Het Zwitserse geheim

Jean Ziegler: Die Schweiz, das Gold und die Toten. Bertelsmann, 315 blz. ƒ 55,70

Tom Bower: Bloodmoney - The Swiss, the Nazis and the Looted Billions. MacMillan, 411 blz. ƒ 44,75 (Amerikaanse editie: Nazi Gold. The Full Story of the Fifty-Year Swiss-Nazi Conspiracy to Steal Billions from Europe's Jews and Holocaust Survivors. HarperCollins)

Woedend was de degelijke en een tikkeltje conservatieve Neue Zürcher Zeitung naar aanleiding van een voorpublicatie in de Sunday Times van 9 maart van het boek Bloodmoney door de Britse journalist Tom Bower. De verontwaardiging gold in eerste instantie de illustratie: de geopende poort van Auschwitz, herkenbaar aan de beruchte spreuk 'Arbeit macht frei', die uitzicht biedt op idyllische Alpenweiden. Smakeloos vonden ze het bij de NZZ, evenals trouwens de twee vlaggen, een met een hakenkruis en een met het witte Zwitserse kruis, die op de tekening gebroederlijk naast elkaar wapperden.

Hoe kon de Sunday Times zoiets doen, nota bene een krant die kort tevoren nog het Zwitserse plan om uit de immense goudvoorraden een miljardenfonds te stichten voor slachtoffers van de Holocaust had geprezen als een 'visionair' idee? Voor de NZZ stond vast dat Tom Bower 'geen vriend van Zwitserland' was. De krant was bereid toe te geven dat de Zwitserse houding in de Tweede Wereldoorlog 'allesbehalve een roemrijke bladzijde' uit de geschiedenis was. Maar wie zo emotioneel met het verleden omging, kon moeilijk serieus worden genomen. Bowers boek had recht op een beoordeling door een 'onbevooroordeelde, historisch geschoolde recensent'. Maar wat moest zo'n recensent met Bowers opmerking dat de Zwitsers tegenover hun buurlanden al een halve eeuw pronkten met een rijkdom waar bloed aan kleefde?

Een buitenlander die de Zwitsers beschimpt om hun dubieuze rol tijdens de Tweede Wereldoorlog, daar zijn ze niet gelukkig mee in het neutrale Alpenland - al zijn ze er het laatste jaar, waarin beschuldigingen zich opstapelen, min of meer aan gewend geraakt. Een Zwitser die zijn eigen nest bevuilt, dat is pas echt erg. Vrijwel tegelijk met het boek van Bower verscheen een boek van de Zwitserse socioloog en parlementariër Jean Ziegler over hetzelfde onderwerp. Zelfs de titels lijken op elkaar. 'De Zwitsers, de nazi's en de geroofde miljarden', luidt de ondertitel van (de Engelse editie van) Bowers boek. 'Zwitserland, het goud en de doden' noemde Ziegler het zijne. De strekking laat in beide gevallen niets aan duidelijkheid te wensen over.

Verbijsterd waren de Zwitsers toen ze vorig jaar ineens aan de schandpaal werden genageld wegens hun oorlogsverleden. Ze hadden de pech dat kort na het einde van de Koude Oorlog, die het voor Oosteuropese joden ineens mogelijk maakte bij Zwitserse banken aan te kloppen om hun geld op te eisen, het halve eeuwfeest van het einde van de Tweede Wereldoorlog werd herdacht. Nationale archieven in Duitsland, Amerika, Groot-Brittannië en ook in Zwitserland zelf (alle vier zowel voor Ziegler als voor Bower belangrijke bronnen), werden geopend. In het algemeen herleefde de belangstelling voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. En dus ook voor het land dat als 'neutrale' natie een unieke positie had tussen Oost en West.

Grote lijn

Ziegler werd in de Neue Zürcher Zeitung met de grond gelijk gemaakt. Hij is dat gewend. De socioloog is niet geliefd in zijn eigen land en heeft, als kritische beschouwer van het Zwitserse bankwezen (in 1990 schreef hij het boek Zwitserland wast witter), al enige processen wegens smaad achter de rug. De recensent van de NZZ constateert een onbenullige fout die te maken heeft met het verschijningsjaar van een boek van Calvijn in de zestiende eeuw en komt dan tot de conclusie dat iemand die zo slordig met details omgaat ook de grote lijn wel eens uit het oog zou kunnen verliezen.

