Helaas geen hiernamaals

A.J. Dunning: Stof van Dromen. Meulenhoff, 224 blz. ƒ 36,90

In twaalf opstellen schrijft de arts Dunning over 'lichaam en ziel', 'hemel en aarde', 'de grenzen van de kennis', 'het hiernamaals', 'het lijden' en nog een paar kleinigheden. Dunning voert geen tentoonstelling op van eruditie en Schöngeisterei, hoe welbelezen en doordacht zijn argumentaties ook mogen zijn. En evenmin etaleert hij een alomvattend principe, of het moet de blijvende bezorgdheid van een oude hovenier zijn. Gebogen maar met lichte tred loopt hij langs de vraagstukken van de evolutieleer, de moleculaire biologie, de relativiteitstheorie en kunstmatige intelligentie en geeft hij met vermijding van beroepsjargon de lezer kort en goed een indruk van de stand der zaken op die terreinen. Toch zijn Dunnings uiteenzettingen niet alleen knappe popularisaties van ingewikkelde wetenschappelijke problemen. Ethische scrupules en esthetische appreciatie vormen een onlosmakelijk bestanddeel van zijn rondgang door wat de uitgever aardig 'het niemandsland tussen oude religie en nieuwe wetenschap' noemt. Zijn opvattingen over de mens en zijn werken zijn solide maar niet doctrinair.

Dat niemandsland zoekt Dunning op in het mausoleum van Lenin in Moskou, in het planetarium van Franeker, in het voormalige getto in Venetië, onderaan de klaagmuur in Jeruzalem en bovenop de Mont Ventoux. Steeds zijn concrete ervaringen uitgangspunt, en vaak ook toetssteen van de overwegingen. Zo is een bezoek aan het graf van een dierbare op de begraafplaats Zorgvlied aanleiding tot een mijmering over de hemel waar de inscripties op zoveel stenen van spreken. 'Trennung ist unser Los, Wiedersehn unsere Hoffnung' staat ergens in marmer gebeiteld. Dunnings gedachten dwalen van het verval tot stof dat hem als arts goed bekend is tot de hemelse dromen die Rogier van der Weijden en Fra Angelico geschilderd hebben. Hij laat goedkeurend de christelijke speculaties over vergelding en verzoening in hel en hemel aan zijn oog voorbij trekken, maar aanvaardt tenslotte, na zijn bloemen te hebben bezorgd, de terugtocht. 'Ik weet dat wij elkaar nooit weerzien. De hemel is een vrome wens en geen belofte'.

Die beweging van religieuze verbeelding naar forse werkelijkheidszin, soms in de ene en dan weer in de andere richting, vindt men voortdurend in de bundel. Dunning heeft geen vertrouwen in de apocalyptische mythes die de ongelukkige mensen een hiernamaals voorhouden waarin de tranen gedroogd worden. Maar hij hecht ook geen geloof aan de triomfantelijke bewering waarmee Stephen Hawkings zijn A Brief History of Time (1988) eindigt: namelijk dat we, als we erin slagen een sluitende wetenschappelijke theorie van het heelal te formuleren, achter het antwoord op het waarom van het bestaan van mens en heelal komen. De mensen moeten er mee leven dat het heelal geen boodschap aan hen heeft, vindt Dunning. Maar of ze dat kunnen, dat betwijfelt hij.

Voor een vergelijkbare combinatie van natuurwetenschappelijke kennis van zaken en maatschappelijke belangstelling, met mededogen en met een preciese pen opgetekend, moet men in Nederland teruggaan tot de dagen van de antropobioloog A. de Froe en de fysicus Hans Freudenthal die een kleine twintig jaar geleden ongemakkelijke aantekeningen van het bestaan bijhielden.