Eeuwig kind

Wie heeft er gelijk: de sociologe Badinter, die vindt dat er tot 1800 nog geen sprake was van moederliefde omdat toen moeders hun zuigeling zoveel mogelijk uitbesteedden aan een voedster, of de historicus Dekker voor wie dat inhuren een teken is dat men in elk geval wel zoveel om zijn kinderen gaf dat men er aanmerkelijke offers voor wilde brengen? (zie 'Eeuwig kind' in W&O, 5 april)

Tot in de 19de eeuw komt men in de medische en in de niet-medische literatuur telkens weer de opvatting tegen van Galenus en Soranos (beiden tweede eeuw na Christus) dat zogende vrouwen beter maar niet het bed met hun man kunnen delen, omdat geslachtsgemeenschap de menstruatie op gang brengt, zodat hun melk minder zoet zal worden (Galenus) dan wel bederven of hun borsten zullen opdrogen (Solanos). Verder was Galenus van mening dat seksuele onthouding tijdens de lactatie-periode de gezondheid van de jonge moeder ten goede zou komen en dat bovendien bij volgende zwangerschappen de risico's beperkt zouden blijven. Dus richtte hij zijn advies tot alle vrouwen, terwijl Solanos en Hippocrates dat alleen maar deden tot vrouwen, die voor geld een kind willen zogen.

Eeuwenlang stond dus elke vrouw die niet om den brode andermans kind hoefde te zogen maar wel het geld had, cq. van haar echtgenoot kreeg, om een zoogster in te huren (bij voorkeur inwonend omdat men er vanwege de kwaliteit van haar melk toch wel zeker van moest kunnen zijn dat zij zich van geslachtsgemeenschap onthield), voor het dilemma of zij een zoogster moest nemen of haar man 1 à 2 jaar buiten haar bed moest zien te houden. Dat laatste uiteraard met het risico, dat hij in die tussentijd een ander bed aantrekkelijker zou gaan vinden, kans zou zien om in die periode een of meer bastaarden op de wereld te zetten, een venerische ziekte op te doen of zich voor altijd van zijn huwelijkstrouw ontslagen zou achten. Wanneer in de loop van de negentiende eeuw de gedachte dan ook veld wint, dat geslachtsgemeenschap de melk van de zogende vrouw niet bederft en dat zij tijdens de lactatie-periode onvruchtbaar is, heeft dat er stellig toe bijgedragen om het systeem van de ingehuurde voedster in diskrediet te brengen. Uitgezonderd uiteraard in al die gevallen waarin de natuurlijke moeder door een of ander fysieke afwijking dan wel ziekte of dood niet in staat was om haar kind te zogen. Zodoende kon zo'n dertig jaar geleden een hoogbejaarde upper-middle class Groninger boer zijn zuigzuster (dat wil zeggen het kind van zijn voedster, waarmee hij samen gezoogd was) ter sprake brengen. En konden zijn leeftijdgenoten toen nog uit eigen waarneming precies vertellen hoe omslachtig en tijdrovend het wel was geweest om een kind uit de hand te voeden in een tijd, dat er nog geen zuigflessen met rubberen spenen waren. En ook dat zij in hun lange leven een nieuw type voedster tevoorschijn hadden zien komen: de jonge moeder die uit naastenliefde haar teveel aan melk afkolfde en naar ziekenhuis of kraamkliniek bracht.