Doek het RIOD op

Zoals iedere confessionele school worstelt met haar identiteit, zo twijfelt het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie al jaren aan de zin van haar bestaan. De vergelijking gaat nog verder op: al die scholen die ooit op solide roomse of protestantse basis berustten, zoeken in vertwijfeling hun heil bij identiteitscommissies.

Voor het RIOD heeft een Commissie Toekomst RIOD onder leiding van prof.dr. E.H. Kossmann gezocht naar een nieuwe grond van voortbestaan. Lou de Jong, de rijksgeschiedschrijver van de Tweede Wereldoorlog, heeft zijn instituut blijkbaar ontredderd achtergelaten.

Het onderzoek van de afgelopen jaren mist samenhang, zo stelt de commmissie vast. Er moet toch nog mooi onderzoek te doen zijn. We weten nog niet wat, maar laten we in ieder geval de voorwaarden scheppen. Om te beginnen moeten er vier extra mensen à raison van een half miljoen per jaar worden aangesteld. En er moet ook een smak geld voor de archivering en internationalisering komen. Krampachtig wordt er gezocht naar nieuwe onderzoeksterreinen zoals Nederlands-Indië vóór, tijdens en ná de Japanse bezetting.

Vergelijking met andere landen kan misschien ook nieuwe perspectieven opleveren. Het RIOD mag echter geen concurrent van Clingendael worden - het Srebrenica-onderzoek moet een incident blijven. Het RIOD moet een instituut voor hedendaagse geschiedenis worden, met bijzondere aandacht voor oorlogen.

De verruiming van de taakstelling is door de verse directeur Hans Blom prompt verwelkomd. Zijn tevredenheid is begrijpelijk: hij krijgt de universitaire leeropdracht die hij voor zijn nieuwe baan heeft opgegeven terug zonder de beslommeringen van onderwijs.

Welke principiële reden is er echter om een apart instituut te belasten met de studie van de recente (oorlogs)geschiedenis van Nederland? Het voorbeeld van het Münchense Institut für Zeitgeschichte gaat niet op. Dat heeft al sinds 1952 als taak om niet alleen de nazi-jaren te bestuderen, maar de hele Duitse geschiedenis van deze eeuw in het onderzoek te betrekken. Het is immers duidelijk dat de opkomst van Hitler langs lange historische lijnen moet worden begrepen. Voor Duitsland is de eigentijdse geschiedenis een existentieel probleem. Aan Nederland is de oorlog alleen maar overkomen. De catastrofe die honderdduizenden doden heeft gekost en zoveel levens heeft veranderd, behoorde natuurlijk uitvoerig gedocumenteerd en bestudeerd te worden. De opdracht is met aanmerkelijk succes volbracht.

Dat wordt in feite beaamd door de commissie-Kossmann, als zij zegt dat een blijvende concentratie op de Tweede Wereldoorlog slechts zal leiden tot bevestiging van eerdere onderzoeksuitkomsten. In die situatie zijn er alleen sentimentele motieven om nog een gat naar de toekomst te zien. Als was het een oorlogsmonument, zo wordt het RIOD ontzien.

Waarom zou onderzoek naar de Tweede Wereldoorlog nog langer een andere status moeten hebben dan andere historische studies? Een apart instituut dat door de overheid à fonds perdu wordt gefinancierd, heeft de neiging vadsig te worden. Het is niet voor niets dat werkelijk vernieuwend, of minstens uitdagend, onderzoek de laatste jaren juist buiten het RIOD wordt verricht.

Het nieuwe boek Om erger te voorkomen van Nanda van der Zee is daarvan een voorbeeld. Zij waagt het aan te schoppen tegen het standbeeld dat De Jong voor Wilhelmina heeft opgericht. Haar vlucht op 13 mei 1940 was niet de ingeving van het moment, maar werd volgens een vooropgezet plan uitgevoerd, nota bene zonder overleg met de regering. Zo wordt door een buitenstaander op verfrissende wijze de mythe van WiIhelmina ter discussie gesteld, al toont RIOD-directeur Blom zich in zijn reacties niet onder de indruk.

De discussie zonder einde die de geschiedenis, ook die van de Tweede Wereldoorlog, is, kan veel beter tot haar recht komen als geen enkel onderzoeksinstituut een bevoorrechte positie inneemt. De grote som gelds die het RIOD de gemeenschap kost, kan veel doelmatiger worden besteed. Enerzijds aan een geconcentreerde inspanning om de stukken te ontsluiten, te ordenen en op te bergen, ofwel bij het Algemeen Rijksarchief of - als daarvoor dwingende technische redenen zijn - bij een instituut dat uitsluitend de documentatie van de oorlog tot taak heeft, bijvoorbeeld een afgeslankt Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Aan de andere kant zouden de onderzoeksgelden, bijvoorbeeld via gerichte opdrachten van de regering of de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, naar de universitaire geschiedenisinstituten kunnen gaan.

Het opengooien zal niet alleen de kwaliteit van het onderzoek ten goede komen maar studenten zullen in dat geval ook profiteren van het leeronderzoek dat zulke opdrachten oplevert. De historici in opleiding, voor wie Frans tegenwoordig ongeveer Soemerisch en Duits bijna Oud-Keltisch is, kunnen dan mooi met Nederlandse bronnen werken, schriftelijke en pratende.

Eén onderzoeksopdracht moet zeker worden verstrekt: een studie naar de geschiedenis het RIOD.