Tijd voor doorbraak

Twee keer, herinner ik me, is het Historisch Nieuwsblad in het nationale nieuws geweest: toen de redactie door grondig speurwerk had uitgezocht wie de invloedrijkste historicus van Nederland was (het kan alweer veranderd zijn) en na het examen geschiedenis waaraan dappere leden van de Tweede Kamer zich op initiatief van het tweemaandelijks tijdschrift hadden onderworpen.

De geschiedenis had nieuws veroorzaakt, in het eerste geval doordat het een gebied is waar men op eigentijdse manier de lakens kan uitdelen, en in het tweede doordat mensen van wie men anders had verwacht, roemloos door de mand vielen.

Er zit iets onrechtvaardigs in dat een tijdschrift na vijf jaargangen, met in ieder nummer zoveel lezenswaardigs, pas door betrekkelijk sensationele onthullingen de aandacht van het denkend deel der natie op zich weet te vestigen (want het denkend deel telt meer dan de 2500 abonnees). Aan de andere kant: zo toont de redactie dat ze met beide benen zowel in de geschiedenis als in het heden staat. Zo bevat het eerste nummer van de zesde jaargang een zeer actueel artikel van Mieke van Baarsel over politieke correctheid in het geschiedenisonderwijs; een prikkelend aanvechtbare bijdrage van F.R. Ankersmit over de begrenzing van en het onderscheid tussen de generaties sinds 1930 (dat hij hier begint valt al te bestrijden) en een waardevolle herinnering aan mejuffrouw Isabella van Eeghen van het Amsterdams Gemeentearchief. Nog veel meer, maar dit is geen bespreking van één afzonderlijk nummer.

Geschiedenis is behalve onderwerp van wetenschap en onderwijs ook een bron van nieuws. De historicus kan op twee manieren nieuws veroorzaken: als vorser, door iets te ontdekken, en als interpreterend verteller van het verleden. Dit is een tijd waarin de ene revolutie op de andere schijnt te volgen. Dat is geen wonder want met revolutie, aanstaande revolutie, berichten over de aanstaande revolutie, de verzekering dat het nooit meer zo zal worden als het geweest is, verovert men de totale aandacht. Beter kan men volgens de maatstaven van vandaag niet presteren. Iedereen heeft er recht op, een kwartier van zijn leven wereldberoemd te zijn, zei Andy Warhol, de profeet.

Het gevolg van de hoogconjunctuur der revolutie is de verwaarlozing van de continuïteit. Maar de mensen en hun samenleving zijn altijd trager dan de revolutionairen willen en denken te zien. Dan ontstaat de botsing tussen de krachten van de continuïteit en niet alleen de werkelijke maar ook de schijnbare krachten van de revolutie: de waan van de dag, de hype.

De geschiedenis begint te leven, wordt tot nieuws als continuïteit en verandering tot kortsluiting komen. Daardoor raakt dan plotseling een veel breder publiek in staat van opwinding. Het recente koloniaal verleden, het goed en fout in de oorlog, verdiensten en tekorten in de Wederopbouw, de waardering van de jaren zestig, rol en functie van de CPN, waarde en betekenis van de nationale identiteit, het behoud van en de veranderingen in het Nederlands: allemaal onderwerpen die de aandacht van het denkend deel der natie mobiliseren.

Het verleden is bestanddeel van onze dagelijkse bagage. Je ouders kun je niet kiezen, maar door oorzaken die te ingewikkeld zijn om hier ook maar te noemen, mag je van geluk spreken als je familie 'goed was in de oorlog'. Carrières zijn vastgelopen in leugens daaromtrent. De generaties dergenen die toen oud genoeg waren om zelfstandig te kunnen oordelen en handelen, en die nu uit het openbare leven verdwijnen, hebben de maatstaven van toen als de bekende meter van platina in hun hersens gegrift. Trad er iemand in het publiek aan wie getwijfeld werd, dan werd de historicus tehulp geroepen. Loe de Jong! Historisch onderzoek!

Intussen zijn de jaren zestig aan de orde. Wat heeft de minirevolutie bij ons aangericht, wat is gebleven, wat daarin van waarde, wat bestrijdenswaardig? Straks komt de Koude Oorlog aan de beurt. De historici van het vak, de journalisten en de televisiemakers zijn dan plotseling de loodsvissen van de openbare mening. Dit betekent: de continuïteit is, vaak op de achtergrond, maar altijd een kracht die dwingt tot onderzoek en herwaardering.

De dag- en weekbladpers levert het eerste forum voor het debat; de afstandelijke waardering in boekvorm komt veel later. Tussen het ogenblikkelijk forum en de bezonkenheid, de afstandelijkheid (hopen we) van de wetenschap, ligt een niemandsland. Dat is het terrein van de verkenners; het is een specialisme zonder pretentieuze kieskeurigheid, met de ruimste toegankelijkheid. Het voorziet in de behoefte aan de intellectuele prikkel. Dit is het terrein van het Historisch Nieuwsblad.

Op zichzelf is het opmerkelijk dat de redactie er al vijf jaar in slaagt, de frisheid van het Nieuwsblad te bewaren. Niettegenstaande dit lustrum heeft het niet meer dan 2500 abonnees. Is het te 'commercieel', ziet het er te appetijtelijk uit, heeft het zich daardoor een vooroordeel op de hals gehaald? Of maakt het juist niet voldoende moderne tam-tam om door te dringen tot wat we 'een breder publiek' noemen? Soms heeft iets van waarde behoefte aan een 'doorbraak'. Mij dunkt dat na vijf jaargangen dit ogenblik voor het Historisch Nieuwsblad is aangebroken.