Twee gereconstrueerde levens; Biografische romans van Anne Cuneo

Anne Cuneo: De loop van een rivier (Le trajet d'une rivière). Vert. Maria Noordman. De Geus, 576 blz. ƒ 59,90 (geb.)

Anne Cuneo: Objets de splendeur. Denoël. 364 blz. ƒ 51,25

'Goed lezen is: mee-verbeelden', schrijft Hella Haasse in haar essay Dubbelportret uit de vorig jaar verschenen bundel Uitgesproken, opgeschreven. In deze beschouwing over het schrijven van een literaire biografie, concludeert zij: 'Uit het voorafgaande moge blijken (..) hoe rakelings degene die biografisch materiaal hanteert, scheert langs gebieden die men slechts als romanschrijver mag betreden.' Zelf kiest Hella Haasse voor de positie van romancier. In Biografie Bulletin van twee jaar geleden schreef zij: 'Historische stof benader ik vanuit die instelling. Ik vind dat ik niets verzinnen mag waarvoor nergens enig aanknopingspunt te vinden is en dat ik, als ik geen zekerheid over iets bezit, dat uiterst zorgvuldig al deducerend en combinerend moet proberen af te leiden uit de beschikbare gegevens.'

Het zouden de woorden kunnen zijn van de Zwitserse schrijfster Anne Cuneo (1936), wier roman De loop van een rivier (Het leven en de soms geheime avonturen van Francis Tregian, edelman en musicus) onlangs in Nederlandse vertaling verscheen. Tegelijkertijd publiceerde zij in Frankrijk Objets de splendeur (Mr. Shakespeare amoureux).

Zoals Haasse beschrijft hoe zij, na haar ontdekking van het Bentinck-archief in Arnhem, 'volslagen bezeten van nieuwsgierigheid' raakte naar de persoonlijkheid van Rijksgravin von Aldenburg, zo vertelt Cuneo in het nawoord bij De loop van een rivier, hoe zij, na het bijwonen van een concert met uitvoeringen uit het zeventiende-eeuwse Fitzwilliam Virginal Book, nog slechts één vraag beantwoord wilde zien: 'Wie was die geniale verzamelaar die zo veel mooie muziek had gebundeld?'

Het Fitzwilliam Virginal Book is een voor de Europese muziekgeschiedenis belangrijke verzameling klaviermuziek, gecomponeerd tussen ongeveer 1550 en 1620, door voornamelijk Engelse, Italiaanse en Nederlandse componisten. Cuneo ontcijferde de muziekstukken uit het oorspronkelijke manuscript, beluisterde alle beschikbare opnamen en deed historisch onderzoek naar de familie Tregian, een katholiek adellijk geslacht uit Cornwall, en naar de politieke en religieuze conflicten tijdens de regeringsperiode van de Engelse koningin Elisabeth I (1558-1603). Cuneo schreef haar roman gesterkt door de tijdens haar speurtocht verzamelde feiten, maar zonder harde bewijsstukken voor haar vooronderstelling dat de verzameling muziekstukken werd aangelegd door de Engelse aristocraat Francis Tregian junior (ca.1574-ca.1618). 'Ik heb hem zorgvuldig in een gereconstrueerd kader geplaatst' schrijft ze, 'volgens de persoonlijke chronologie (voorzover bekend) van Francis Tregian, en overeenkomstig de Engelse en Europese geschiedenis. Het is niet altijd zeker of hij bepaalde gebeurtenissen heeft beleefd, maar de vertelde gebeurtenissen hebben werkelijk plaatsgehad.'

Op deze manier schetst Cuneo een indrukwekkend panorama van Europa in de tweede helft van de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw, beheerst door dynastieke strijd en godsdienstoorlogen. Het katholieke Spanje en de paus wilden een einde maken aan het protestantse regime van Elisabeth van Engeland. Frankrijk werd verscheurd door religieuze burgeroorlogen. De Noordelijke Nederlanden bestreden het Spaanse leger dat Filips II, onder leiding van de hertog van Alva, had gestuurd om hen op de knieën te krijgen. De lotgevallen van Cuneo's hoofdpersoon spelen zich af in een aristocratisch Londen, in een theologisch college in Reims, aan het hof van Hendrik III in Parijs, onder lakenhandelaren in Antwerpen, tijdens de pest in Amsterdam en voeren de lezer naar Monteverdi in Mantua en naar intriges van de geestelijkheid in Rome. Zo krijgen de historische gebeurtenissen alledaagse, menselijke proporties.

