Niet boos worden

Op een ochtend heel vroeg klopte de spitsmuis op de deur van de eekhoorn.

“Ja?” zei de eekhoorn.

“Eekhoorn”, zei de spitsmuis. “Zal je niet boos worden? Ik ben het, de spitsmuis.”

“Ik slaap nog,” zei de eekhoorn.

“Betekent dat dat je boos bent?” vroeg de spitsmuis.

“Nee,” zei de eekhoorn.

“Word je ook niet boos als ik binnenkom?” vroeg de spitsmuis.

“Nee,” zei de eekhoorn.

De spitsmuis stapte naar binnen en de eekhoorn kwam uit zijn bed.

“Ik was gisteren jarig,” geeuwde hij.

“Dat weet ik,” zei de spitsmuis, “daarom ben ik vandaag gekomen. Ik heb ook geen cadeau bij mee. Nu word je vast boos.”

“Nee hoor,” zei de eekhoorn. “Wil je een stuk taart? Ik heb nog kastanjetaart over.”

De spitsmuis ging aan tafel zitten en at van de kastanjetaart die de eekhoorn voor hem neerzette.

“Eekhoorn,” zei hij na twee happen, “ik denk dat je nu wel boos wordt, maar ik moet iets zeggen. Ik vind die taart niet lekker. Hu. Wat een afschuwelijke taart!” Hij duwde de taart van de tafel af en rilde even.

“Nu móét je boos zijn,” zei hij toen.

“Iedereen vond hem heel lekker,” zei de eekhoorn, terwijl hij opstond.

Hij veegde de resten van de taart bij elkaar, snoof er even aan en knikte.

“Ik denk,” zei de spitsmuis, “dat iedereen hem afschuwelijk vond en dat niemand ooit zo'n afschuwelijke taart had geproefd. Met lange tanden hebben ze gegeten. Uit beleefdheid, eekhoorn!” Hij zwaaide met een vinger en keek de eekhoorn met gloeiende ogen aan. “Je moet het trouwens wel eerlijk zeggen als je boos wordt,” ging hij verder. “Het is heel erg als je dat niet doet.”

Maar de eekhoorn schudde zijn hoofd. Hij was niet boos en ging weer aan de tafel ziten. De spitsmuis sloeg zijn ogen neer en liet zijn schouders zakken.

Zwijgend zaten ze een tijd tegenover elkaar. De spitsmuis krabde aan de tafel en schraapte af en toe zijn keel. “Weet je,” zei hij toen. “ik wil nóg iets zeggen. Vind je dat goed?”

“Ja,” zei de eekhoorn.

“Ik vind het niet gezellig,” zei de spitsmuis. “Helemaal niet. Nu ben je wel boos!”

“Ik ben niet boos,” zei de eekhoorn.

“Je bent wel boos!”, riep de spitsmuis. Hij sprong op de tafel. “Je bent verschrikkelijk boos!”

“Ik ben niet boos,” zei de eekhoorn.

De spitsmuis liep met vlugge passen op de tafel heen en weer, gaf de lamp een duw, zodat hij tegen het plafond botste en brak, riep: “Je bent het wel! Ontkennen helpt niet! Dat helpt nooit!” en probeerde te krijsen, ook al kon hij dat niet. De eekhoorn leunde ondertussen achterover in zijn stoel en dacht aan alle dieren die op zijn verjaardag waren geweest en hoe ze hadden gedanst en gegeten en allemaal hadden gezegd dat het heel gezellig was en pas heel laat in de avond naar huis waren gegaan, de mier het laatst. Hij wreef zich in zijn handen van plezier.

De spitsmuis verstapte zich, struikelde en viel op de grond naast de tafel tussen de scherven van de lamp. Hij stond op, sloeg het stof van zijn schouders en zei: “Kom, ik ga weer eens.”

“Jammer,” zei de eekhoorn.

“Jammer?” vroeg de spitsmuis en hij keek de eekhoorn onderzoekend aan. “Is dát boos? Moet ik blijven?”

De eekhoorn dacht even na en zei langzaam, woord voor woord: “Ik ben niet boos.”

“Dan ga ik echt,” zei de spitsmuis somber. Hij ging de deur uit.

Toen hij even later op de grote tak van de beuk stond draaide hij zich om. Er zat een bult op zijn voorhoofd en hij zei: “Ik denk dat ik nooit meer terugkom, eekhoorn.”

“O,” zei de eekhoorn.

De spitsmuis wachtte even en zei toen: “Ben je nu blij?”

De eekhoorn stond in zijn deur en moest heel lang en heel diep nadenken.

“Nee,” zei hij toen.

De spitsmuis zuchtte en zonder verder iets te zeggen klom hij langs de beuk naar beneden en verdween in het bos.