Componisten

Nederland is altijd een onland geweest voor zijn eigen componisten en heeft dan ook nooit een grote naam achtergelaten in het wereldgeheugen, zoals vergelijkbare 'kleine' culturen (met Grieg, Sibelius, César Franck, Chopin, Dvorák, Smetana, Janácek, Bartók, enzovoorts).

Wel is het altijd een eldorado voor uitvoerende musici geweest, van Mengelberg en Van Otterloo tot Haitink and beyond.

Deze eerloze stand van zaken werd ook weer nauwkeurig gespiegeld in de halve pagina die het NRC HANDELSBLAD op 14 april aan de inmiddels beruchte 'zeven procentregeling' van Aad Nuis besteedde. Daarin kwamen twee orkestmanagers en een dirigent aan het woord, terwijl de componisten (Vermeulen, Van Baaren, De Leeuw) er kerkhoffelijk het zwijgen toe deden. Omdat dit soort zwijgen voor mij nog niet is weggelegd, zoek ik dan maar een plaatsje in het verdomhoekje van de ingezonden brieven, onder het christelijke motto 'u in uw klein hoekje en ik in 't mijn'. Want het gaat wel over een kwestie die in de eerste plaats de Nederlandse componisten aangaat.

Haitink, die in een internationale carrière van een halve eeuw naar eigen zeggen twee keer een Nederlands werk op de wereldpodia heeft gepresenteerd, zegt in de krant: “Mijn ervaring is dat, als er werkelijk muziek is die met kop en schouders boven alles uitsteekt, dat dan alle orkesten erop springen”, en hij noemt als voorbeeld de Turangalila-symfonie van Messiaen. Hij had ook zijn favoriet Sjostakovitsj kunnen noemen, maar er dan wel bij moeten zeggen dat ook deze daders op het kerkhof liggen.

In ieder geval trapt hij de bal weer op de componistenhelft, waar blijkbaar geen levende ziel er 'met kop en schouders bovenuit' steekt. Dat gebrek aan actueel onderscheidingsvermogen is natuurlijk zijn goed recht, maar waarom dan publiekelijk geroepen dat “dwang bij Nederlandse muziek heel gevaarlijk” is. Gevaarlijk voor wat? Voor de carrière? Vast wel.