Francis Tregian gaat voor ons leven als een intelligent, aimabel en muzikaal virtuoos, slachtoffer van de onverdraagzaamheid van zijn tijd. Strevend naar harmonie stelde hij, met de Essais van Montaigne in de hand, de voortdurende verandering van de godsdienstige wetten en de daaropvolgende conflicten aan de kaak. In tegenstelling tot zijn vader, hield Francis Tregian junior niet halsstarrig vast aan de privileges van zijn adellijke klasse. Hij voerde handel als een burgerman en maakte van zijn passie voor de muziek een levensvervulling. In godsdienstig opzicht was hij beslist geen fanaticus.

In het levensverhaal van Francis Tregian zijn thema's van de achttiende-eeuwse literatuur, zoals Hella Haasse die in het al eerder genoemde artikel schetste, al in de kiem aanwezig. Daartoe rekende zij de de emancipatie van de jonge mens 'uit het knellende keurs van ouder-kind relaties en in het kielzog daarvan emancipatie van de “maatschappijmens” uit een evenzeer knellend patroon van rangen en standen'. Uiteindelijk buigt Tregian het hoofd en ontsnapt hij niet aan het door zijn vader geregisseerde noodlot.

In het onlangs in het Frans verschenen Objets de splendeur beschrijft Cuneo, aan de hand van het leven van William Shakespeare (1564-1616), adellijke intriges in Londen tijdens dezelfde periode. Weer gaat Anne Cuneo bij haar roman uit van een door vele feiten gesuggereerde, maar niet bewezen vooronderstelling. Dit maal is het niet haar eigen hypothese, maar die van de Engelse historicus A.L. Rowse, kenner bij uitstek van het Engeland onder Elisabeth I. Rowse hielp haar bij haar historisch onderzoek voor De loop van een rivier en vroeg haar, in ruil daarvoor, een roman te schrijven over zijn ontdekking. Volgens Rowse gaat achter Shakespeares mysterieuze minnares, in zijn werk aangeduid als 'Dark Lady', de van oorsprong Italiaanse Emilia Bassano Lanier schuil. Zij kwam uit een familie van musici en was de auteur van het eerste door een vrouw geschreven en in Engeland gepubliceerde boek, Salve Deus Rex Judeorum. Hoewel Shakespeare-kenners niet veel zagen in deze veronderstelling, vond Anne Cuneo genoeg aanknopingspunten om aannemelijk te maken dat Emilia Bassano Shakespeares geheime liefde was. Zij schetst een kostelijk beeld van de grote toneelschrijver ('Master Will') en analyseert en passant zijn sonnetten en enkele van zijn toneelstukken. Cuneo legt het verhaal in de mond van een tachtigjarige ex-toneelspeler uit Shakespeares gezelschap 'The Chamberlains Men', die terugkijkt op de bloeitijd van het Engelse toneel, een ingenieuze constructie. In 1642 verboden de puriteinse machthebbers iedere vorm van volksvermaak en gedurende twintig jaar werden alle theaters gesloten. Shakespeare werd alleen nog clandestien gespeeld.

In beide romans is Anne Cuneo erin geslaagd haar hoofdpersonen, zoals ze schrijft, 'weer een stem te geven, hen te reconstrueren, zoals je een oudheidkundig monument reconstrueert op basis van de plattegrond en de ruïnes ervan.' Toch zal zij meer affiniteit gevoeld hebben met Francis Tregian dan met Shakespeare en zijn 'Dark Lady'. De eerste wordt bewonderd en gekoesterd, de laatsten met veel dialogen in scène gezet. De identiteit van de eerste wordt bij voorbaat met hand en tand verdedigd tegen mogelijk kritische historici, de verantwoordelijkheid voor de identiteit van de tweede wordt afgeschoven op een bevriende expert. In het eerste geval gaat het om een biografie vermomd als roman, in het tweede om een roman met een originele biografische invalshoek. Desalniettemin lezen beide boeken als avonturenromans en zullen ze ook bij liefhebbers van historische biografieën in de smaak vallen. Als zij tenminste in staat zijn 'goed te lezen', zoals Hella Haasse dat bedoelde. Wat in deze twee boeken van Anne Cuneo vooral betekent: mee-luisteren naar de madrigalen van Francis Tregian en mee-kijken naar de toneelstukken van Shakespeare.