Spookschilders

Wat maakt dat we een kunstenaar kunstenaar noemen? De meningen over wat kunst is, zijn zo verdeeld, dat het soort werk dat een kunstenaar maakt ons niet helpt bij het geven van een antwoord op die vraag. Marina Abramowicz legde laatst heel ernstig op de televisie uit, dat wanneer zij poept met de bedoeling om kunst te maken, dit ook met recht kunst mag heten omdat zij kunstenaar is.

Maar hoe weten we dat zij kunstenaar is? De beste antwoorden die we kunnen verzinnen zijn niet meer dan dooddoeners: een kunstenaar is iemand die door andere kunstenaars kunstenaar genoemd wordt, of iemand van wie er werk in een museum hangt. Wie meer zekerheid verlangt, roept de geschiedenis erbij, immers: De Tijd Zal Het Leren.

O, als dàt toch eens waar was! Maar dat is het niet. Zelfs een afstand van eeuwen is geen garantie voor zekerheid omtrent iemands kunstenaarsstatus.

Laat mij dit aantonen aan de hand van wat voorbeelden. Mag ik u voorstellen aan twee spookschilders uit de handboeken over 17de-eeuwse kunst: Aert van Antum en Paulus van den Bosch. Op de lijst van schilderij nr. 17 in de tentoonstelling Lof der Zeevaart, die nu in de Gemäldegalerie in Berlijn hangt en eerst te zien was in Museum Boijmans Van Beuningen, staat een schildje met de naam 'Aert van Antum'. Op het tentoonstellingsetiket wordt de schilder echter vermeld als 'Aert Anthonisz'. Deze laatste naam is een bestaande naam en als zodanig correct - of de toeschrijving juist is, is een andere kwestie. Aert Anthonisz is uit authentieke documenten bekend als een in Antwerpen geboren Amsterdamse schilder van zeestukken, die de vader en grootvader werd van twee andere zeeschilders. De Aert van Antum van het schildje is niet meer dan een foutieve lezing, in een artikel uit 1883, van een onduidelijke signatuur (Aert Antoni?) als Aert Antum. In de handboeken, werd deze signatuur zelfs als Antum gefacsimileerd, het meest onlangs in 1970. Nadat Laurens J. Bol de imaginaire Aert van Antum in 1973 in rook had doen opgaan, en zijn spookverschijning langzaam leek te vervagen, werd hij door een naam-zieke computer weer uit het schimmenrijk teruggeroepen. The Union List of Artist Names (ULAN, een project van het Getty Information Institute) voert hem op het Internet op als 'Nederlands schilder, werkzaam 1604-1618'.

Hoe komen we ooit weer van die Antum af?

Vorig jaar manifesteerde zich opnieuw een kunsthistorisch spook: Paulus van den Bosch. Een groep stillevens gesigneerd PvBos werd lange tijd toegeschreven aan een persoon van deze naam, die in 1614 of 1615 in Amsterdam werd geboren en daar in 1664(?) overleed. Maar in 1996 hielp de Nederlandse kunsthistoricus Fred Meijer deze stillevenschilder aan een postuum eind. Hij ontkent niet dat er in die tijd een Paulus van den Bosch in Amsterdam heeft geleefd, maar wel dat deze Paulus de man was aan wie dit oeuvre moet worden toegeschreven. Hij pakt Paulus zijn schilderijen af en geeft ze aan een andere bekende uit de literatuur: Pieter van den Bosch die in 1613 of 1614 in Amsterdam werd geboren en na 1663 in Londen overleed. En dat is niet alles. Meijer verdeelt bovendien Pieters werk over twee schilders van diezelfde naam, die niet corresponderen met de oude Paulus en Pieter. In een nieuw lexicon van Nederlandse stillevenschilders weigert Erika Gemar-Koeltzsch nadrukkelijk in te gaan op Meijers gambiet - en daarmee verklaart zij Meijers tweede Pieter tot het spook van deze opera omnia. Dit zijn extreme voorbeelden maar ze werpen wel het nodige licht op de vraag: wat maakt een kunstenaar uit het verleden tot kunstenaar? Het verbindende principe van een kunstenaarsidentiteit (als die al niet helemaal de vrucht van een misverstand of van zuivere speculatie is), kan op elk van de volgende drie elementen berusten: een figuur uit de kunsthistorische traditie, een uit de archieven bekende kunstenaarspersoon, of een groep van deels gesigneerde werken die een bepaalde gelijkenis met elkaar vertonen.

Idealiter moeten deze drie soorten identiteit samenvallen en het beeld van een unieke artistieke-biografische persoonlijkheid versterken. Dit ideaal is echter zeldzaam. In de meeste gevallen ontbreken sleutelstukken uit de puzzel of spreken bepaalde elementen elkaar tegen. Daardoor is een werkelijk waterdichte oplossing uitgesloten. Al te veel historische kunstenaars zijn niet meer dan samenraapsels van documenten en toeschrijvingen, bijeengehouden door de goedgelovigheid van auteur en lezer. In 1995 kon de Amerikaanse Jean Wilson aantonen dat de uit de documenten bekende Brugse meester Adriaen Isenbrant, aan wie zo'n 150 schilderijen toegeschreven zijn, op geen enkele manier met deze werken kan worden verbonden. De coherentie van de 150 stukken stelt volgens haar ook niet veel voor. 'Connoisseurs have produced an 'Isenbrant' and an 'oeuvre' which distort the very phenomenon that they have attempted to reveal', schreef zij. Als we mogen afgaan op Hessel Miedema's nieuwe uitgave van Carel van Manders Schilder-boeck, een boek waar de hele geschiedenis van de Nederlandse kunst tot 1603 op gebaseerd is, zou deze harde uitspraak best eens van toepassing kunnen zijn op alle oude Nederlandse schilders.

Wat maakt een oude meester tot een oude meester? Voornamelijk de begrijpelijke neiging van kunsthistorici om, oog in oog met problemen die wel eens onoplosbaar kunnen zijn, niet te diep te graven en liever gebaande wegen te volgen. Vroeg of laat zal hier verandering in komen, en worden de conventionele zekerheden op hun kop gezet. Daar kijk ik graag naar uit. Want als we al geen definitie kunnen geven van wat een levend kunstenaar is, waarom zouden we ons dan verbeelden dat we meer te weten kunnen komen over kunstenaars die allang dood en begraven zijn?