Vergilius en andere problemen; Is het pomPOMpomPOM? Of toch POMpompom? P. Vergilius Maro: Aeneis. Boek I & II. In Nederlandse hexameters vertaald door Henk Schoonhoven. Styx Publications, 106 blz. ƒ 35,- Vergilius: Aeneis. Vertaald door Piet Schr...

Zonder Vergilius geen Europese poëzie. Dat mag zo zijn, de Aeneis vertalen blijft een probleem. Vergilius schreef namelijk in dactylische hexameters. In het Nederlands klinkt de jambe echter natuurlijker. Wat te doen bijvoorbeeld met bovenstaande passage uit boek II. De Trojaanse priester Laocoon wordt daarin, nadat hij zijn stadgenoten heeft gewaarschuwd voor het houten paard dat ineens voor de muren staat terwijl de Grieken zijn verdwenen, plotseling aangevallen en verslonden door twee slangachtige zeemonsters? Vier classici bieden ons nu de mogelijkheid tot vergelijken.

Mijn lerares Latijn hield veel van Vergilius. Ze moet begin jaren zeventig een eenling in een mannenwereld geweest zijn. Misschien hield ze daarom vooral van koningin Dido, door Vergilius impliciet gekarakteriseerd als 'krijgster die het durft als maagd met mannen te vechten'. Onder haar leiding zwolgen wij in het noodlot van de koningin die, met haar volk gestrand op de kust van Carthago, probeert er het beste van te maken, maar wanneer de vreemde,stoere prins Aeneas arriveert, bezwijkt onder een oprechte doch inopportune liefde. Aeneas moest nog verder, naar een nog niet-bestaand Rome, en verlaat haar.

Dido's liefde, haar verheven verontwaardiging over Aeneas' vertrek en haar zelfmoord zijn aangrijpend, voor wie der dagen nog niet zat is. Wie met Dido niet meevoelt, zo vonden wij, is een monster. En we stonden niet alleen. De jonge Augustinus wist het al en weende (Confessiones). Purcell - in zijn Dido & Aeneas, voor een meisjesschool geschreven - wist het en liet haar laatste woorden in het Remember me liefdevol neerzijgen. Leve Dido. En weg met de pietas en de prisca fides ('karakter en trouw') en andere deugden waarmee onze opvoeders ons terroriseerden.

Veel later raakte ik nog eens met haar in gesprek over Dido en Aeneas. Plotseling hadden we het nu over Aeneas' morele moed om 'een moeilijke beslissing' te nemen, zoals het tegenwoordig heet. Het vroeger zo gehate at pius Aeneas ('maar de plichtsgetrouwe Aeneas'), de woorden waarmee Vergilius de verteltekst weer opneemt na de woedende speech van Dido omdat zij door heeft dat haar minnaar er vandoor zal gaan, leken ineens minder gruwelijk. Hij kon het zijn zoon en zijn manschappen toch ook niet aandoen hen in een woestijn achter te laten en hun het beloofde land te onthouden? Zonder het te beseffen, begrijp je na verloop van tijd plotseling ook de positie van Aeneas in het conflict tussen de plicht en het meisje, om het eens vulgair uit te drukken. En je schrikt van jezelf.

Is Aeneas een margarineheld (Aegidius Timmerman), een gewetenloze imperialist of een verantwoordelijke leider? Is Dido's hartstocht verschraalde groc (alweer Timmerman), heroïek of hysterie? Is de hele episode alleen een vooruitwijzing naar Carthago's rol als Angstgegner van Rome, bevochten in de traumatische Punische oorlogen? Of is boek vier dit alles tegelijk?

