De meeneem

De naslagwerken en de deskundigen in mijn omgeving brachten geen uitkomst. 'Een fiets is iets maar bijna niets.' Is het een slagzin waarmee de provo's het Wittefietsenplan hebben gepropageerd? Is het Luud Schimmelpennink persoonlijk geweest? Of heeft met deze woorden Nico Scheepmaker er een nadere uitleg aan gegeven? Ik houd het op Scheepmaker.

Het Wittefietsenplan was te rationeel om succes te kunnen hebben. Zet duizend witte fietsen in Amsterdam, niet op slot, voor iedereen vrij om te bestijgen, ermee naar de plaats van bestemming te rijden en daar weer neer te zetten, gereed voor de volgende gebruiker.

De auteurs van het plan hadden met één constante geen rekening gehouden: het fatsoens- en redelijkheidsgemiddelde van de totale Amsterdamse bevolking. Dus werden de fietsen gestolen, je kon ze terugkopen voor een gulden of 35, of ze waren al naar ontwikkelingslanden uitgevoerd, of na gebruik door derden in de gracht gegooid. Het Wittefietsenplan raakte in het vergeetboek maar de geldigheid van Scheepmakers axioma bleef onaangetast. In stilte werd er een voetnoot aan toegevoegd, of misschien was die er al. 'En wat bijna niets is, mag je meenemen.'

Vorige week kwam ik op de gang van ons kantoor iemand tegen die er ontworteld uitzag. Is je fiets gestolen? Nee, iemand heeft zich over mijn vulpen ontfermd. Hij begon te jammeren: hoe lang hij het ding al had, hoe goed het in de hand lag, wat hij er in de loop der jaren mee had geschreven en dat deze pen geen dood ding voor hem was, maar meer een huisdier in zijn binnenzak. Wat voor merk is het? Een Pelikan, zwart met koperen ringen. Hoeveel heeft hij gekost? Dat wist hij niet meer maar hij was ontroostbaar. Vreselijke dingen voorspelde hij degene die zijn Pelikan had meegenomen.

Het was een rustige dag; we verbreedden het onderwerp. Wàt ligt wáár dat je gewoon mee kunt nemen? Daar begon het vraagstuk: wat is gewoon? Wat minder dan twee gulden kost, van plastic is en milieubewust moet worden weggegooid, opperde hij. Dus aanstekers van ƒ 1,95, ballpoints en potloden die je zelf al op andermens' bureau hebt gevonden, plastic zakken, half gebruikte blocnootjes, pakjes kauwgum met nog twee stuks in onbeschadigde wikkel, aangebroken rolletjes plakband, postbode-elastiek. Ik was het niet met hem eens. Ik heb een bic-clic, de Rolls Royce onder de goedkope balpunten; toen ik hem op 29 juni 1996 kocht nog ƒ 1, 60. Het is een goed ingeschreven pen, met een soepele kogel en een altijd feilloos werkend veermechanisme. Een technisch wondertje dat ik niet graag kwijt zou raken. Het stemt me melancholiek als ik zie hoe de inkt opraakt. Mijn bic-clic is de zandloper van mijn eigen tijd.

Had ik dat maar niet gezegd! Hij begon weer over zijn Pelikan. Vulpennen mogen nooit worden meegenomen, zei hij verbitterd. Evenmin als horloges en paraplu's uit Taiwan; nee, geen enkele paraplu. Dat was ik weer wel met hem eens.

De volgende dag ontmoetten mijn collega en ik elkaar bij de koffieautomaat. Hij keek grimmig. Kijk eens wat ik hier heb! zei hij en hij trok een vulpen merk Pelikan uit zijn binnenzak. Gekocht! Voor ƒ 95,-. Ik weet nu wie de mijne heeft meegenomen. Als ik hem weer tegenkom, zal ik hem mijn nieuwe Pelikan laten zien. Dan komt hij natuurlijk met mijn oude aan, verkoopt een paar slappe smoesjes en wil de pen teruggeven. Dan kijk ik hem scherp aan, steek afwerend mijn hand op en zeg: Nee! Hou die pen! Dat zal je leren, nooit meer pennen van iemand anders mee te nemen!

Het leek me een harde maatregel.

Vanmorgen op de gang. Hij keek een beetje besmuikt.

En? zei ik. Zijn er nog ontwikkelingen?

Ja, onverwachte. Mijn collega was zijn vulpenvijand tegengekomen. Die had al van de ontgoocheling en verbittering gehoord. Hij had in zijn binnenzak gegrepen en daar, zonder een woord te zeggen twee Pelikans uitgehaald. Toen er één aangereikt met de woorden: Hier, dit is de jouwe.

In het daarop volgende gesprek waren alle verdenkingen weggenomen. Want wat was er gebeurd. De gedoodverfde vulpendief was toevallig ook een Pelikan kwijtgeraakt, toen als door een wonder die van mijn collega tegengekomen, en hij had gedacht: Dit is natuurlijk mijn Pelikan. In de veronderstelling dat hij volkomen rechtmatig handelde, had hij de pen in zijn zak gestoken.

Wat heb je gedaan?

Ja, zei hij. Voor pennen koester ik gevoelens die ik niet onder woorden kan brengen. Natuurlijk geloofde ik hem op zijn woord. Ik schaamde me zelfs dat ik hem had verdacht. Maar een pen die tien dagen in andermans zak heeft gezeten, is voor mij een vreemde geworden. Die wil ik niet meer. Mijn oude pen heb ik aan iemand anders gegeven, een neutrale derde. En ik heb de nieuwe, die heel goed schrijft.