Het moet aan een spijker kunnen hangen, hè; Gesprek met Hans Sonnenberg van de 35-jarige galerie Delta

“Er gaat niets boven een goed schilderij”, zegt Hans Sonnenberg van de Rotterdamse galerie Delta. Zijn galerie, die 35 jaar bestaat, heeft zich gespecialiseerd in schilderkunst, van Rotterdammers als John van 't Slot en Ron van der Ende tot internationale sterren als Basquiat en Hockney. “Die rotinstallaties, dat vind ik niets. Een zaal vol suikerbieten exposeren, wat is dat nou?”

Delta Werken, 35 jaar Galerie Delta Rotterdam. Kunsthal, Westzeedijk 341, Rotterdam. T/m 15 juni. Di t/m za 10-17u, zo 11-17u.

Rotterdamser kan het haast niet: de galeriehouder die al meer dan dertig jaar de belangrijkste nationele en internationale ontwikkelingen in de schilderkunst in Rotterdam laat zien, begon als scheepsbevrachter. Toen de Rotterdamse Kunstkring in 1962 aan Hans Sonnenberg vroeg om de zieltogende galerie van de Kring (in de kelder) onder zijn hoede te nemen, was hij cargadoor. En dat is hij tot 1972 gebleven, terwijl hij daarnaast zijn galerie had. “Ik heb een dubbelleven geleid,” zegt Sonnenberg (70) in zijn galerie, die hij Delta doopte.

Hij heeft niet alleen wat werk betreft een dubbelleven geleid. Hij is ook in culturele kring op twee niveau's actief: hij bracht en brengt zowel jonge Rotterdamse kunstenaars als nieuwe internationaal opkomende schilders. Een sprekend voorbeeld daarvan was zijn expositie in 1982 van schilderijen van de toen nog praktisch onbekende Jean Michel Basquiat, die inmiddels overleden is. “Het was puur toeval dat ik hem in New York op een tentoonstelling tegen het lijf liep. Ik had echt het gevoel: ik sta tegenover een genie. Ik heb hem onmiddellijk voor een expositie in Rotterdam gevraagd. Dat is gelukt. Ik bood zijn werk voor twintigduizend gulden aan, ook Museum Boijmans heb ik er op gewezen. Maar ze waren niet zo geïnteresseerd. Nu kun je zulke werken niet voor onder de vier ton krijgen”, zegt Sonnenberg.

De tentoonstelling Delta Werken, die ter ere van het 35-jarig bestaan van de galerie in de Kunsthal Rotterdam is ingericht, toont een greep uit de werken die Sonnenberg sinds 1962 heeft verkocht. En het oogt vanwege zijn internationale belangstelling als een stoomcursus in na-oorlogse avant-garde schilderkunst. De vaderlandse avant-garde uit de jaren vijftig vormt het beginpunt, met 'informele' kunstenaars als Kees van Bohemen, Jaap Wagemaker en Jan Schoonhoven, en werk van Cobra-schilders als Constant, Karel Appel en Hugo Claus. Direct daarop komt de Kunsthalbezoeker de internationale avant-garde tegen. Er hangt werk van Britse en Amerikaanse pop-art kunstenaars uit de jaren zestig en zeventig als Peter Blake, David Hockney en werk in oplage van Andy Warhol en Tom Wesselman. En ook van vertegenwoordigers van de 'Rotterdamse variant van de pop-art', met Daan van Golden en Woody van Amen als bekendste representanten. Zij en andere toentertijd jonge Rotterdammers als Jacob Zekveld en Wim Gijzen kregen de kans bij Sonnenberg te exposeren.

Heftige schilders

In de Kunsthal hangen ook een paar schilderijen van Amerikaanse hyperrealisten, een uitloper van de pop-art, die nauwgezet foto's naschilderden. Maar expressionistische doeken hebben toch de overhand. Zoals die van de Duitse 'heftige schilders' als Bernd Koberling en Rainer Fetting en schilderijen van de 'jonge Italianen' onder wie Sandro Chia en Mimmo Paladino.