Een zorgvuldige lezer moet zijn oordeel steeds weer herzien. Onder de bovenste laag zit altijd weer een nieuwe laag verborgen. Één en dezelfde tekst tuurt vanuit de pagina naar een veranderend lezersgezicht. Een van de verklaringen voor de tijdloosheid van deze fenomenale tekst is de subtiliteit waarmee morele dilemma's worden geformuleerd in 'meerstemmigheid', om de terminologie van de invloedrijke criticus Lyne te gebruiken. Op een ongeoefend luisteraar komt polyfonie als een brei van geluiden over, waar hij hoogstens één melodie uithaalt. Maar wie er in thuis is, hoort hoe alle stemmen al dissonerend een harmonieus geheel vormen.

Keizer Augustus

Het nationale epos van Rome, tussen 30 en 19 voor Christus geschreven door de man die al tijdens zijn leven als de grootste Romeinse dichter gold, is gemaakt in opdracht van Augustus, nadat deze als overwinnaar uit de burgeroorlogen van de eerste eeuw voor Christus te voorschijn gekomen was. De twaalf boeken van de Aeneis, over de zwerftochten van de Trojaanse prins na zijn vlucht uit het brandende Troje (de Odysseïsche boeken) en zijn vestiging op Italiaanse bodem (de Iliadische boeken), beoogden meer dan alleen een episch gedicht te zijn. Ze suggereerden, door het aanbrengen van mythologische en dynastieke verbanden tussen het verre mythische verleden en het Augusteïsche heden, dat de Romeinse geschiedenis een zin en een doel had. De mythologische Apollo steunt in de Aeneis de Trojanen door dik en dun. Wat verrijst nu in Vergilius' heden naast het huis van Augustus op de Palatijn? Juist. Een tempel van Apollo. Augusus' voorgeslacht, de gens Julia, liet zich voorstaan op Venus als stammoeder. Wie wordt als aartsvader van de Romeinen geroemd? Juist. Venus' zoon Aeneas.

Zo wekt de Aeneis de indruk dat de vrede in de sterren geschreven stond. Onder auspiciën van de Goden culmineerde de lange en moeizame weg, die de Romeinen van ongelikte beren tot wereldheersers hadden gemaakt, nu in een nieuw Gouden Tijdperk: onder leiding van de Verhevene, nazaat van de Trojaanse Aeneas. Door de suggestie van typologische verbanden tussen Aeneas en Augustus, kon de pretentie van de kersverse princeps nagenoeg alles omspannen: geografisch het hele Mediterrane gebied van Troje tot Carthago, in de tijd de vroegste niet-Romeinse geschiedenis tot het heden, en cultureel de door Romeinen zo felbegeerde integratie met Griekse religie en mythologie. En met de profetische Vergilius had Rome ook nog eens een dichter die het tegen de onverslaanbare Homerus kon opnemen.

Juist die typologische verbanden maken de Aeneis historisch zo interessant. Want door deze techniek te gebruiken in een epos dat bewust rivaliseert met Homerus, creëert Vergilius onbewust een combinatie van twee literaire en ideologische basisprincipes van onze Westerse cultuur: het 'objectieve' Homerische epos met zijn schets van een wereldbeeld en een condition humaine, en het teleologische Oude Testament met zijn heilsgeschiedenis van het Uitverkoren Volk. Vergilius schreef een Homerisch Oude Testament voor de Romeinen.

Dit alleen al maakt Vergilius 'klassiek', een ijkpunt in onze literatuurgeschiedenis. Maar er is meer. Dat de Aeneis niet slechts geslaagde propaganda in versvorm is, komt niet alleen door zijn 'polyfonie'. Naast de thema's staat de frasering. Vergilius schrijft, vers na vers, schitterende poëzie. In zijn handen wordt het Latijn definitief een dichtertaal. En die dichtertaal heeft blijvende invloed gehad op alles wat volgde. Het zou tot Divina Commedia van Dante duren voordat iemand weer met taal deed wat Vergilius vermocht. Die taal was geen Latijn maar Italiaans, maar zijn voorbeeld was Vergilius.