Juist die grote lijn is bij Ziegler de moeite waard. De Zwitsers hebben hun houding tijdens de oorlog altijd afgedaan met de opmerking dat ze niet anders konden. Ze waren een eiland omringd door nazi's en fascisten. Eén verkeerde manoeuvre en ze zouden zelf ook het slachtoffer van Hitlers barbarij zijn geworden. Niet alleen ontkent Ziegler deze visie op het verleden, hij gaat een stap verder door zich af te vragen of de Zwitsers in de oorlog anders hadden gewild.

Nee, luidt het simpele antwoord. De gewone Zwitsers hadden zich misschien nog wel dapper willen gedragen. Velen van hen leefden waarschijnlijk in de waan dat ze dat ook deden, dat het krachtdadige leger, waarvan ze na de mobilisatie allemaal deel uitmaakten, de Duitsers voldoende angst inboezemde om het land met rust te laten. Zwitsers waren volgens Ziegler bovendien niet veelanti-semitischer dan anderen in Europa. Maar ze werden voor de gek gehouden door geldzuchtige bankiers, laffe politici en militaristische legerofficieren.

Ziegler concludeert - een stelling die overigens niet nieuw is - dat de nazi's zozeer gebaat waren bij de Zwitserse neutraliteit, dat ze helemaal niet van plan waren om het land binnen te vallen. Er bestond weliswaar op papier een Operation Tannenbaum, waarin de Duitse legertop een volledig uitgewerkt strategisch plan had ontwikkeld voor een invasie in Zwitserland, maar dat was waarschijnlijk slechts theoretische Spielerei. Wel realiseert Ziegler zich dat Hitler onvoorspelbaar genoeg was om het plan ineens toch uit de kast te halen.

In Duitse archieven bevinden zich volgens Ziegler brieven en officiële stukken van hoge nazi-functionarissen die laten zien hoezeer men zich in die tijd bewust was van het belang van een neutraal Zwitserland. Vooral de 'notitie over de stand van de economische onderhandelingen met Zwitserland' (3 juni 1943) van Karl Clodius, hoogste ambtenaar van het Duitse ministerie van Economische Zaken, is in dit verband van belang. Clodius citeert in dit document, dat zich thans in het archief van het ministerie van Buitenlandse Zaken in Bonn bevindt, minister Walther Funk, tevens directeur van de Duitse Reichsbank, die zegt 'nog geen twee maanden' zonder Zwitserse deviezen te kunnen.

De uitspraak van Funk, door Ziegler omschreven als een 'labiele zuiplap', getuigde van realiteitszin. Het ontbrak Duitsland aan harde valuta om in het buitenland grondstoffen en wapens aan te schaffen. Zwitserse banken waren bereid nazigoud te kopen, ook al wisten ze dat een groot deel daarvan geroofd was uit de kluizen van bezette landen. De nazi's beschikten daardoor over harde Zwitserse franken, die ze besteedden in landen als Spanje, Portugal, Roemenië en Turkije. Die landen hebben overigens ook boter op hun hoofd. Ze wisten heel goed hoe de Duitsers aan franken kwamen en werden bovendien door Zwitserland verplicht met het verkregen geld in Zwitserland goud te kopen. Zwitserland was de as die de carrousel draaiende hield.

Ziegler kan het daarna niet laten om ook de laatste vraag te stellen. Wat zou er zijn gebeurd als Zwitserse politici en bankiers nadrukkelijk voor die eer hadden bedankt? Dan was, concludeert Ziegler, de oorlog ten minste een jaar en mogelijk zelfs twee jaar eerder afgelopen. Wellicht heeft Ziegler gelijk, maar toch is het jammer dat hij zich de vraag heeft gesteld. Over het antwoord kan hij slechts speculeren en daarmee wordt zijn boek een gemakkelijke prooi voor scherpslijpende Zwitserse historici. Zo kunnen ze het met een gerust hart naast zich neerleggen.