Sonnenberg heeft een duidelijke voorkeur voor schilderkunst. Werken van conceptuele kunstenaars zijn niet in de Kunsthal te vinden, objecten zijn schaars. “Jaaa,” zegt hij, “Het moet aan een spijker kunnen hangen, hè. Er gaat niets boven een goed schilderij.” Bijna had hij op licht spottende toon 'burgerlijk' in plaats van 'goed' willen zeggen, maar hij corrigeert zichzelf. “Die vervelende rotinstallaties, dat vind ik niets. Een zaal vol suikerbieten exposeren, wat is dat nou? Je kunt er ook nog een speelgoedtreintje doorheen laten rijden. En ze doen er allemaal aan mee, die musea.” Hij heft quasi-wanhopig zijn handen ten hemel.

“De Fauves en de leden van Die Brücke, dat vind ik nog altijd mooie schilders,” zegt hij. Die voorkeur voor expressionistisch geschilderd, en na een abstract begin, figuratief werk is hij trouw gebleven in zijn expositiebeleid bij Delta. Hij kan er ook met onderkoelde humor commentaar op geven. Drie jaar voor zijn dood exposeerde de 54-jarige Kees van Bohemen in 1982 in Delta heftig geschilderde abstracties van een golfbreker, die de schilder vanuit zijn woning in Scheveningen kon zien. Sonnenberg zei daarover in een vraaggesprek in deze krant: 'Sommige bezoekers denken aan een schilder die vijfdimensionaal bezig is, die veelvuldig aan transcendente meditatie doet of zich heeft verslingerd aan de theosofie. Maar wat u ziet is gewoon de zee.'

Sonnenberg is van jongsaf aan geïnteresseerd in moderne kunst. “Mijn vader was zeeofficier en meestal buitengaats. Mijn moeder hechtte veel waarde aan een goede inrichting, dus waren er thuis veel tapijten, Delfts-blauw en antiek. Ik kreeg van de weeromstuit een hekel aan antiek en dacht: ik wil hedendaagse dingen.”

Hij werd als jonge cargadoor al snel een kleine verzamelaar en leerde kunstenaars als Jan Schoonhoven, Kees van Bohemen en Jaap Wagemaker kennen. Via Gust en 'Nelletje' Romijn van de Kunstkring kwam hij in contact met de Italiaanse avant-garde kunstenaar Piero Manzoni, de man die niet alleen zijn poep in een blikje (Merda d'artista) als kunst aanbood, maar ook volkomen witte schilderijen maakte. Zeventien witte schilderijen werden in 1958 in de net fris wit geschilderde expositieruimte van de Rotterdamse Kunstkring geëxposeerd. De samenwerking tussen Manzoni, Sonnenberg en Gust en Nel Romijn verliep zo goed, dat ze besloten een kunstbeweging op te richten: Zero, groupement international de l'art d'aujourd'hui - kortweg Zero, zo genoemd om aan te geven dat iets 'vanaf nul moest worden opgebouwd'.

Sonnenberg organiseerde 'als een soort promotor' exposities in Milaan en Antwerpen voor deze Rotterdamse Zero-groep. Avant-garde kunstenaars van verschillende stromingen kwamen hierin (en deels later in de internationale Zero of Nul-beweging) bij elkaar: abstract-expressionisten als Van Bohemen en Romijn, informele 'materieschilders' als Jaap Wagemaker, reliëfbouwer Jan Schoonhoven, monochrome schilders als Manzoni.

“Ik leerde wat later Asger Jorn, de Cobra-schilder kennen, die weer bevriend was met Fontana, de schilder die in zijn doeken sneed. Hun werk lijkt totaal niet op elkaar, en toch waren ze goede vrienden. Kunstenaars zelf denken niet zo in strominkjes, en ik zie het ook meer als een grote beweging,” vertelt Sonnenberg in zijn galerie die sinds 1977 aan de Oude Binnenweg is gevestigd. Zijn brede visie klinkt ook door in de naam van zijn galerie, Delta: een gebied waar stromingen samen komen.