T.S. Eliot heeft in What is a classic (1944) beweerd dat het enige écht klassieke werk uit de Europese poëtische traditie de Aeneis is, omdat taal, vorm en denken alleen in dit werk synchroon tot een perfecte rijping zijn gekomen. Homerus mag onovertroffen zijn, Vergilius is klassiek.

Gezien de blijvende populariteit en invloed van de Aeneis is het verbazingwekkend dat er relatief weinig vertalingen van zijn gemaakt. Waarom is Homerus bij vertalers in alle landen altijd geliefder geweest? Misschien omdat de afstand van de modernen tot Homerus zó groot is, dat hij onze creativiteit ongemoeid laat. Een afstand 'at once talismanic and liberating', zoals George Steiner het in een recent essay over de geschiedenis van Engelse Homerusvertalingen noemt. Vergilius staat veel dichter bij ons en lijkt daardoor de vertaler te beklemmen en te benauwen.

De oogst van Nederlandse Vergiliusvertalingen is tot voor kort relatief mager geweest. Vondel durfde niet en prefereerde proza, hoewel veel verzen uit het tweede boek wel als alexandrijnen in zijn Gijsbrecht terechtgekomen zijn. Metrisch vertalen is in Nederland lang impopulair gebleven. Hoe nodig is een metrische versie eigenlijk, als je de subtiliteit van het origineel toch niet evenaren kunt? In de periode van de stomme film ging men onmiddellijk over tot het vervaardigen van een Hamlet. Een prachtig kijkspel, maar je mist toch wat. Vergilius in proza is als Hamlet zonder tekst.

Gelukkig regent het nu ineens metrische vertalingen van de Aeneis. Vanaf 1978 begon gestaag een versie van de Belgische dichter Anton van Wilderode te verschijnen. Die is al een tijdje voltooid. Enkele maanden geleden kwam de Aeneis van Piet Schrijvers (hoogleraar Latijn in Leiden) uit. Nog recenter is het eerste deel van een tweetalige editie die de voormalige Groningse universitair docent Henk Schoonhoven heeft verzorgd. En ten slotte is ook een vierde versie in de maak, van de classica M. d'Hane-Scheltema die ook de Metamorfosen van Ovidius op haar naam heeft staan. Zij is al halverwege. We kunnen nu dus vergelijken, en al vergelijkend genieten, boos worden, wie weet Latijn leren en daarna Grieks, want Vergilius zonder Homerus blijft een hachelijke onderneming.

Hexameters

Vergilius schrijft dactylische hexameters. Maar van deze vertalingen zijn er twee jambisch (van Wilderode en d'Hane-Scheltema): respectievelijk zes- en zeven-voetig pomPOMpomPOM enzovoort. De andere twee zijn dactylisch: POMpompomPOMpompomPOMpompom/POMpompomPOMpompomPOMpom..., waarbij pompom door pom kan worden vervangen. Deze kakofonie van pommen maakt één ding duidelijk: het gaat bij de Nederlandse metriek om de variatie tussen beklemtoonde (POM) en onbeklemtoonde (pom) lettergrepen. Bij Latijnse metriek gaat het echter niet om de klemtoon, maar om de lengte van de lettergrepen. Een Latijnse hexameter klonk dus als LANGkortkortLANGkortkortLANG....

Omdat het Nederlands geen functioneel onderscheid tussen lange en korte lettergrepen kent, zoals het Latijn, moet de dreun van de klemtonen daarvoor in de plaats komen. Maar dan rijst de vraag welk klemtoon-systeem zich beter leent voor onze taal en de minste onnatuurlijke wendingen oplevert: de dactylische (klemtoon plus twee maal niet-klemtoon) of de jambische (niet-klemtoon plus klemtoon). De meningen zijn verdeeld, zoals uit de voorbeelden blijkt.

