Geil geweld

Zeven jaar geleden, toen de Muur viel, was de verwachting in het Westen dat de bevrijde volkeren zich vanzelf zouden formeren tot democratische samenlevingen, rechtsstaten met een vrije, maar verstandig geleide markteconomie. Wat men zich daar hier precies bij voorstelde is eenvoudig te omschrijven: een beetje zoals Nederland, in het begin wat armer, maar zeker zo vrijheidslievend.

Eigenlijk was dat precies wat in de jaren zestig nog gehoopt werd van de volkeren die zich uit de koloniale overheersing hadden losgemaakt. Dat het in de eerste tien, twintig jaar daarop vrijwel nergens lukte, werd opgevat als groeistuip en kinderziekte. Daarna werd het aan de Koude Oorlog geweten. Toen die door de Sovjet-Unie voorgoed verloren was, laaide voor de vazalvolkeren van Rusland de hoop opnieuw op.

Het is wat anders gelopen en het loopt nog steeds heel anders. Op de keper beschouwd zijn er in Europa maar drie democratieën bijgekomen: Tsjechië, Hongarije en Polen, in volgorde van betrouwbaarheid. Al die andere landen blijken zonder communistische overheersing heel goed in staat zichzelf te onderdrukken.

'De wereld zal nog janken en smeken om Brezjnev', hoorde ik mezelf mompelen na de val van het Sovjet-communisme. Cynisch hoor, het soort gezegde waar je vast gelijk mee krijgt. Dat van 'de wereld' klopte niet, en er werd ook niet verlangd naar een afgetakelde potentaat, maar naar een wrede, sterke man. In Rusland en in de Balkanlanden stemt een groot deel van de burgers tegen hun eigen stemrecht: 'Weg met ons kiezers, maak ons weer onderdaan'. Ook in Oostenrijk herleeft dat verlangen en zelfs in Frankrijk hopen steeds meer kiezers dat Le Pen hen streng in de hand zal houden.

Dat is in navolging van Nietzsche wel slavenmoraal genoemd en niemand heeft de paradoxen van macht en onderwerping beter beschreven. Maar het kan nog anders gezegd worden, meer Freudiaans: er speelt een kinderfantasie. De oppermachtige ouders mogen dan streng zijn en zelfs onrechtvaardig, dat maakt ze alleen maar tot nog betere beschermers, die tegen anderen zeker nog strenger zullen zijn en vast nog onrechtvaardiger. Dat stelt gerust en strekt tot troost.

Toen ik een tijd in Boedapest woonde, zag ik met regelmaat een fascistische splintergroep demonstreren bij het station. Ze gingen, de koppen kaalgeschoren, in zwart leer gekleed, zwaaiden met rood-zwarte vaandels en staarden, de kin geheven, de borst vooruit, in de verte, waar in kraampjes kranten werden verkocht en warme worst.

Ze zagen er angstaanjagend uit. In strak gelid, in uniform, met krachtdadig postuur en hoekig gelaat, verkondigden ze het bruut en genadeloos geweld. Wie zou ooit op zulk geteisem willen stemmen?

Een oud vrouwtje, in sleetse kleren en voorovergebogen van de jicht, kwam op een jeugdstormer af. Hij hield zijn microfoon op heuphoogte en bracht die bij haar mond. Sabbelend sprak zij haar klacht in, die versterkt over het stationsplein galmde alsof een duizendkoppig koor fluisterend van leed en onrecht zong. Omdat de tekst voor mij onbegrijpelijk was, doorzag ik het tafereel des te beter. Wat ze niet zei en wat ik dus horen kon, was: oud ben ik, arm en zwak, en diep verongelijkt. Nu wil ik dat jonge sterke mannen zich voor mij wreken op iedereen die mij tekort gedaan heeft. Ik wil mijn pensioen terug uit hun bebloede handen die ik kussen zal.

Het is een opwelling waaraan men beter niet kan toegeven, maar die toch heel invoelbaar is. De overgave aan het fascisme is niet onvoorwaardelijk. Ze berust op een compromis in het gevoelsleven: ik wil bescherming voor mijzelf en wraak op al die anderen. Als ik mij maar nederig onderwerp, blijf ik gespaard en als beloning zal de overheerser al mijn vijanden vernietigen. De zelfonderwerping is dus de prijs die men over heeft voor de wraak. Iets dergelijks komt ook wel in de godsdienst voor, maar is in duizend jaren wat getemd.

Hoe uitzinniger, waanzinniger, geweldsbeluster, machtswilliger de fascisten zich vertonen, des te beter zetten zij die fantasie in gang: wat ben je groots, machtig en gevaarlijk; spaar mij, en sla een ander des te harder. Dat verklaart de liefde van de mens in onmacht voor de onmens aan de macht. Hoe liefderijk en zorgzaam zullen de leren mannen voor hun oude moedertje zijn wanneer ze van hun strafoefening terugkeren. De leren mannen zijn elkander trouw en toegewijd als broeders; hun moorddadigheid tegen de anderen voelen zij als liefde voor elkaar.

In Nederland, waar fascisten zeldzaam zijn, hebben anderen zich hun attributen toegeëigend: de heavy metal zangers en de femmes fatales van de kindermuziek, of de porno-sterretjes van het middernachtprogramma op de tv. Zie je in Amsterdam een troep mannen opmarcheren in zwart leer, met kettingen, laarzen en moffenpetten op, dan zijn het homo's die voor hun vrije avond op weg zijn naar de sauna. Dat is niet het begin van het nazisme, maar het tegendeel, de uiteindelijke, onomkeerbare ondergang. Het toont schaamteloos wat fascisten nooit en nergens mogen beseffen: dat ze als idealen in bloed en vernietiging moeten verwezenlijken wat ze als kinderverlangen niet durven uitspelen. Het zijn niet de perverten die zich met gevaarlijke politieke symbolen tooien, het is omgekeerd: de fascisten dossen zich uit met erotische parafernalia die pas in de politiek gevaarlijk worden. Koppelriemen en laarzen behoort men in bed en in het bordeel te dragen, voor de gewapende strijd moeten veldkatoen en gymschoenen genoeg zijn.

Het ultieme wapen tegen het fascisme is niet de neerbuigende zedenpreek en ook niet de striemende hoon, maar de pornografie. De pornografie houdt hun het evenbeeld voor dat hen eens en vooral verlammen zal. Tudjman, Le Pen en Haider zijn niet om op te stemmen, maar om bij te masturberen.