Lichaamsdelen leiden eigen leven bij Leine en Roebana

In een Utrechtse sporthal gaat morgen Tales of Eversion van het choreografenduo Leine & Roebana in première, als onderdeel van het tweejaarlijkse Springdance Festival dat vanavond opent. “De chaos in ons werk is de chaos om ons heen”.

Leine & Roebana met Tales of Eversion, 19 en 20/4 om 19u, in Sporthal de Veiling, Utrecht. Springdance Festival t/m 30/4. Inl. (030) 231 75 17.

AMSTERDAM, 18 APRIL. In februari trokken ze de studio in, met vier nieuwe dansers waarmee ze nooit eerder werkten. Noodgedwongen, want het choreografenduo Andrea Leine (30) en Harijono Roebana (41) kent niet het comfort van een structurele subsidie die hen in staat stelt een eigen groep erop na te houden. De ad hoc-formatie kwam samen in een vijfenzeventig meter lange sporthal in Utrecht, door Leine & Roebana uitgekozen vanwege de uitdagende en weinig gangbare afmetingen. Tales of Eversion, de dansproduktie die zij speciaal maakten voor het Springdance Festival dat vanavond opent, past in hun filosofie dat juist beperkingen de verrassendste resultaten opleveren.

“Dat we maar een korte voorbereidingstijd hadden, vormde nog een extra hindernis”, zegt de weinig spraakzame Andrea Leine in hun Amsterdamse studio. “We laten bovendien de mise-en-scène liefst zo lang mogelijk in het ongewisse. Voor de dansers is dat vaak moeilijk te accepteren.” Roebana vult aan: “We behouden ons het recht voor om inconsequent te zijn. We werken intuïtief want intuïtie heeft een eigen dynamiek die ons interesseert, net als beperkingen. Het nadeel is dat de dansers lange tijd niet weten waar zij aan toe zijn. Ze hebben behoefte aan zekerheid, die wij niet bieden. Maar ze hebben zich wonderwel aangepast.”

De noodzaak tot aanpassing heeft ook een belangrijke rol gespeeld in de samenwerking tussen Leine en Roebana onderling. Ze spreken nu moeiteloos elkaars taal, maar hun achtergronden waren heel verschillend. Als leerlinge van de Scapino Dansacademie danste Leine op roze spitzen; haar collega studeerde filosofie en theaterwetenschap en volgde daarnaast de opleiding Moderne Dans aan de Amsterdamse Theaterschool. Hun eerste produktie, Waldo, dateert van zeven jaar geleden. Het duo ontving er de Aanmoedigingsprijs van het Amsterdamse Fonds voor de Kunst voor.

De zoektocht naar een eigentijdse danstaal vormde de inzet van al hun voorstellingen, onder meer Suites (dansen voor de koningin) (1993), The Circle Effect (1995) en If we Could Only Even If I Could (1995), die ook weer bekroondwerden. Kenmerken zijn de buitengewone beheersing van het lichaam, waarbij de dansers perfect getimed unisono over het toneel bewegen, en het eigengereide gebruik van isolatietechnieken. Wat de arm doet weet de voet niet: bij Leine & Roebana leiden de verschillende lichaamsdelen een eigen leven. De wil van de danser lijkt er niets mee van doen te hebben.

Roebana: “Het lichaam, zoals dat in het klassiek ballet gebruikt wordt zou je kunnen vergelijken met het Russische Rijk: het maakt grote, eenduidige gebaren, vanuit een centraal punt bestuurd. Onze benadering kan beter vergeleken worden met de huidige situatie: kleine staatjes die een geheel vormen maar elkaar ook tegenwerken. Dat brengt een zekere anarchie met zich mee. De chaos die dat in ons werk brengt, is de chaos van de wereld om ons heen. In die zin maken we eigentijdse dans.”

“In het begin draaide daarbij alles om vorm”, vervolgt hij. “We zochten naar vervreemding, op een vrij Brechtiaanse manier: we lieten de dansers uit hun rol stappen. Door bestaande verwachtingspatronen te doorbreken hoopten we in het contact met het publiek datgene te creeëren, wat wij 'momenten van waarachtigheid' noemen. Pina Bausch is er goed in. Ze kan suggereren dat de dansers voor verrassingen worden geplaatst. Het effect is ontreddering, de danser komt als het ware naakt op het podium te staan. Maar ook het publiek wordt uitgekleed want dat weet niet meer hoe het moet reageren, omdat het onderscheid tussen 'echt' en 'onecht' vervalt.”

“Zo'n gat in de voorstelling, daarin kan iets ontstaan”, zegt Roebana. “Dat is niet te forceren. Hooguit kun je proberen gunstige voorwaarden te scheppen, door spanning op te bouwen en het aan te durven om die plotseling weg te laten vallen. Het waarachtige laat zich niet sturen, het is een meerwaarde van omstandigheden die je wel kunt beïnvloeden.”

Lag het accent in de voorstellingen van Leine & Roebana aanvankelijk op de vorm en op het uitbundige gebruik van theatrale middelen, zoals bizarre rekwisieten, waarbij de dansers wankelden op onwaarschijnlijk hoge plateauzolen of een groteske rode pruik opgezet kregen - later werd het werksoberder en richtte het duo zich op pure beweging: “The movement is the message”.

In Tales of Eversion, letterlijk 'verhalen over binnenstebuiten keren', zijn de dansers belangrijker dan ooit. Het 'binnenste' dat zichtbaar moet worden is dat van hen. Leine: “We benadrukken de danser als persoon, maar niet door hun persoonlijkheid te showen met overdreven geacteer. We proberen ze mee te nemen op onze zoektocht. Elke voorstelling die we maken herbergt alweer de kiem voor een volgende. We moeten steeds verder. In die zin zijn we nooit tevreden met een stuk.”

De muziek van John Zorn, Gavin Bryars en Egdar Varèse, speelt een belangrijke rol. Roebana: “Ionisation (1931) van Varèse, een compositie voor 41 percussie-instrumenten en twee sirenes, is muziek met een enorm fysieke kwaliteit. De compositie laat zich het best omschrijven als een enorme hoop structuur. De beweging moet daar iets tegenover zetten, zodat we niet worden 'weggespeeld' door de muziek. Dat is een worsteling, maar het dwingt ons ertoe persoonlijk te worden, het dwingt ons tot een eigen taal. Wat wij doen bij het maken van een voorstelling is het stellen van regels, het maken van wetten. Dit mag, dat mag niet. Regels bieden houvast. Het zijn beperkingen, maar juist die bieden ruimte voor iets nieuws.”