Mijn voorkeur gaat uit naar de jambe. Die past natuurlijker bij het Nederlands, dat zich makkelijker in pomPOM dan in POMpompom laat vangen. De Latijnse hexameter in zijn Nederlandse pendant wordt, zeker op de lange duur, een huppelend vers, een walsige drie-kwartsmaat, waarin het moeilijk mooi-Nederlands-dichten is en die door zijn gehuppel nauwelijks een verheven toon kan aanslaan. Bovendien moet men kunstgrepen als opmaten, extra lettergrepen, syncopen, elisies en rekkingen ('wellek' in plaats van 'welk') toepassen. Valsspelen zou J.P. Guépin zeggen, om het Nederlands in de maat te houden.

Van Wilderode's Aeneis is mooi wegens zijn natuurlijke Nederlands: een regelmaat zonder dreun, klank, niet-pretentieuze en toch statige woordkeus en vloeiende gang. Het enige bezwaar is dat zes voeten niet volstaan om een volledige Vergiliaanse hexameter te dekken, zodat hij meer versregels nodig heeft en moet afbreken waar Vergilius doorgaat. Zo wordt het kortademig en heeft het misschien wat te weinig grandeur. Voor de kortademigheid van deze jambische verslengte lijkt d'Hane-Scheltema met haar zeven voeten nu een oplossing gevonden te hebben.

De onhandige dactyli wreken zich bij de versie van Schoonhoven. Het is al mis in vers drie: 'Ván Lavínium. Veél moest hij zwérven ...', waarbij de nadruk op ván onnatuurlijk is, terwijl de korte 'a' in Lavinium de lezer op het verkeerde been zet: die 'a' suggereert een trochee (LANGkort) en geen spondee (LANGlang) die bij de hexameter hoort. Zo wordt het lastig Schoonhovens Aeneis zonder horten voor te dragen. Ook levert de metrische dwang soms merkwaardig Nederlands op: 'tótdat hij/ stíchtte een stád'. Maar daar staat veel tegenover. Schoonhoven blijft zeer dicht bij Vergilius. Door het Latijn naast zijn versie af te drukken en een commentaar toe te voegen, benadrukt hij zijn positie naast en niet ter vervanging van het origineel. Wie Vergilius in Schoonhovens versie gaat lezen, kan uitvinden wat er staat en hoe Vergilius zijn effecten bereikt.

Classici

Maar het blijft 'classici-Nederlands'. En dat is geen Nederlands, zeggen tegenstanders van een vertaling als 'O driemaal ja viermaal gelukkig degenen/ wie het bestemd was om aan de voet van de hoge Trojaanse/ muren te sneuvelen onder hun vaders blik' (Schoonhoven). Daar zit wat in. Het probleem is dat het alternatief van Schrijvers - 'Wat zijn al mijn landgenoten gelukkig/ die aan de voet van de hoge muren, voor het oog van hun vader,/ mochten sterven' - nog afgezien van het dubieuze metrum, de lading niet genoeg dekt. Aeneas' eerste speech O ter quaterque beati is pathetisch en hoogst retorisch. Schrijvers' woorden rieken teveel naar Zeg eens Aa: vooral dat 'Wat' en dat 'gelúkkig'.

Daaruit vloeit het voornaamste bezwaar tegen de Aeneis van Schrijvers voort. Dat bezwaar is niet de metriek. Daaraan is veel aandacht besteed en ze voldoet, ondanks veel 'valsspelen', aan de eisen die je een Nederlandse hexameter kan stellen. Ook al is het geen hexameter maar een hexametrisch heffingsvers. Het is ook niet dat Schrijvers, die één van Nederlands meest vooraanstaande Latinisten is, niet kan vertalen. Hij vertaalt vaak prachtig. Het is de polemiek die aan deze vertaling ten grondslag ligt. Deze vertaling is in zekere zin een knuppel in een hoenderhok, het stoffige hok van de classici.