Genie van de eeuw

Vrijwel alle nieuwe stromingen in de schilderkunst waren in een vroeg stadium te zien bij Sonnenberg. Alleen de laatste jaren is hij minder actief op het vlak van de internationale kunst. Hij toont in zijn galerie, waar de vrouw van schilder Van Bohemen, Els hem assisteert, vooral werk van Nederlandse kunstenaars, meestal Rotterdammers, zoals John van 't Slot, Ron van der Ende, Burgert Konijnendijk en Arie van Geest. “Nederland speelt geen rol in de internationale kunsthandel,” verklaart Sonnenberg. “Toen de prijzen begin jaren tachtig steeds verder begonnen te stijgen, werd het steeds meer eenrichtingverkeer. Als ik in Amerika kwam kon ik daar wel het genie van de eeuw krijgen, maar kunstenaars uit Nederland, daar waren ze niet in geïnteresseerd. Toen dacht ik: daar stop ik mee. Er zijn genoeg interessante Nederlandse jonge kunstenaars van wie ik werk kan laten zien. Overigens doet het me deugd dat er wel weer meer Nederlandse kunstenaars zijn waarmee je internationaal voor de dag kunt komen. Eerst waren het alleen maar Appel en Corneille, daarna lange tijd alleen maar Dibbets en Van Elk, maar tegenwoordig kun je ook met Marlene Dumas, Hans van der Hoek en John van 't Slot goed aankomen.”

Werk van jonge Duitse schilders, die vanaf 1980 populair werden, verkoopt hij ook niet meer. “Althans niet werk van na 1985. Je merkt dat ze in een slijtageslag komen, die schilders, ze struikelen over hun eigen benen. De kwaliteit van hun werk wordt minder.”

Bovendien is veel werk van kunstenaars uit het buitenland te duur voor Nederlanders. Hij weet uit ervaring dat Nederlanders weinig uitgeven aan kunst. “Ze zijn wel nieuwsgierig, maar besteden hun geld liever aan wat anders. Belgen zijn anders. Als er een nieuwe hoed in de mode is, gooien ze hun oude hoed weg om een nieuwe te kopen.”

Alleen verzamelaars vormen een uitzondering op het zuinige Nederlandse kunstpubliek - maar zoveel verzamelaars heeft Nederland niet. Veel meer dan vijftien zijn het er volgens Sonnenberg niet.

Vaandrager

Vanaf het begin heeft hij mede door zijn connecties in de haven, kunst en kapitaalkrachtig geïnteresseerden bij elkaar weten te brengen. Zo organiseerde hij in zijn eerste jaar als galeriehouder met steun van Rotterdamse scheepvaartbedrijven een groepstentoonstelling met als thema 'De zee', met werk van onder anderen Van Bohemen, Claus, Ficheroux en Schoonhoven. Bij die expositie verscheen, en dat was bijzonder in die tijd, een catalogus, met naast de afbeeldingen van de getoonde werken gedichten van Picabia, Roland Holst, Vaandrager en Verhagen.

De landelijke en lokale overheid in Nederland onderkennen volgens Sonnenberg te weinig het belang van met zorg opgebouwde kunstcollecties. Ze doen volgens hem veel te weinig doen om belangrijke collecties te behouden voor Nederland. “Wat mensen na jaren zorgvuldig verzamelen hebben opgebouwd, raakt door desinteresse van de overheid soms versnipperd. In Hengelo woonden Alice en Hans de Jong die een grote kunstcollectie hebben. Toen ze begin jaren zeventig naar Zwitserland verhuisden waren ze bereid een groot deel van hun collectie, onder andere Cobra, hier te laten, als er een speciaal gebouw voor zou komen. Je zou denken: het Twents Museum stapt erin om de collectie aan onderdak te helpen. Nou, vergeet het maar. Of neem de collectie Peijnenburg, van de koekfabrikant. Daar zou de gemeente Geldrop een mooi museum aan kunnen hebben overgehouden, als ze bereid waren geweest daar wat voor te doen. Maar ook dat zat er niet in.”

Het is stil in Sonnenbergs galerie. Gedurende het vraaggesprek is er niemand komen kijken naar de geëxposeerde werken. “Het is na een opening soms zo stil dat je hier wel je schoenen wilt gaan zitten opvreten,” zegt Sonnenberg. Dat hij het toch zo lang heeft volgehouden als galeriehouder komt, zegt hij, omdat hij van schilderijen houdt. “En omdat er een paar geïnteresseerde verzamelaars zijn, die ik adviseer. Daar doe je het voor. Je helpt ze mee een collectie opbouwen. Dat maakt het de moeite waard.”

    • Paul Steenhuis