Opportunisme ontsiert strijd mensenrechten

Met de nodige ophef sommeerde het Westen vorig jaar ASEAN, een los statenverband in Zuidoost-Azië, Birma als lid te weren. Maar eenmaal voor gezamenlijk overleg in Jakarta aangekomen, ontdekten de vertegenwoordigers van Noord-Amerika en Europa dat de gastheren niet van zins waren het regime in Rangoon in de ban te doen.

De universaliteit van de rechten van de mens behoort in dat deel van de wereld niet tot de cultuur van de leiders. Sterker, het begrip wordt door hen afgedaan als een maskerade van neo-imperialisten die uit zijn op macht en invloed. Zelfs een straatarm en in wezen kneedbaar regime als het Birmese vermocht zo de gramschap van de beschaafde wereld te ontlopen.

Na de val van de Muur had de democratiseringsbeweging vaart gekregen. De steun aan de dissidenten in de Sovjet-Unie en in Oost-Europa had ogenschijnlijk vruchten afgeworpen, en ook in Latijns Amerika waren dictators en autoritaire regeringen aan de kant geschoven. Op de Filippijnen had Marcos plaats gemaakt voor een gekozen regering en blank Zuid-Afrika was bezig aan apartheid een einde te maken. In Amerika kondigden achtereenvolgens presidenten van Republikeinse en Democratische signatuur een wereldomvattende beweging voor democratie en vrije markt aan. De 21ste eeuw zou de eeuw worden van de rechten van de mens.

Acht jaar later is er aanleiding voor twijfel. De universaliteit van de beginselen vindt onvoldoende erkenning en het vermogen en de wil van de grote democratieën om de wereld naar hun hand te zetten zijn een stuk geringer gebleken dan tijdens de kortdurende euforie werd aangenomen. In zogenoemd jonge democratieën is de gang van zaken bij verkiezingen, de controleerbaarheid van het bestuur en de naleving van de rechten van de mens omstreden. In vanouds autoritair bestuurde staten is het verzet tegen bemoeienis van buitenaf alleen maar toegenomen. Onze markt kan heel goed zonder democratie, is het antwoord waarmee China's leiders kritiek pareren.

Het Westen heeft intussen aan geloofwaardigheid verloren. Zakelijke en politieke belangen houden het verdeeld en dringen de campagne voor democratie en mensenrechten naar de achtergrond. De regimes op de zwarte lijst maken daarvan handig gebruik. Een poging van het Nederlandse voorzitterschap om de jaarlijks herhaalde veroordeling van China door de Europese Unie ook dit jaar gestand te doen, strandde op een weigering van Frankrijk.

De Fransen willen een eind maken aan het wapenembargo dat de Unie China heeft opgelegd na de bloedige uitbarsting op het Plein van de Hemelse Vrede in 1989. De Franse nucleaire, wapen- en vliegtuigindustrie staat vooraan om de Chinese markt met haar produkten te overstromen. De Chinezen hebben Parijs beterschap beloofd, maar de manier waarop zij de Denen en de Unie-voorzitter intimideren is een slecht teken.

De reactie van de Unie op het vonnis in het Berlijnse Mykonosproces overtuigt evenmin. In dat vonnis heeft de rechter de hoogste politieke en religieuze leiders van Iran verantwoordelijk gesteld voor een dodelijke aanslag op vier Iraans-Koerdische dissidenten in het restaurant Mykonos in 1992. De lidstaten van de Unie, op Griekenland na, riepen hun ambassadeurs terug en schortten de zogenoemde 'kritische dialoog' met de ayatollahs op. Maar Iran wees er niet ten onrechte op dat Europa na de fatwa tegen de schrijver Rushdie ook al eens dergelijke diplomatiek vuurwerk had afgeschoten zonder dat er verdere consequenties aan waren verbonden.

In plaats van het effect van de getroffen maatregelen af te wachten verklaarde de Duitse minister van Buitenlandse Zaken dit weekeinde op voorhand dat zijn land geen voorstander was van economische sancties. De onderlinge relaties - de Bondsrepubliek is Irans eerste handelspartner - zijn te belangrijk om misverstanden te laten ontstaan. Duitsland, het land waar de moorden werden gepleegd, beperkt zich tot het tonen van zijn ongenoegen. Dat was op zichzelf geen verrassing, nadat de federale instanties in Bonn al die jaren het justitiële onderzoek in Berlijn hadden tegengewerkt en zelfs een van de aanstichters van de aanslag hadden ontvangen om zich te laten voorlichten.

In beide kwesties trekken de Amerikanen één lijn met de preciezen in Europa. Zij steunden een Deense resolutie tegen China en zij riepen de lidstaten van de Unie op zich aan te sluiten bij de Amerikaanse boycot tegen Iran. Die boycot komt menig Europees land zeer gelegen, omdat hij de Amerikaanse concurrentie van de Iraanse markt weert. Omgekeerd zouden Europese sancties de Amerikaanse regering helpen het eigen bedrijfsleven, dat zich achtergesteld acht, rustig te houden.

De Amerikaanse offertes aan Europa zijn dus niet van eigen belang ontbloot. Anderzijds schaadt het uitspreken van een voornemen China te veroordelen - van een kritische uitspraak van de Verenigde Naties is het evenals voorgaande jaren niet gekomen - de Verenigde Staten nauwelijks. Washington heeft in de afgelopen jaren al zo veel verschillende signalen richting China gestuurd, dat de leiders in Peking er niet meer van onder de indruk raken. Zij weten dat, zolang het Amerikaanse zakenleven in de Chinese markt geïnteresseerd blijft, van de Amerikaanse politici weinig te vrezen valt. Ten slotte ligt er ook nog de afspraak dat meningsverschillen op onderdelen van beleid de strategische betrekkingen tussen beide landen niet mogen schaden.

In zijn spontane uiting van ongenoegen over de Franse houding heeft minister Van Mierlo het Westerse dilemma over de rechten van de mens blootgelegd. De bewindsman verklaarde dat als de Unie China niet wilde veroordelen hij er zich niet voor zou lenen andere, kleinere landen wel te veroordelen. Van Mierlo moest die waarschuwing intrekken omdat niemand hem wilde volgen. Zijn standpunt was te extreem. Maar de logica ervan kan niet worden ontkend. Als er werkelijk sprake zou zijn van een universeel rechtsbeginsel zou dat zonder onderscheid moeten gelden voor alle leden van de Verenigde Naties.

De wereld zit evenwel anders in elkaar. De as-mogendheden werden in 1945 tot capitulatie gedwongen, maar niet omdat zij de rechten van de mens schonden - dat hadden zij op grote schaal wel gedaan. De Sovjet-Unie werd ontzien omdat een gewapend conflict met haar moest worden voorkomen. Of en hoe een land op zijn wandaden wordt aangesproken, hangt goeddeels af van zijn status in de internationale gemeenschap (China) en van de status van zijn vrienden (Birma). Opportunisme ontsiert de strijd voor de mensenrechten. Dat stemt tot terughoudendheid.