Het modernistisch uitgevoerde boek bevat geen inleiding, geen noten en geen regelnummers naast de tekst, alleen een uitgebreide inhoudsopgave en een namenregister. Deze schaarste aan secundaire gegevens is niet toevallig. Wel wordt bij het boek een CD geleverd, met een voordracht van boek IV door Jules Croiset. Ook het bijvoegen van die CD is niet zonder reden. Schrijvers wil met deze vertaling namelijk zijn visie op de Aeneis illustreren: Vergilius' epos als een feest van vertellen. De Aeneis, zo heeft hij elders betoogd, was primair bedoeld als 'voordrachtstekst'. Beoogd werd om, via 'theatervoorstellingen', een (nieuw) nationaal gevoel op te wekken en de sociale cohesie te versterken die door de burgeroorlogen was gehavend. Hoe het propagandistisch-culturele programma van Augustus werkte en welke rol typologische en symbolische connecties daarin speelden, is negen jaar geleden overtuigend aangetoond door de Duitse archeoloog Paul Zanker in zijn Augustus und die Macht der Bilder. In deze 'beelden-propaganda' hoorde ook een hoorbaar epos, waarin half-religieuze waarheden door een poëtische ziener, geleid door goddelijke inspiratie, verwoord moest worden.

Met Vergilius als podiumspektakel reageert Schrijvers op de scherpslijperij van exegeten die Vergilius alleen als 'intertext' zien, dat wil zeggen als zuiver literaire tekst die alleen volledig duidbaar is door de connectie met andere teksten op te sporen. Hijzelf denkt dat Vergilius live werd uitgevoerd en gehoord. Zo'n voorstelling moest consensus bij het publiek bewerkstelligen: wij Romeinen eindelijk gelukkig verenigd, zoals het ook altijd door Jupiter en Fatum was gepland. Daarbij heb je geen bibliotheek nodig. De subtiele nuances van het formele en inhoudelijke spel dat Vergilius vooral met Homerus speelt, is voor het genieten van zijn poëzie niet altijd en niet alleen van belang. Luister naar het verhaal, zegt Schrijvers, daar hoor je genoeg in.

Hoewel Schrijvers niet kan bewijzen dat Vergilius voor de Bühne is geschreven, zit er aan zijn polemiek een goede kant. Zij biedt een nuttig tegenwicht tegen een eenzijdig intertextuele benadering. Schrijvers provoceert. Hij weet ook wel hoe belangrijk juist die verbanden bij Vergilius zijn. Bij een voordracht zal het moeilijk zijn de vergelijking tussen Dido en Artemis uit boek I in verband te brengen met die tussen Aeneas en Apollo in boek IV. Maar nog ondoenlijker is het op die manier om inzicht te krijgen in de hoogst subtiele psychologische implicaties voor de betrokken karakters, die uit een confrontatie met de Homerische voorbeelden in deze passages kunnen worden aangewezen. Daarvoor moet je lezen en bladeren. Maar dat hoeft niet altíjd. Doorlezen en niet bladeren levert wel degelijk nieuwe inzichten op.

In één opzet is Schrijvers daarom geslaagd. Hij zet ertoe aan om de Aeneis achter elkaar te (her)lezen en wijst zo op de vaart die er bij een hyperfilologische benadering uit verdwijnt. Maar in een ander opzicht heeft de polemische grondtoon zijn werk minder mooi gemaakt dan het had kunnen zijn. Dit blijkt letterlijk vanaf vers één. Schrijvers vertaalt arma virumque cano als 'Mijn verhaal gaat over oorlog', omdat hij wil 'vertellen'. Maar de toon is een probleem. Als je gaat galmen, wordt het belachelijk. En als je het gewoon leest, lijkt je inderdaad verwaald op de set van een talkshow.

