschenen die als Noord- en Zuid-Korea samensmolten?

Ik besloot een boek te schrijven over het land. De Noordkoreanen meenden dat een lid van de progressieve intelligentsia er zonder meer een verheiliging van zou maken. Naarmate de contacten intensiveerden, voelde ik me dubbelhartiger - vanaf '89 was ik in feite een Paard van Troje. Zij roken onraad, boden aan het manuscript mettertijd door een historicus te laten bewerken. De laatste twee, drie jaar hebben de contacten op het allerlaagste pitje gestaan. Nu de studie verschijnt, zal Pyongyang wel razend zijn: de veronderstelde geestverwant ontpopt zich als 'volksvijand'.

Ik zou er meer moeite mee hebben gehad zo'n kritisch boek te schrijven als Noord-Korea in mijn ogen nog steeds een socialistische natie was. Maar ik zie daar geen gelijkheid, ik zie daar geestelijke kaalslag. Ik zie daar geen vrijheid, ik zie daar pure onderdrukking. Het socialisme is aan zijn eigen fanatieke idealisme ten gronde gegaan. Regisseurs als Kim Il Sung hebben niet voorzichtig gezocht naar een balans tussen die kernbegrippen vrijheid en gelijkheid, nee, ze hebben met barbaarse methoden gepoogd de Nieuwe Mens te scheppen. Ondertussen heeft het kapitalisme het er zeker niet beter afgebracht. Het vrije-marktmechanisme maakt óók miljoenen slachtoffers: overal liggen mensen in de goot weg te rotten. Amerikaanse economen noem dat 'het residu'.

Wat is mijn huidige positie? Ten eerste: geen uitvluchten, geen excuses voor wat ik heb gedaan. Mijn politieke acties staan niet op het conto van iemand die in de diepvries heeft liggen pitten; ik heb ze in vol bewustzijn gepleegd. Je zult mij ook niet horen klagen. Ik heb klappen uitgedeeld en daar hoort bij dat je klappen kríjgt.

Ten tweede: ik ben er nog steeds van overtuigd dat het socialisme de enige manier is om te ontsnappen aan de grote clash. Westerse samenlevingen zullen onder druk van economische machten en misdaadsyndicaten. De staat zal dus steeds vaker naar repressieve middelen grijpen. Ik zie daar niemand daar echt tegenin gaan. Er is nu geen enkele partij, geen enkele groepering waar ik affiniteit mee heb. Wat overblijft is individuele inspiratie. Ik citeer Ischa Meijer: 'Wie in de oorlog geen communist was, had geen gevoel. Wie het na de oorlog nóg was, had geen verstand.' Ik heb nog steeds gevoel.