Aanklacht

Ook Zieglers soms gemakzuchtige en slordige omgang met feiten en data en het ontbreken van een namenregister, is hem al op de nodige kritiek komen te staan.Voor zijn stelling dat de nazi's Zwitserland nodig hadden, waren ongetwijfeld meer bewijzen aan te voeren dan dat ene citaat van een labiele, drinkende minister in het rapport van Clodius. De Zwitserse WochenZeitung, die Ziegler over het algemeen goed gezind is, noemde diens bewering, dat de nazi's volledig afhankelijk waren van de Zwitserse economie 'een absurde overschatting van de betekenis' van het land. Het Franstalige Zwitserse tijdschrift LHebdo sprak zelfs van de typisch Zwitserse neiging zichzelf als de navel van de wereld te beschouwen.

De kritiek is op zichzelf gerechtvaardigd, maar Ziegler ziet zijn boek dan ook niet als een historisch document. Hij noemt het 'een wapen', waarin hij zijn subjectiviteit en zijn 'hartstochtelijke liefde' voor zijn land laat spreken: 'Het roofgoud van Adolf Hitler en knechten, dat zich voor het grootste deel nog steeds in Zwitserland bevindt, is niet wezenlijk anders dan het bloedgeld op de Zwitserse privérekening van de Zaïrese dictator Joseph Désiré Mobutu.(...) Ik wil niet dat mijn kleinkinderen over vijftig jaar met dezelfde afschuw moeten ontdekken, dat de imposante rijkdom van hun vaderland gevoed wordt met het kapitaal van drugsbaronnen en met het bloedgeld van dictators en rovers uit de Derde Wereld.' Die Schweiz, das Gold und die Toten is een manifest voor het rechtvaardige Zwitserland, dat ontstaat als de juiste lessen van het verleden worden geleerd.

Tom Bower, een onderzoeksjournalist die eerder boeken schreef over mediagigant Robert Maxwell en over de Britse geheime dienst MI6, bekommert zich meer om het verleden dan Ziegler, al heeft ook zijn boek iets van een aanklacht. En ook Bower zoekt naar gerechtigheid. Maar het lot van Zwitserland laat hem koud. Hij is geïnteresseerd in het lot van de slachtoffers. En dat zijn voor Bower in de eerste plaats joden die hun geld en waardevolle bezittingen tijdens de oorlog in Zwitserland probeerden veilig te stellen.

Bowers conclusies komen in grote lijnen overeen met die van Ziegler, maar zijn aanpak is anders. Hij vertelt heel nauwgezet een paar schrijnende voorbeelden van joden die in Zwitserland hun heil zochten. Zo is er het verhaal van Simon Sonabend. Op 12 augustus 1942 kwam hij met zijn vrouw en twee kinderen via een Franse sluiproute in Zwitserland aan. Een dag later nam de Zwitserse regering juist een wet aan waarin illegale vluchtelingen werden teruggestuurd naar het land van herkomst. Zwitsers waren doodbenauwd om nog illegalen in huis te nemen - zeker de Zwitserse joden, want regelmatig ging het gerucht dat ze hun staatsburgerschap zouden kunnen verliezen. De vrienden op wie Sonabend zijn hoop had gevestigd, eisten dan ook dat hij zich bij de politie zou melden. Een paar dagen later werd de hele familie teruggebracht naar de Franse grens - Sonabend moest zelf de bijna zeven franken voor de taxikosten van het station naar de grens betalen. Zijn verzoek om niet aan het bezette Frankrijk (en daarmee aan de nazi's) maar aan Vichy-regime te worden uitgeleverd, werd door de Zwitsers afgewezen. De familie keerde noodgedwongen terug naar Parijs, waar Simon en zijn vrouw korte tijd later op transport werden gesteld naar Auschwitz. Voordat hij zijn kinderen in een Frans weeshuis achterliet, vertelde hij zijn zoon Charles over zijn omvangrijke Zwitserse bankrekening.