Herodotus

Schrijvers bevindt zich met deze populariserende opening overigens in goed gezelschap. Herodotus opent met 'Van het onderzoek van Herodotus uit Halikarnassos is dit het verslag'. Hein van Dolen vertaalt: 'Herodotus is mijn naam. Ik kom uit Halikarnassos'. Aangenaam, de naam is Herodotus. Kan ik u helpen? Het is merkwaardig dat eminente classici als Van Dolen en Schrijvers het nodig vinden op deze manier hun waar uit te stallen. Waarom doen ze dat?

Waarschijnlijk omdat in de Nederlandse traditie van de 'verheven' stijl ontbreekt. Wie in een tekst gewoon doet, doet al gek genoeg. Maar als Vergilius' stijl één ding is, dan is dat verheven en statig, zoals een heldendicht past: een bewuste evocatie van de kunsttaal van Homerus en de tragici, van de archaïserende hexameters van Lucretius zowel als de Hellenistische verfijning van die van Catullus. Daarom vind ik Schrijvers' 'Bevel is bevel', 'medische stand', 'allochtonen', 'Bedoeïenen', 'het kan me niet schelen', 'oorlogsverledens' en andere modernismen een beetje goedkoop. Ze ontsieren een vertaling die vaak erg mooi is. Langer vijlen was zeker een oplossing geweest. Vergilius zelf likte naar eigen zeggen ook moeizaam zijn verzen, als een berin haar welpen.

Hoe komt toch dat gebrek aan een verheven stijlregister in het Nederlands? Wellicht vloeit het voort uit verraad van de classicisten, die geen Nederlands pendant van de klassieken hebben weten te creëren, zoals bijvoorbeeld Racine in Frankrijk, Milton in Engeland en Goethe in Duitsland wel hebben gedaan? In ieder geval hebben classicisten en classici weinig publiek crediet in ons land. De classicus in Andreas Burniers recente roman De wereld is van glas, David Reiser, is wat dat betreft een instructief voorbeeld. Een ontevreden zeurpiet, kil, logisch en redelijk die alles beter weet, maar niets van seks terecht brengt. Dat moet wel een classicus wezen.

Nu dankzij Schrijvers, Van Dolen en vele anderen de grote klassieke auteurs springlevend blijken, gloort er in ieder geval hoop dat men in Nederland het verschil tussen stoffige en minder stoffige klassieken en classici leert zien.

ille simul manibus tendit divellere nodos perfusus sanie vittas atroque veneno clamores simul horrendos ad sidera tollit: qualis mugitus, fugit cum saucius aram taurus et incertam excussit cervice securim.

Vergilius

Hij poogt de slangenkluwen los te rukken terwijl zijn haarband vuil wordt van hun zwadder en zwart venijn. Een oorverdovend schreien stijgt naar de sterren op, gelijk het loeien van een gewonde stier die van 't altaar vlucht en uit zijn nek de slechtgerichte bijl schudt.

Van Wilderode

Hij probeert intussen zich uit hun knoop te bevrijden - zijn priesterband is doordrenkt van het bloed en de donkere gifstroom - terwijl hij een luid en huiveringwekkend geschreeuw laat horen als het geloei van een stier die gewond van het altaar wegrent wanneer hij de slechtgemikte bijl uit nek heeft geslingerd.

Schrijvers

Hij probeert met de kracht van zijn handen de lussen te scheuren - slijm en donker venijn overstromen zijn hoofdband; zijn kreten rijzen ten hemel en doen ons het bloed in de aderen stollen. 't was als het loeien van een stier die, gewond bij het altaar, wegrent terwijl hij de niet-trefzekere bijl van zijn nek schudt.

Schoonhoven

... Hij tracht de knopen los te wringen met zijn handen - de priesterbanden reeds doorweekt van bloed en donker gif - en stoot tezelfdertijd een ijselijk geschreeuw de lucht in, zoals een stier kan brullen na een slechtgerichte nekslag, als hij de bijl heeft afgeschudt en van het altaar vlucht.

d'Hane-Scheltema