De roep van het kleine; Vertrekkend voorzitter Tilburg vreest vergrijzing universiteiten

Prof.dr. Gery M. van Veldhoven neemt vrijdag afscheid van 'zijn' Katholieke Universiteit Brabant (kub). Hij was er hoogleraar, rector- magnificus èn voorzitter van het college van bestuur.

UIT ZIJN werkkamer heeft Van Veldhoven een fraai uitzicht op een bosrand. Aan de andere kant van het gebouw zitten her en der studenten in het zonnetje. Het is hier goed toeven, zo te zien. Het complex van de Katholieke Universiteit Brabant in Tilburg-West is de werkplek voor 10.000 studenten en 1700 personeelsleden.

De voorzitter van het college van bestuur lijkt in deze entourage op al die andere mannen/bestuurders waar Nederland zo rijk aan is: geslaagd in het leven en in hun carrière, een beetje grijs en bedaagd en vooral ook behoedzaam formulerend. Ook deze 'geboren bestuurder' kent het klappen van de zweep en hij wil duidelijk niemand hard vallen, zeker niet nu hij binnenkort weg is. Maar die terughoudendheid, verworven in een lang bestuurlijk leven, valt meteen weg zodra het regionale karakter van de KUB aan de orde wordt gesteld. Van Veldhoven: “Nee, ik zie helemaal geen spanning tussen die regionale verankering en het in principe onbegrensde domein van de wetenschap. Het zijn twee verschijnselen. Je hebt het sociale verschijnsel: de mensen op wie je terug kunt vallen en die je bestuurlijke, politieke en financiële legitimatie vormen, en je hebt de wetenschap, met een infrastructuur die de wereld omvat.”

Toch kan hij er niet omheen dat de KUB geen 'complete' universiteit is, met slechts vijf faculteiten (economie, rechten, sociale wetenschappen, letteren en filosofie). Berustend zegt hij: “Ach ja, als ik alles zou mogen overdoen... Het volk beneden de rivieren zou een complete universiteit verdienen. Maar ik vind het geen goede uitdrukking om te spreken over 'beperkt en beperkingen'. Daarbinnen hebben wij onze keuze gemaakt.” Hoewel de KUB kleiner is dan de 'klassieke' en completere universiteiten zoals die in Amsterdam, Leiden en Utrecht, komt Van Veldhoven meteen in het geweer als Tilburg neerbuigend wordt behandeld. Toen zijn collega Gevers van de Universiteit van Amsterdam een paar jaar geleden betoogde dat de kleine universiteiten ten onrechte werden voorgetrokken, kon Gevers in Folia, het weekblad van de Amsterdamse universiteit, een geharnaste reactie uit het Brabantse lezen. Van Veldhoven sloeg terug: “Universiteiten verschillen. Natuurlijk doen ze dat. Er zijn in Nederland universiteiten aan te wijzen die de turbulentie van de laatste decennia niet goed hebben weten te verwerken en nu naar buiten toe de indruk maken van georganiseerde chaos: complexe, stuurloze conglomeraten van ongelijke en onduidelijk geprofileerde wetenschapsgebieden en facultaire verbanden.”

EEN WARE PIONIER

Na een aanloop via de Koninklijke Marine (officier), de Katholieke Universiteit Nijmegen (wetenschappelijk medewerker) en Unilever (manager en onderzoeker) werd Van Veldhoven in 1972 hoogleraar economische psychologie in Tilburg. In die nieuwe discipline bleek hij een ware pionier te zijn die school maakte in Nederland en ver daarbuiten. Van het ene op het andere moment lijkt hij op een jonge, enthousiaste onderzoeker, als hij aan de begintijd van zijn loopbaan terugdenkt. “Toen ik als psycholoog uit Nijmegen hier naar Tilburg kwam, bij al die economen, wisten ze niet wat ze van me moesten denken.” En vol vuur vervolgt hij: “Er is toch geen werkelijkheid die zich beter leent voor psychologisch onderzoek dan economisch gedrag. En kijk vandaag de dag eens naar de beurs, wat daar gebeurt. Op grond waarvan worden daar beslissingen genomen...verwachtingen, angsten, optimisme?”

