Van kleine en grote krabbelaars

Harm van den Berg: De ritselaars. Beknopte Nederlandse schandaalwijzer. Met een nawoord van Koen Koch. De Bezige Bij, 173 blz. ƒ 27,50

Hoe de pers haar braafheid en het land zijn onschuld verloor. In De Ritselaars, een concies overzicht van 25 jaar Nederlandse schandalen, trekt als op een schilderij van Bruegel een lamentabele optocht voorbij van betrapte bedriegers, zakkenvullers, ladenlichters, patjepeeërs, gauwdieven, schobbejakken en Piet van Zeil. Voor de laatste, oud-staatssecretaris van economische zaken, bedacht oud-premier Lubbers de afzonderlijke categorie der 'kleine krabbelaars'.

Zelf figureert Lubbers, samen met prins Bernhard in diens rol van protagonist in het Lockheed-schandaal, onbetwistbaar aan het hoofd van de stoet. Hij bracht drie affaires op zijn naam: de profijtelijke manipulaties van de firma R3 (zes ton aan inkomsten belastingvrij), de kwestie Koeweit/Hollandia Kloos (minister-president gebruikt zijn functie ten bate van het familiebedrijf) en de 'technolease-constructie' tussen Fokker, Philips en de Rabobank, waar de bank een fiscaal voordeel van 1,8 miljard aan overhield.

De journalist Harm van den Berg heeft een kleine dertig resumés van zulke grote en kleinere schandalen bijeengebracht, beginnend in de jaren zeventig met het door Vrij Nederland-verslaggever Rudie van Meurs ontmaskerde Nollen-syndicaat, een KVP-beerput in de Brabantse gezondheidszorg, en eindigend met het plagiaat van psychologie-professor Diekstra. In détail blijkt hoe het met de publieke moraal van hoog tot laag gesteld is: niet al te best. De buit varieert, van vele miljarden (de RSV-affaire) tot een paar honderd gulden (corrupte vuilnismannen).

Voorheen was de verzuiling, met haar vermenging van private en publieke belangen, een voorname bron van misbruik van posities. Tegenwoordig zijn de privatisering van overheidsbedrijven en het marktdenken in het politieke domein corrumperende factoren. Voorbeelden: de zelfverrijking door de directeur van de geprivatiseerde Staatsloterij, de commissariaten van Brinkman en Bolkestein, bijklussende professoren. Geldwolverij was kennelijk bij de samenstelling van deze bundel het voornaamste selectiecriterium. 'Srebrenica' ontbreekt dus, evenals de stelselmatig in Trouw onthulde schandalen rond het terugzenden van asielzoekers.

Wat de bundel wel biedt, is een recht-toe-recht-aan geschreven, helder en bij wijle amusant overzicht van het Nederlandse patserdom, zonder gespeelde opwinding of goedkoop vertoon van morele verontwaardiging. De verbazing slaat des te harder toe. Van den Berg beperkt zich er niet toe half of heel verbleekte schandalen uit het vergeetboek te halen, hij vertelt ook hoe ze afliepen. Doorgaans met een sisser.

'Het meest opmerkelijke, en toch ook wel het meest schokkende (...) is dat wanneer onderzoeken al voltooid worden, de straffen voor de boosdoeners, als er al echt gestraft wordt, zo opvallend laag zijn', schrijft politicoloog Koen Koch in een uitvoerig nawoord. De leden van de politiek-ambtelijke klasse zijn betrekkelijk onkwetsbaar, betoogt hij, want uit de straffeloosheid volgt dat de overtreding eigenlijk niet heeft plaatsgevonden. 'De illusie van een onkreukbaar openbaar bestuur wordt op die manier in stand gehouden.' Zie de IRT-affaire'.

Wat is een schandaal? Bevordering van particuliere belangen op kosten van de gemeenschap en ten koste van publieke belangen, raakt volgens Koch 'de kern van wat een schandaal, misbruik van publieke macht en gebrek aan publieke moraal genoemd kan worden'. In deze definitie ontbreekt echter een wezenlijk element. De omstandigheid die een misstand tot schandaal maakt, is de openbaarmaking. Niet de boef, maar de ontmaskering van de boef constitueert het schandaal. Niet de verzuilde of neo-corporatistische structuren in de samenleving, maar de onthulling, het aanvatten van concrete gevallen, het 'zien van dichtbij', kortom: de journalistieke plichtsvervulling, maakt het mogelijk om, zoals Van den Berg in zijn inleiding doet, te spreken van 'Nederland schandalenland'.