Bewijzen

Dit soort verhalen, levendig en met gevoel voor sprekende details door Bower genoteerd, toont de alledaagse collaboratie van de Zwitserse overheid en een enkele keer ook van de Zwitserse bevolking. Bower laat het niet bij historische gebeurtenissen, waar mogelijk volgt hij de geschiedenis tot op vandaag.

Charles Sonabend overleefde de oorlog en klopte vorig jaar, nadat het tumult over banktegoeden van Holocaust-slachtoffers was losgebarsten, aan bij de Berner Kantonalbank. Die meldde dat er helaas, helaas, geen bankrekening bestond. Charles leefde nog even in de veronderstelling dat zijn vader zich had vergist. Maar korte tijd later stuitte hij op het politierapport over de deportatie van de familie, dat zich compleet met het taxibonnetje in het nationale archief in Bern bevond. Daarin is sprake van koffers die in Zwitserland achterbleven, waarin geld werd gevonden. Dat geld is, volgens het rapport, op 'Sonabends rekening bij de Berner Kantonalbank' gestort.

Het uitzonderlijke van Sonabends verhaal is volgens Bower dat hij bewijzen heeft. De meeste nabestaanden van Holocaust-slachtoffers kloppen bij de banken aan met vage aanwijzingen over haastig gefluisterde zinnetjes in concentratiekampen, over jeugdherinneringen aan vrienden van de familie die voor vertrek naar Zwitserland langs kwamen en zaten te smoezen met ouders. Harde bewijzen hebben de banken altijd geëist - volgens Bower omdat ze wisten dat die er nauwelijks waren.

Er kan, is Bowers conclusie, slechts één reden zijn dat de Zwitserse banken, vermaard om hun zorgzame boekhouding, zo huiverig zijn om opheldering te geven. Die reden is niet het bankgeheim, waarmee te pas en te onpas wordt geschermd. Nee, achter de zwijgzaamheid gaat een veel groter geheim schuil. Bankiers hebben zich ten koste van de slachtoffers van de Holocaust verrijkt. Rekeningen zijn verdwenen en bezittingen uit kluizen gestolen in de veronderstelling dat de rechtmatige eigenaren toch nooit meer zouden komen opdraven.

Deze stelling valt moeilijk te bewijzen, vooral niet in individuele gevallen. Maar Bower komt wel met overtuigende aanwijzingen. In Zwitserse archieven vond hij documenten waaruit bleek dat de banken al in 1937 ophielden met het betalen van rente op 'buitenlandse tegoeden'. Ook de geheime deal die na de oorlog met het communistische Polen werd gesloten laat de subtiliteit zien waarmee Zwitserse bankrekeningen van de aardbodem verdwenen: Zwitserland gaf al het geld van Poolse joden (maar niet de namen van de rekeninghouders!) aan de Poolse regering in ruil voor de garantie dat individuele Polen nooit meer bij de Zwitsers zouden kunnen aankloppen voor hun geld. In ruil voor deze 'gunst' eisten ze hetzelfde bedrag terug van Polen, om de nationalisatie van Zwitserse bedrijf te compenseren.

Arrogantie

Bower beschrijft hoe Zwitserland tot op de dag van vandaag steeds weer probeert de beschuldigingen naast zich neer te leggen. Hij geeft ook een reconstructie van de recente ontwikkelingen die hebben geleid tot de aarzelende schuldbekentenis van de Zwitsers. Het risico is groot dat zijn boek daardoor vrij snel veroudert. De storm over Zwitserland is voorlopig nog niet uitgeraasd. Internationale historische, juridische en financiële commissies die het Zwitserse oorlogsverleden onderzoeken hebben nog geen enkele conclusie getrokken. De fondsen die Zwitserland in het leven roept of nog wil roepen om het ergste onheil af te wenden zijn nog niet in werking getreden. Afgelopen woensdag nog werd Rolf Bloch, leider van de Zwitserse federatie van joodse congregaties, benoemt tot voorzitter van een van de fondsen.

Niet bekend

In mei verschijnt bij Balans een Nederlandse vertaling van 'Bloodmoney', getiteld: 'Nazigoud, de sinistere bankgeheimen van Zwitserland'.