De Bao-meester van Zanzibar

Abdulrahim Muhiddin Foum, 26 jaar oud, is in het dagelijks leven metselaar te Zanzibar. Tegelijk is hij meester in het Bao, een bordspel dat op het Oostafrikaanse eiland voor de kust van Tanzania populairder is dan voetbal. Deze maand verblijft Abdu in Nederland, om Bao-demonstraties te geven - waaronder simultaan blind-Bao, een wereldprimeur - en om deel te nemen aan het interdisciplinaire colloquium 'Board games in Academia'.

“Ik was zes toen ik het spel voor het eerst zag”, zegt Abdu in het Atrium van het Arsenaal in Leiden. “Ik moest mijn vader roepen en die speelde Bao op een club. Ik raakte geïntrigeerd, maar mijn vader wilde het me onder geen beding leren, mijn schoolprestaties zouden er onder lijden. Ik heb toen het spel bij andere clubs opgepikt door goed op te letten. In 1989 was ik meester. Maar tegen mijn vader heb ik nog altijd niet gespeeld.”

Bao gaat tussen twee spelers, die aanliggen aan weerszijden van een houten bord met vier rijen van acht holtes. Gespeeld wordt met 64 zaadbolletjes van de kete, een onooglijke struik die aan het strand van Zanzibar groeit. Ze hebben het formaat van knikkers, zijn licht en je kunt erop staan. Iedere speler bezit twee rijen en begint met 10 zaden. Doel is de zaden van de tegenstander te veroveren. Per zet worden er zaden over de velden verspreid, waarbij en passant (verplicht) wordt geslagen.

Het ingewikkelde van Bao is dat de rondgang langs de zestien kuilen, waarbij steeds zaden worden verlegd, bij sommige beurten eindeloos duurt. De uitkomst van zo'n monsterzet doorrekenen (en afwegen tegen alternatieven) vereist meester-denkkracht of duru, Swahilisch voor 'ronde'. Bao-meesters doen in hun hoofd zetten van zes rondjes, daarna wordt het ook hen te gortig. Duru is de basis van khatima: inzicht in complexe zetten. Een goede speler heeft ook fani, wat betekent dat hij taktische zetten beheerst, bijvoorbeeld als onderdeel van een openingsrepertoire.

Over Bao is nauwelijks gepubliceerd, in het Swahili al helemaal niet. De oorsprong van het spel is onbekend. Ooit circuleerde in Zanzibar een Engelstalig pamflet, maar meer dan de spelregels bevatte het niet. Sinds kort kan de westerling Bao uit een boek leren, en wel uit het proefschrift van Alex de Voogt. In 1990 volgde hij als student Afrikaanse Taalkunde op Zanzibar een cursus Swahili en kwam op de Kidongo Chekundo Bao Club in Ja'ngombe met het spel in aanraking. De Voogt raakte in de ban, deed in 1992 vooronderzoek en organiseerde, om aan onderzoeksgegevens te komen, twee jaar later op het eiland een meestertoernooi.

Abdu was De Voogts voornaamste informant. Hij bracht hem in contact met het dozijn Bao-meesters dat Zanzibar rijk is en met de clubs waar ze speelden. De Voogt onderzocht de historische en geografisch wortels van Bao, beschreef de spelregels, verzamelde wedstrijdmateriaal en deed experimenten om de grenzen van het duru-kunnen van Bao-spelers vast te stellen. Succes in Bao, zo bleek, hangt nauwelijks samen met scholing, maatschappelijke en sociale positie of intelligentie. Net als schakers ontdekken Bao-meesters het spel rond hun tiende en rond hun twintigste zijn ze meester. Het verschil met schaken is dat de keuzemogelijkheden veel beperkter zijn. Tegen een computer zou geen Bao-meester op kunnen.

In 1994 heeft Abdu zich blind-Bao geleerd. Waar een gewone speler naar de club moet - privé-borden zijn te kostbaar - kan de blindspeler overal oefenen. In Nederland speelt Abdu blind tegen twee tegenstanders tegelijk. Die noemen het veld waar ze hun zet beginnen, waarop Abdu uitrekent wat dat oplevert en reageert. In het Leidse Arsenaal kijkt hij, de rug naar de borden, geconcentreerd voor zich uit. In nog geen paar minuten volgt de tegenzet, langer nadenken zou hem het spoor bijster doen raken. Een partij duurt gemiddeld een half uur. De Voogt, Abdu's gastheer, heeft een duru van vier ronden en biedt goed tegenstand. “In Zanzibar speel ik weinig blind”, zegt Abdu, “de tegenstander kan te gemakkelijk vals spelen door achter mijn rug zaden te verplaatsen.”

Abdu koestert zijn overwinningen. “De mooiste was die op Nasoro, een oudere meester van de Boraimani club. Toen ik 18 was wilde ik tegen hem spelen maar hij weigerde omdat mijn spel niets voor zou stellen. Ik oefende verder, daagde hem opnieuw uit en won drie partijen op rij. Dat was prachtig. Sindsdien ben ik Bao-meester en vertegenwoordig mijn club op de kampioenschappen.”

Van Bao kun je in Zanzibar niet leven. Toernooiwinst levert prijzen op, maar geen geld. Toch zou Abdu, in plaats van te metselen, met het spel graag zijn boterham verdienen. “Ik zou een plekje willen hebben waar toeristen Bao kunnen leren en waar Bao-spelen, versierd met houtsnijwerk van de school die ook Arabische deuren maakt, te koop zijn. Wie weet komt het er nog eens van.”

Op 21, 22 en 23 april zijn er Bao-demonstraties in Leiden en Maastricht. Inlichtingen: Alex de Voogt, tel. 03554 30697.