De Katholieke Universiteit Brabant heeft onder aanvoering van haar collegevoorzitter duidelijke ambities. De Tilburgse faculteiten moeten, elk op hun terrein, tot de beste drie van Nederland behoren. Bij rechten en economie is het al zover. De visitatiecommissies stellen dat vast, aldus Van Veldhoven. Hij wijst daarbij ook op CentER, het Center for Economic Research, onder leiding van prof.dr.ir. A. Kapteyn. Van Veldhoven: “We hebben daarnaast ook duidelijk gekozen voor het snijvlak van universiteit en maatschappij, het snijvlak van de wetenschappen en de 'knowledge based expertise'. Dat kan op een universiteit als de onze eerder en pregnanter tot stand komen dan bij de bredere universiteiten. Die hebben een onduidelijker profiel.”

VOORBEELDEN

Als voorbeelden van dat 'snijvlak' wil hij twee topinstituten noemen: OSA, de Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek, dat de KUB samen met de Universiteit Utrecht heeft overgenomen. En het onderzoeksinstituut 'Globalisation and sustainable development'. Op dat laatste instituut, dat duurzame ontwikkeling tot onderzoeksobject heeft gekozen, is oud-premier Lubbers actief als docent en onderzoeker.

De concurrentie op de markt van het universitair onderwijs en onderzoek, zoals die door Nijenrode is ondernomen, kan Tilburg niet echt verontrusten. Hij was er niet zelf over begonnen, maar desgevraagd stelt Van Veldhoven, besmuikt glimlachend, vast: “Wij hebben intussen een heel pakket geleerden van Nijenrode overgenomen. Zij hebben altijd een eigen segment gehad om te bedienen, de directe bedrijfsopleidingen. Nu hebben ze, denk ik, wat moeite om hun huidige positie te bepalen. En ze hebben er uitdrukkelijk voor gekozen om geen prioriteit te geven aan wetenschappelijk onderzoek.” Hij zegt het wat diplomatiek, maar zijn afsluitende opmerking over Nijenrode laat geen ruimte voor misverstanden: “Die beperkingen zijn niet te compenseren met veel lawaai.”

Terwijl hij steeds snel en zonder veel omhaal van woorden reageert, neemt hij even de tijd voor een antwoord op de vraag welke minister van Onderwijs hij in al die jaren de beste vond. “Oei, dat is een lastige vraag.” Maar dan zegt hij, zij het wat zuinigjes geformuleerd: “Deetman, die was niet zo slecht.” Die minister heeft volgens Van Veldhoven het nodige opengebroken in het universitaire bestel, zoals dat vervelende en krakkemikkige Academisch Statuut.

Aan de KUB, maar ook binnen de VSNU probeert Van Veldhoven te wrikken aan de vastgeroeste arbeidsverhoudingen en de dito personeelsformaties aan de universiteiten. Bij de opening van het academisch jaar 1996-1997 pleitte hij voor een ingrijpende aanpassing van het universitaire functiestelsel. Eufemistisch sprak hij toen over “een zekere rigiditeit” op dat punt. Twee jaar eerder, in september 1994, had hij ook al op dit aambeeld gehamerd. Doorstromingsbeleid is binnen de universiteiten 'zo ongeveer een non-entiteit', heette het toen. Nu noemt hij die verstopping “echt een serieus probleem”. Met een volstrekt onbewegelijke staf en veel tijdelijke aanstellingen, tot 30 procent aan toe, ziet Van Veldhoven twee schillen ontstaan, waarvan één schil na vijf jaar weer helemaal weg is. “Nieuwe inzichten en nieuwe oriëntaties komen je organisatie niet meer binnen. Het is de dood in de pot.” Daarom wil hij naar een structuur waarbij de bijdragen van de individuele medewerkers explicieter naar voren kunnen komen. Dan ontstaan er weer interessante carrièremogelijkheden, zo voorziet hij.

Maar daar komt hij zelf niet meer aan toe. Hij is inmiddels afscheid aan het nemen van al zijn bestuurlijke taken, met één uitzondering. Hij blijft actief als voorzitter van Memisa, een organisatie voor medische hulp in de Derde Wereld. “Ik ben moe”, verzucht hij ongevraagd. En in september vorig jaar zei hij, onder verwijzing naar zijn laatste jaar aan de KUB: “Een scheut van anticiperende pijn bevangt mij reeds wanneer ik aan het einde van die actieve betrokkenheid denk.” Vanwaar die ontboezeming? Van Veldhoven, lachend: “Ik vond het beeld zo mooi. Als je daar staat, in de aula, in het hart van de academische gemeenschap, dan denk je over wat je roeping is, wat je roeping is geweest.”