De markt van de liberalen is een strijdtoneel

Hebben al degenen die elkaar in de recente privatiseringsgolf forse salarissen en afkoopsommen hebben toegekend, dat alleen gedaan vanwege hun kwaliteit en verdiensten? Gerrit Manenschijn over Bolkesteins vrije markt.

Het liberalisme is de afgelopen tijd in NRC Handelsblad verschillende keren aan een kritische bespreking onderworpen, waarbij het zelfs het verwijt van normloosheid heeft gekregen. Frits Bolkestein is daartegen in het geweer gekomen met de stelling: “Normloosheid is het liberalisme vreemd”. Hoe terecht dit antwoord ook is, het gaat wel voorbij aan de de innige relatie tussen het liberalisme en de vrije markt.

Om dit probleem goed in het vizier te krijgen is het nuttig drie vormen van liberalisme te onderscheiden: 'politiek liberalisme', 'persoonsliberalisme' en 'economisch liberalisme'.

Het 'politieke liberalisme' vertegenwoordigt waarden die door allen worden gedeeld die in hart en nieren democraat zijn, de rechtsstaat een onvervangbaar goed achten en de scheiding van kerk en staat voorstaan. Het leert dat de staat onpartijdig is ten opzichte van godsdienst en levensbeschouwing, wijst overheidspaternalisme en zedenmeesterij van de hand en is principieel voorstander van de democratie. Aan dit politieke liberalisme ligt een bepaalde liberale mensvisie ten grondslag. Geen typisch christelijke, humanistische of atheïstische mensvisie, maar een opzettelijk beperkt gehouden politieke mensvisie, over de mens als 'politiek dier'. Het kijkt slechts naar mensen voor zover ze burgers zijn en als zodanig functioneren in de instituten van politiek, recht en economie. Er wordt niet ontkend dat er fundamentelere mensvisies bestaan die pogen de hoogten en diepten van het menselijk bestaan te omvatten, maar het politieke liberalisme kiest voor iets oppervlakkigers, dat ruimte schept voor een veelheid aan rijkere mensvisies. De atheïst krijgt evenveel ruimte als de gelovige, de christen evenveel als de humanist, de moslim evenveel als de New Ager.

'Persoonsliberalisme' gaat er van uit dat allen vrij en gelijk zijn. Deze liberale mensvisie heeft meer betrekking op de rol van burgers in de democratie dan op de existentie van personen in de totaliteit van het bestaan. Mede daarom beperkt het persoonsliberalisme zich tot de publieke moraal van een samenleving, dat wil zeggen tot de moraal die minimaal noodzakelijk is om een vreedzaam samenleven tussen mensen met totaal verschillende levensovertuigingen mogelijk te maken. Over de inhoud van die publieke moraal hoeft geen compromis te bestaan, wel over de randvoorwaarden waarbinnen die moraal gestalte krijgt. Die randvoorwaarden zijn: de mondigheid van de burger tegenover de staat en onderlinge tolerantie voor opvattingen waarmee men het volstrekt oneens is. Deze tolerantie is geen levensbeschouwelijke onverschilligheid, maar een diep doorleefd respect voor de ander, ongeacht zijn overtuiging.

'Economisch liberalisme', ten slotte, is de ideologie van de vrije markt, tegenwoordig vooral van de markt die bevrijd moet worden van overheidsbemoeienis. De erbij behorende kreet is: “Laat de markt zijn werk doen”. Dat is nog geen vulgair economisme, zoals Bolkestein terecht zegt, maar wel een geloof in de zegenrijke uitkomsten van de marktwerking.

Het zal duidelijk zijn dat het in de vraag naar de moraal van het liberalisme gaat om de publieke moraal en niet over de vraag of het liberalisme-in-het-algemeen normloos is. Natuurlijk is het dat niet. De discussie gaat over de uitgesproken voorkeur van het liberalisme voor de vrije markt, over het economisch liberalisme. Als het 'persoonsliberalisme' de vrijheid en gelijkheid van alle mensen beoogt, rijst de vraag of het 'economisch liberalisme' daarmee niet op gespannen voet staat.

Ik ben van mening dat Bolkestein die kwestie bagatelliseert, zoniet negeert. De voorkeur voor het economisch liberalisme kan makkelijk leiden tot een verdringing van sociale waarden door marktwaarden. Bolkestein typeert de markt als een ontmoetingsplaats, in plaats van een strijdtoneel. Een misvatting, lijkt mij. De markt is een strijdtoneel waarop de oorlog om normen en waarden met politieke en economische middelen wordt uitgevochten. Bolkestein geeft dat ook zelf enigszins toe als hij zegt: “Dat neemt niet weg dat er op de markt wordt afgerekend op basis van kwaliteit en verdienste.” Maar hij vergeet daarbij wel de machtsfactor. Hebben al diegenen die in de privatiseringsgolf van de laatste jaren elkaar forse salarissen en afkoopsommen hebben toegekend, dat gedaan op basis van 'kwaliteit en verdienste'? Nee toch zeker. Ze deden dat op grond van hun machtspositie.