In 1975 schreef de socioloog A.N.J. den Hollander (Het Demasqué in de samenleving): 'Er zou in Nederland genoeg aan te wijzen zijn dat een bloeiend en zinnig muckraking mogelijk zou maken, dat er eigenlijk om roept, maar dit vindt over die zaken niet plaats en het zal er ook wel niet van komen. Iedereen kent iedereen, wij willen het prettig houden en zwijgen maar over veel.' Bijna een kwart eeuw later denkt Koch er nog precies zo over: 'Over het algemeen valt bij de meeste kranten een toenemend gouvernementele en afnemend kritische houding op. In de politieke en parlementaire journalistiek ontwikkelt zich een belangengemeenschap van het journaille en de politiek.'

Als dit waar is, zou het meteen het grootste schandaal van allemaal betekenen: dan zou de democratie voorgoed weerloos staan tegenover machtsmisbruik, wanbeleid en bevoordeling. 'In de alcoholische camaraderie van Nieuwspoort of van de lokale dorpspomp horen en weten journalisten veel, maar ze schrijven weinig', weet Koch. 'En als een ondernemende journalist iets op het spoor is, is een telefoontje van hogerhand naar de hoofdredacteur voldoende om het onderzoek te stoppen.'

Zulke ernstige beschuldigingen aan het slot van een overzicht van vaderlandse schandalen verdienen het te worden gestaafd met bewijzen. Nu blijft het bij een generaliserende verdachtmaking en dat ontsiert een boek dat het juist moet hebben van de (elders) streng gedocumenteerde, dubbel gecheckte feiten.

Het gevaar van een symbiose tussen politiek en journalistiek moet serieus worden genomen. Journalisten doen ál te snel aagebrand als hun eigen metier onder kritiek komt. Maar toch lijkt de stelling van Koch juist door dit boek zelf te worden weerlegd. Het meeste van wat erin staat, zouden wij nooit te weten zijn gekomen als zich niet sinds de jaren zeventig in het spoor van de ontzuiling een emancipatie van de pers had voltrokken.

In 1972 verscheen de befaamd geworden bundel Tegels lichten van H.J.A. Hofland die behalve als een cultuurschets van het na-oorlogse, verzuilde Nederland valt te lezen als een aanklacht tegen het gebrek aan burgermoed en de slaafsheid van de pers. Het was ook Hofland die Van den Berg het idee voor de 'schandaalwijzer' deed, omdat 'het publiek kort van memorie en goed van vertrouwen is'. Sinds 1972 - ook het jaar van Watergate - zijn er nogal wat beerputten en doofpotten geopend.

Deze ontwikkeling wordt gemarkeerd door het eerherstel van de parlementaire enquête. Gedurende bijna een eeuw, tussen 1887 en 1982, besloot de Tweede Kamer welgeteld één keer tot het houden van een enquête (naar het regeringsbeleid gedurende de oorlogsjaren). Daarna zijn er al vijf geweest, op een enkele uitzondering na telkens als direct uitvloeisel van onthullingen in de pers. En al weet vanzelfsprekend niemand wat er allemaal onder de oppervlakte blijft, de rituele klacht dat in Nederland niet aan onderzoeksjournalistiek wordt gedaan, lijkt niet langer gerechtvaardigd.

Daarom is het jammer dat Van den Berg weinig genereus is in zijn bronvermeldingen. Hij volstaat veelal met verwijzingen als 'artikelen in Vrij Nederland' of 'diverse artikelen in NRC Handelsblad'. Wat meer aandacht voor de speurzin en het uithoudingsvermogen van de journalisten die de feiten aan het licht brachten - daar hoort hij zelf ook bij - zou op zijn plaats zijn geweest.Het nut van een bundel als deze kan namelijk juist zijn dat er een impuls van uit gaat, in de eerste plaats voor de journalistiek, om niet te berusten in onvermijdelijk wangedrag van hooggeplaatsten. Zij moeten meedogenloos en onvermoeibaar tot het afleggen vanpublieke verantwoording worden gedwongen.

Preventieve werking zal dat wel niet hebben. Afgelopen week viel in de krant te lezen dat de gemeente Ede volgens een wethouder wordt bestuurd door de mafia, het gemeentelijk vervoerbedrijf in Amsterdam 100 miljoen gulden kwijt is geraakt en tegen de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees een strafrechtelijk onderzoek wordt ingesteld. Dat was de oogst van één dag.