Ogen op sloffen

Mijn moeder is zesentachtig en schuifelt neuriënd rond voor de poorten van de dood. Ik merk dat haar vrolijkheid mij elke keer weer verbijstert. Hoe kun je leven als elke dag je laatste kan zijn? Je zou zeggen, vraag het haar, maar dat gaat niet want zij is van de generatie voor wie het persoonlijke niet bespreekbaar was.

Crisis, oorlog, bestedingsbeperking: zij moesten overleven en daar moet je hard voor zijn. Persoonlijke vragen beantwoordt zij door de vraag bevestigend te herhalen. “Moeder, hoe is dat nu, als je weet dat je elk moment kunt sterven?” “Ja jongen wij zijn mensen van een dag.”

Een jaar of wat geleden kreeg het stilzwijgende idee dat de ouderdom mij nog lang niet had ingehaald een gevoelige knauw toen vadertje Tijd mij een leesbril opzette. Een ouwelullenbril! waar je zo ouwelullerig overheen moet kijken!

Ik begon om me heen te zien en stelde meesmuilend vast dat de hele geboortegolf, waar ik toe behoor, begon te brillen. Kijk, brulde ik binnensmonds, wijzend als een kind, A., ook al een bril! Zij zaten ermee, net als ik, dat merkte ik heus wel aan meewarige opmerkingen als: “o jee, heb jij al een tweetje?”, met andere woorden: die is bijna dood, of aan bagatelliserend gedrag: “Deze? Negen gulden vijftig bij de Hema” “O, ik koop er altijd twee voor vijf piek op de Albert Cuyp.”

Bijzonder interessant is de triomfantelijke blik die sommige mensen mij toewerpen door de bril die ze al sinds hun zestiende dragen: zij hoeven geen leesbril, zij ontsnappen aan de ouderdom. Sterker nog: B, altijd brildrager geweest, ziet ineens beter zonder, in alle standen. Die is dus onsterfelijk. Ik merk ook dat ik een tikje jaloers kijk naar C. die, om iets te lezen, zijn bril moet afzetten.

Mijn +1 werd een +1, en inmiddels een tweetje, waarbij ik moet toegeven dat die voor de menukaart in romantische restaurants al niet meer voldoet (daarvoor neem ik de 2 mee). Een leesbril is, zoals bekend, voor dichtbij. Ik begin echter te merken dat mijn nabijheid zich steeds verder uitstrekt in de verte. Nu zult u zeggen: daar weet de opticien wel raad mee, maar het probleem is dat ik nog geen raad weet met de opticien. Want dan moet ik echt een bril, dan word ik een brildrager, dan ben ik ineens zo'n man met een bril, iemand met een compleet andere identiteit, iemand die ik niet ben en ook niet wil zijn en mijn vriendin, die onbegrijpelijkerwijs geen enkele moeite heeft met mijn leesbril, wil het ook niet. Nee, geen contactlenzen. In het begin zette ik mijn bril alleen op als ik echt iets moest lezen en ergerde mij dood aan leeftijdsgenoten die de hele dag, haast demonstratief, over die ouwelullenfok liepen te gluren, hun uiterlijk verslonzend, hun hele seksualiteit verloochenend, kon ze geen klap meer schelen, deden ze gewoon niet meer aan, ogen op sloffen, zou je kunnen zeggen. Maar er was geen beginnen aan en inmiddels heb ik dat ding ook de halve dag op mijn kop.

Daarbij heb ik iets ontdekt. Het is lekker, die bril. Voor mijn werk zit ik nogal vaak naar buiten te staren, over de bril heen, die dan dus overbodig is. Maar als ik hem afzet, voelt dat niet prettig. Wat is hier aan de hand? Ik denk het te weten. Ook als ik thuis werk, meestal dus, houd ik graag mijn schoenen aan, draag een stevig jasje (virtueel ook een stropdas), zit op een harde rechte stoel aan tafel en heb de kachel laag. Spartaans, zegt u? Dank u. Het is de veruiterlijking van een mentaal corset, een geestelijk harnas. Ik vermoed dat ik dat nodig heb voor mijn werk: schrijven. Schrijven is de oeverloosheid van oevers voorzien, kanaliseren, wegsluizen, indammen. Schrijven doe je met woorden, niet met gedachten, zei de dichter Nijhoff, laat staan met gevoelens. Schrijven is zachte dingen in harde vormen stoppen. Schoenen, stoel, jasje, en nu dan ook die bril, helpen daarbij. Ze grendelen mijzelf af, maken mij alvast tot een harde vorm. Dat is nauwelijks een metafoor, het vóelt zo.

Verder voel ik niks als ik schrijf. Daarom moet je mij niet vragen wat ik er persoonlijk van vind. Ik vind niks, net als mijn moeder.