Zo gaat dat op de markt. In een vrijemarktcompetitie streeft elke marktpartij naar meer macht. Het liefst wil men een monopoliepositie verwerven om het in de prijsvorming alleen voor het zeggen te hebben. Bolkestein moet er Adam Smith nog maar eens op nalezen, want die zag in monopolievorming het grootste gevaar voor het goed functioneren van de markt.

Het probleem is dus niet de marktwerking, maar een goede marktwerking. 'Goed' zowel in economische als sociale en morele zin. Een goede economische marktwerking is louter functioneel en kan volstaan met een laag moreel profiel bij de marktpartijen. Om dat duidelijk te maken moet ik enkele reuzenstappen door de geschiedenis van het liberalisme zetten. Thomas Hobbes (1588-1679) achtte welbegrepen eigenbelang voldoende om een vreedzame samenleving te hebben; Adam Smith (1723-1790) voegde er moreel gevoel ('moral sentiment') aan toe, terwijl een hedendaagse liberale denker met een sterk sociale inslag, John Rawls, van drie noodzakelijke karaktereigenschappen uitgaat: welbegrepen eigenbelang, gevoel voor goedheid en een besef van rechtvaardigheid.

Alle drie deze auteurs - en dat is iets wat Frits Bolkestein over het hoofd ziet, en met hem vrijwel alle Nederlandse neoliberalen, of ze zich nu in de VVD, D66, de PvdA of het CDA ophouden - gaan ervan uit dat op de markt alleen het eigenbelang werkt. Maar ook dat, als de markt het alleen van het eigenbelang moet hebben, deze altijd in het nadeel van de zwakste partij en in het voordeel van de sterkste werkt. Daarom moet de markt sociaal worden gereguleerd door krachten die niet tot de markt zelf behoren. Precies om die reden postuleert Thomas Hobbes een almachtige staat, en Adam Smith morele zelfbeheersing van de marktpartijen, een kader van publieke rechtvaardigheid waarbinnen de markt tot ieders voordeel functioneert, terwijl John Rawls basisinstituties van democratische participatie noodzakelijk acht om alle rechtsgenoten gelijkelijk toegang tot de markt te verzekeren. Alle drie gaan uit van de stelling: “The market is a useful servant, but a bad master.”

Eigenbelang is niet immoreel maar amoreel. Welbegrepen eigenbelang houdt wel degelijk rekening met het belang van anderen, maar steeds vanuit het perspectief van het eigenbelang. Op de markt is de morele zelfbeheersing secundair, het eigenbelang primair. Dat wordt bedoeld met marktwerking, waartoe een laag moreel profiel van de marktpartijen voldoende is. De sociaal en moreel goede werking van de markt moet door druk van buitenaf worden gerealiseerd, bij voorbeeld uit normatieve instituties als gezinnen, kerken en samenlevingsverbanden die de morele competentie van individuele burgers voeden en versterken. Het economisch liberalisme leeft van normen en waarden die het zelf niet kan leveren. Een sociale regulering van markteconomie is bitter noodzakelijk.

Het tekortschieten van Bolkesteins verhaal is nu duidelijk. Europa wordt geteisterd door sociale onrust. In Duitsland stijgen de inkomens van kapitaalverschaffers en aandeelhouders met vele procenten per jaar, tegelijk neemt het aantal werklozen schrikbarend toe. Door Franse ondernemers wordt met één pennestreek besloten de vestiging van Renault in Vilvoorde te sluiten, de arbeiders achterlatend in een uitzichtloze situatie, en in Frankrijk zelf is het niet beter. En ook in Italië en Spanje heerst sociale onrust, terwijl in Engeland het economisch liberalisme van de conservatieven het land naar een sociaal faillissement heeft gevoerd, waar Labour straks weer iets goeds van moet zien te maken.

In Nederland heeft loonmatiging tot een redelijk behoud van werkgelegenheid geleid, maar tegelijk tot een exorbitante verrijking van lieden die hun kans schoon hebben gezien. Toch stellen de neoliberalen nu voor het mimumumloon te verlagen, opdat mensen tegen een loon dat beneden het sociale minimum ligt, gedwongen kunnen worden het vuile werk op te knappen dat in een welvaartssamenleving zo overvloedig aanwezig is. Teneinde niet tot blijvende armoede te vervallen moeten ze de vernederende gang naar de sociale dienst maken om het schamele loon aangevuld te krijgen tot het sociale minimum, dat ook al geen vetpot is.

Ik vind het nogal cynisch om dat af te doen met de zinsnede: “Liberalen vinden dat de individuele mens geprikkeld moet worden het beste uit zichzelf te halen.” Er is veel meer nodig. Niet slechts het beste uit zichzelf halen, maar 'het slechtste in zichzelf' - het azen op geld - er onder houden.

Niet voor niets zei de apostel Paulus dat geldzucht de wortel van alle kwaad is. Na de oorlog is dat in een populair liedje vertolkt: Money is the root of all evil.

Werd dit maar weer populair. Werd sociale gerechtigheid maar weer de eerste deugd in een samenleving. Daarvoor is meer nodig dan het lage morele profiel van het economisch liberalisme. Het hoge sociale profiel is daarvoor nodig dat eens de basis was voor de opbouw van de verzorgingsstaat.