Handel vertrekt bij invoering volgrecht

'Volgrecht' heet de aanspraak van beeldende kunstenaars op een vergoeding wanneer hun werken worden doorverkocht. De Nederlandse regering wil er niets van weten, maar lijkt overstag te moeten op grond van de Europese besluitvorming.

AMSTERDAM, 18 APRIL. 'Vind je het niet een schandaal zooals ermee gesold is. 't Is bar met die prijzen. Allemaal bijna gegeven of gestolen goed op eenige uitzondering na'. Zo mopperde de populaire schilder en graficus Jan Toorop in 1927 in een brief aan een kennis over het feit dat vroege werken van hem op recente veilingen hoge prijzen hadden opgebracht die niet in verhouding stonden met wat hij er oorspronkelijk voor had ontvangen.

Eveneens in de jaren twintig besloot Frankrijk daar wat aan te doen. Het stelde als eerste het 'volgrecht' in (droit de suite), een onvervreemdbaar recht van een kunstenaar, of gedurende zeventig jaar diens erfgenamen, op een geldelijk voordeel bij de verkooptransactie van een van zijn oorspronkelijke werken. Aanvankelijk gold het alleen voor openbare verkopingen maar in 1957 werd het uitgebreid tot elke verkoop door bemiddeling van een handelaar. In 1948 werd het volgrecht opgenomen in de Berner Conventie het eerste grote multilaterale verdrag over de bescherming van werken van letterkunde en kunst. De aangesloten staten zijn echter vrij het al dan niet in te voeren. In 1980 diende de Vereniging voor auteursrecht in Nederland een voorstel in om het volgrecht in de wet op te nemen, maar de regering voelde daar niets voor. Onlangs adviseerde de Raad voor Cultuur toch weer positief, maar de Commissie auteursrecht bracht een vernietigend deskundigenbericht uit. In Groot-Brittannië moet men niets hebben van het volgrecht evenals in andere knooppunten van de internationale kunsthandel zoaals de VS en Zwitserland.

Inmiddels hebben elf van de vijftien lidstaten van de Europese Unie het voorbeeld van Frankrijk wél gevolgd. Vorig jaar diende de Europese Commissie een voorstel in om het volgrecht binnen de hele Unie in te voeren. Vorige week ging het Europees Parlement daarmee akkoord. Een belangrijk argument van de indieners is de achterstelling van beeldend kunstenaars ten opzichte van andere kunstenaars. Filmmakers en componisten profiteren in beginsel van iedere hervertoning.

De tegenstanders betogen dat wederverkoop van een kunstwerk, en dus het recht op vergoeding, volstrekt toevallig en onvoorzienbaar is. De verplichte vergoeding wordt om praktische redenen bovendien vaak uitgedrukt in een percentage van de verkooprijs. Wat is er billijk aan het toekennen van een vergoeding wanneer het werk niet meer maar minder waard is geworden? Het klassieke Franse argument dat het niet aangaat de kunstenaar of diens erven te laten verkommeren terwijl anderen zich te goed doen aan zijn werk (Van Gogh, Gauguin, Millet), gaat niet meer op in de moderne verzorgingsstaat met zijn stipendia en één-procentsregelingen.

Een apart punt vormt het bureaucratisch karakter van de heffing. Kunstenaars kunnen de inning moeilijk zelf verzorgen zodat er een organisatie voor moet komen. De kritiek op dit soort constructies neemt de laatste tijd juist toe, al was het alleen omdat deze zogeheten 'eigen recht instellingen' de neiging vertonen een eigen agenda te ontwikkelen buiten de aangesloten auteurs om. Vlak ook de inningskosten niet uit.

Het gevaar is niet denkbeeldig dat de handel in stukken waarop het Europese volgrecht rust, zich zal verplaatsen naar landen als de Verenigde Staten en Zwitserland. Zelfs bij lagere prijsniveaus kan het al lonend zijn uit wijken, erkent de Raad voor Cultuur.

De Amsterdamse taxateur Jef Hagen tilt zwaar aan het uitwijkeffect: “het verzekerd verzenden van een litho van M.C. Escher, geschatte opbrengst 15.000 gulden, naar een veiling in New York is aanmerkelijk voordeliger dan het betalen van zeshonderd gulden volgrecht in Nederland. Zo kan men schier eindeloos doorgaan.” Het logisch gevolg is volgens Hagen dat Zwitserse veilinghuizen serieus gaan denken over het openen van innamekantoren elders in Europa. Het argument dat een Europees volgrecht onontkoombaar is nu elf van de vijftien lidstaten van de Unie het al hebben ingevoerd, is in elk geval niet sterk, zegt de Commissie Auteursrecht: in een aantal van die landen is het een dode letter gebleven. De Europese Commissie noemt zelf al de Italiaanse wet uit 1941, die zo ingewikkeld is dat hij nog nooit is toegepast.

Minister Sorgdrager (justitie) is niet overtuigd door de argumenten van de Europese Commissie. Zij houdt vast aan haar verzet tegen invoering van het volgrecht en rekent daarbij op de steun van Groot-Brittannië en Ierland. Een probleem is wel dat een gekwalificeerde meerderheid voldoende is om het aan te nemen. “Het is daarom reëel er nu al rekening mee te houden dat het volgrecht er te zijner tijd komt”, schreef de bewindsvrouw vorige maand aan de Tweede Kamer.

Het samenwerkingsverband van organisaties op het gebied van de kunsthandel maakt zich niet in de laatste plaats zorgen over cumulatie van beperkende bepalingen voor de kunsthandel. De werking van het auteursrecht is vanuit Brussel zojuist verlengd tot zeventig jaar na de dood van de kunstenaar. Dat maakt nogal wat verschil voor het volgrecht van kunstenaars van deze eeuw, rekent Hagen voor: “Fauvisten als De Vlaminck en Van Dongen zijn pas in 2028 en 2038 vrij”. En dan is er ook nog het omstreden Unidroit-verdrag over de teruggave van illegale cultuurgoederen dat schaduwen werpt over de kunstmarkt. Van dat verdrag is minister Sorgdrager overigens wel voorstander.