De logica van de Maastrichter staar

Aan grote politieke gebeurtenissen hangen soms harde cijfers. 48 kruisraketten op Soesterberg, de 38ste breedtegraad in Korea. Of het besluit om een maximaal begrotingstekort van 3 procent in het Verdrag van Maastricht neer te zetten als voorwaarde voor toetreding tot de Economische en Monetaire Unie.

Over die drie procent maakt integratieminnend Europa zich dezer dagen grote zorgen, want het nog onduidelijk of belangrijke EU-lidstaten als Duitsland en Frankrijk hun begrotingstekorten dit jaar afdoende kunnen terugdringen om de drie procent te halen.

Nu zit er in het Verdrag van Maastricht wel de nodige rek, maar de politieke realiteit is anders. De Maastrichter staar heeft in Nederland en Duitsland al toegeslagen. “Drie procent is drie procent”, houdt VVD-leider Bolkestein premier Kok voor als het gaat om de beoordeling welke landen er volgend jaar worden toegelaten tot de muntunie. “Drie procent is drie procent”, zegt de Duitse minister van Financiën Waigel tegen het Duitse electoraat, dat argwanend is over de monetaire disclipline van de mede-Europeanen.

Het harde cijfer drie is, anders dan de geest die 'Maastricht' ademt, een eigen leven gaan leiden. Als er in het Verdrag 4 procent had gestaan in plaats van 3 procent, dan waren de huidige speculaties over de start van de muntunie al lang verstomd, en ging het project gewoon door. Als er 2 procent had gestaan, dan was de muntunie wegens onhaalbaarheid nu misschien allang uitgesteld.

Samen met een staatsschuld van maximaal 60 procent van het bruto binnenlands produkt, de andere majeure eis in 'Maastricht', is die 3 procent tekort niet willekeurig. Beide zijn onderdeel van een simpele rekensom. Bij een nominale economische groei van 5 procent (zeg 3 procent reële groei en 2 procent inflatie) blijft de staatsschuld van 60 procent bij een begrotingstekort van 3 procent precies stabiel: een bruto binnenlands produkt van 100 is na een jaar toegenomen tot 105. Het begrotingstekort van 3 procent wordt toegevoegd aan de staatsschuld van 60, die dus toeneemt tot 63. En 63 is weer 60 procent van 105.

Onder de wiskunde van Maastricht blijft een staatsschuld van 60 procent dus stabiel bij een nominale economische groei van vijf procent en drie procent begrotingstekort. Is de schuld hoger dan 60 procent dan zal hij vanzelf dalen richting 60 procent. Hoe hoger de schuld was, des te sneller en dus 'bevredigender' dat aanvankelijk gebeurt, zoals het Verdrag van Maastricht dan ook vermeldt voor landen die nog een te hoge staatsschuld hebben.

Stel nu dat de opstellers van de 'Maastricht-criteria' van mening waren geweest dat een tekort van 3,5 procent ook al heel behoorlijk was geweest. Dan had de staatsschuld 70 procent mogen bedragen, want bij een nominale economische groei van 5 procent blijft bij 3,5 procent tekort een staatsschuld van 70 procent stabiel. Stel dat 4 procent tekort ook best mooi was gevonden. Dan had daar een staatsschuld van 80 procent bij gemogen.

Het is maar goed dat het Verdrag van Maastricht toch juist aan de lage kant zit bij de definitie van het maximale tekort. De centrale vooronderstelling van 5 procent nominale economische groei ontleenden de bankiers en politici die aan de wieg stonden van 'Maastricht' namelijk aan de economische ervaringen van de tijd waarin zij toen leefden.

Nu zou dat anders zijn. Lage inflatie en trage reële economische groei maken in de jaren negentig een nominale groei van 4 procent per jaar een beter ijkpunt. Daar horen andere tekort- en schuldcriteria bij. Zeker als de Europese Centrale Bank straks ernst maakt met zijn streven naar prijsstabiliteit in het muntunie-gebied. 'Prijsstabiliteit' staat in het ongeschreven vademecum van centrale bankiers voor een inflatie van tussen nul en 2 procent. Van de volwassen economieën in Europa wordt verwacht dat zij gemiddeld met 2,5 procent kunnen groeien zonder inflatie aan te wakkeren. Nominaal komt de economische groei die het muntuniegebied straks te wachten staat op rond 1,5 procent inflatie plus 2,5 procent volumegroei. Dat is nominaal vier procent economische groei, in plaats van de vijf procent uit de jaren tachtig die de grondslag waren voor de Maastricht-criteria.

Hoe zouden die criteria er uit hebben gezien als het Verdrag van Maastricht nu was geschreven? Dat ligt er aan waar je begint. Als drie procent begrotingstekort het uitgangspunt is, dan hoort daar een staatsschuld bij die stabiliseert op niet 60 procent maar 75 procent. Wordt juist de eis van een staatsschuld van 60 procent als ijkpunt genomen, dan zou het begrotingstekort niet meer mogen bedragen dan 2,4 procent. Maastricht zou vandaag de dag moeilijker haalbaar zijn geweest. Om een begrotingstekort van 2,4 procent te halen zou Frankrijk dit jaar niet alleen de pensioenkas van France Telecom in de schatkist moeten legen, maar ook die van Crédit Lyonnais en Thomson.

Terug naar de realiteit. In het stabiliteitspact dat inmiddels door de EU-landen is overeengekomen, verplichten zij zich begrotingstekorten te voeren op 'near balance'. Over een conjunctuurcyclus zal dat in het beste geval uitkomen op gemiddeld 1 procent. Wat doet dat, bij 4 procent nominale groei, voor de staatsschuld? Die stabiliseert na verloop van tijd op 25 procent, hoewel het voor landen als België (nu ruim 130 procent staatsschuld) nog tot ver in de volgende eeuw kan duren voor dat percentage in zicht komt. 25 procent is al wat meer in de buurt van wat vóór de jaren zeventig gangbaar was. In de meeste Europese landen komt de daling van de staatsschuld zo misschien nog net op tijd om beter voorbereid te zijn op de zware tijden, wanneer de bulkgeneratie hoogbejaarde babyboomers met het volle gewicht op de rijksbegroting drukt.