Vooruitgang

In een oude rommelkast moeten nog een paar van de eerste schaakcomputers staan. Ik laat ze daar maar staan, want ik vermoed dat ze op den duur net zoveel waard worden als de Dinky Toys die ik een paar jaar geleden heb verkocht. Ik maak het nog mee dat ik met mijn schaakcomputers, waarvan de merknamen even exotisch zullen klinken als die van de eerste auto's, naar Christie's kan gaan om ze te laten veilen.

Aan de eerste schaakcomputers heb ik heel wat plezier beleefd. Ze waren nog erg zwak en je kon ze rustig een stuk voor geven, maar dat was nu juist de lol. Het wonder zat hem erin dat hun lichtjes aanflikkerden, dat zij het überhaupt deden. Een tijdje heb ik nog eens een computer mogen testen, die in staat was als een robot zijn eigen stukken te bewegen. Hij kon ook tegen (of met) zichzelf spelen, wat een fascinerend schouwspel van doelloos geschuif opleverde. Het leek een soort elektronisch masturberen. Dit was werkelijk iets dat alleen nog een zin had in zichzelf. Op een avond heb ik hem nog eens aan dunne touwtjes opgehangen in een donkere kamer, zodat het leek alsof het huis werd bezocht door een zwevend schaakbord.

Het gepruts van die dingen leek lang potsierlijk en toen uit Amerika het bericht kwam dat David Levy een partij van een computer had verloren, werd dat niet erg serieus genomen. Levy noemde zichzelf 'de zwakste meester uit de schaakgeschiedenis' en bovendien bezat hij aandelen in de computerbusiness, dus helemaal zuivere koffie kon het niet zijn. Profeet J.H. Donner, die zelf nog een blauwe maandag bij de IBM had gewerkt, hield ons immers voor: “De computer kan helemaal niet schaken en zal dat ook nooit kunnen, althans de eerste tweeduizend jaar niet”.

Dat ikzelf mijn eerste partij van een computer verloor, herinner ik mij nog goed. Het was twaalf jaar geleden, tijdens het eerste toernooi waar mensen tegen computers speelden. In de laatste ronde moest ik tegen een programma dat Hi-Tech heette en dat via een satelliet in verbinding stond met een computer van een Amerikaanse universiteit. Na de opening maakte ik een kleine fout, die niet ernstig leek. Geen nood, tegen een computer waren er mogelijkheden genoeg om de fout te herstellen. Maar dit keer pareerde de computer alle tegendreigingen en ik slaagde er niet eens in het eindspel te bereiken. Verbrijzeld reed ik die nacht naar huis en dat ik ondanks de aantrekkingskracht van tegemoetsnellende koplampen toch nog heelhuids thuis ben gekomen, moet een kwestie van zeldzaam geluk zijn geweest.

Kort daarna kregen we te horen dat ook Bent Larsen van een computer had verloren. Larsen was geen Levy, het werd nu ernstiger. De computerdeskundigen werden ook luidruchtiger en voor het eerst werden er weddenschappen afgesloten op het jaar waarop de computer voor het eerst de menselijke wereldkampioen zou verslaan. Ze kregen praatjes, er was iets definitiefs veranderd.

Plotseling dook ook de vergelijking op van de hardloper en de motorrijder. Dat motoren zich veel sneller kunnen verplaatsen dat mensen, betekende toch ook niet het einde van de atletiek. Op hun eigen bescheiden niveau kunnen mensen met elkaar blijven concurreren, wat is daarop tegen? Misschien niets, maar waarom zou je je nog verdiepen in een probleem waarvan de computer in een handomdraai de oplossing weet.

Dit jaar doe ik voor de twaalfde keer mee aan het mens-tegen-computer toernooi. In de eerste ronde verloor ik van M Chess Pro, in 1995 wereldkampioen bij de microcomputers. Alleen al zijn openingenboek bestaat uit 450.000 zetten. De eerste dertig zetten kwam ik desondanks goed door, maar toen in lichte tijdnood, heb ik volkomen overbodig een pion weggegeven. De rest was onzin.

We spreken hier over een microcomputer. Er is een tijd geweest dat men dacht dat alle energie uit de Hudson-rivier niet voldoende zou zijn om een schaakcomputer te laten draaien. Nu kan ik het programma, dat mij zojuist verslagen heeft, op floppy in mijn binnenzak steken. Er wordt wel gezegd dat de techniek weliswaar allerlei veranderingen teweegbrengt, maar dat de mens niet wezenlijk verandert en dat levensvragen altijd dezelfde zullen blijven. Ik geloof daar niet in.