George Gordon Byron (1788-1824); Gretig, gejaagd en onzeker

Phyllis Grosskurth: Byron. The Flawed Angel. Hodder & Stoughton

510 blz. ƒ 87,- / Houghton Mifflin, ƒ 76,60

Een vormeloze massa botten en vlees - toen Byron en zijn vrienden het rottende lichaam van hun compaan Edward Williams wilden optillen, lieten armen en benen los en vielen in het zand. Williams was samen met de dichter Shelley verdronken voor de kust van La Spezia, en nadat de lijken op een flinke afstand van elkaar waren aangespoeld, hadden ze enkele weken in een voorlopig graf op het strand gelegen. 'Is dat het lichaam van een mens?', riep Byron uit, terwijl ze het lijk op een geïmproviseerde brandstapel legden. 'Het lijkt meer op het karkas van een schaap of een ander dier dan op dat van een mens. Dit is een satire op onze trots en dwaasheid. De ingewanden van een worm blijven langer bijeen dan de klei waarvan de mens is gemaakt.' Zoals meestal bij hem, maakt Byrons ontzetting al gauw plaats voor bravoure. 'Doe dit niet met mij', zei hij tegen Edward Trelawny, de zeebonk die later alles in zijn memoires zou optekenen, 'laat mijn karkas maar rotten waar het neergevallen is.' Vervolgens trok hij zijn kleren uit en rende de zee in. Zijn hele leven lang zwom Byron zijn zorgen van zich af.

De volgende dag dook hij weer het water in, terwijl op het strand het onherkenbaar geworden lichaam van Shelley brandde. Toen de eerste vlammen oplaaiden, had Byron aan Trelawny gevraagd of hij de schedel als aandenken mocht hebben. Die weigerde; hij herinnerde zich dat Byron tijdens zijn wildste jaren in Engeland een menselijke schedel als drinkbeker had gebruikt. Het duurde lang voordat het lichaam verast was, vooral het hart bleef lang onvatbaar voor het vuur. Shelley's hersenen borrelden en bubbelden als een stoofpot. Naderhand, toen Byron en zijn vrienden huiswaarts reden door de bossen van Pisa, onstond in het rijtuig een hysterisch uitgelaten stemming.

Zoals de meeste mensen kon Byron niet naar een lijk kijken zonder aan zijn eigen dood te denken - maar bij hem ging het veel verder. Een lichaam dat in staat van ontbinding verkeerde, was voor hem meer dan alleen een schrijnend memento mori. Toen in 1811 zijn moeder overleed, een intelligente maar weinig praktische vrouw, aanschouwde hij haar ontzielde lichaam met dezelfde existentiële weerzin als hij later aan de Italiaanse kust de lichamen van zijn vrienden zou doen. Aan John Cam Hobhouse, de jeugdvriend die hem zijn leven lang trouw bleef, schreef hij: 'terwijl ik de Ontbindende Massa gadesloeg, die het wezen is geweest waaruit ik voortkom, twijfelde ik bij me zelf of ik was, of dat Zij niet was.'

Ook zijn eigen vlees was zwak, daar was hij zich pijnlijk van bewust. Zijn misvormde voet herinnerde hem voortdurend aan de sterfelijkheid van het vlees. In Byron; The Flawed Angel, de eerste grote biografie van Byron na de even monumentale als volumineuze drie delen van Leslie Marchand uit 1957, geeft Phyllis Grosskurth de beroemde voet weer de centrale plaats die hij in de post-Freudiaanse tijd kwijtgeraakt leek te zijn. Byron, schrijft Grosskurth in haar proloog, beschouwde zichzelf als een gevallen engel, gefnuikt in zijn hemelbestormende aspiraties, gekluisterd aan het o-zo vergankelijke aardse leven, gedoemd tot het kwade. Zijn mankheid - door hemzelf veelvuldig overdreven, terwijl hij aan de de andere kant in het dagelijkse leven zijn voet krampachtig probeerde te maskeren - was voor hem het symbool van zijn gevallen staat, zijn eeuwige buitenstaanderschap.

Byron vergrootte dat zelfbeeld uit tot een dichterlijke tragedie die te romantisch was om helemaal oprecht te zijn; ziedaar de paradox in zijn wezen en de sleutel tot zijn onweerstaanbare uitstraling in zijn eigen tijd. Met instemming citeert Grosskurth Lord Holland, een van Byrons invloedrijke tijdgenoten, die beweerde dat de dichter Byron er in bedreven was anderen te laten voelen wat hij zelf niet voelde. Zijn poëtische alter ego, de verdoemde aristocratische banneling Childe Harold, bezorgde Byron in 1812 een Europese literaire sterstatus die je gerust met die van een popzanger kunt vergelijken. Zijn broeierig oriëntalistische gedichten waren stuk voor stuk bestsellers. Meisjes hielden plakboeken over hem bij, getrouwde vrouwen boden zichzelf aan, jaloerse minnaressen als Lady Caroline Lamb maakten scènes in de salon.

Wat voelde hij werkelijk? Byron dichtte zoals andere mensen aan de telefoon hangen. Hij ging zitten en schreef - overal waar hij was, in een gehuurde kamer in Londen, in een herberg op reis, in een palazzo - bijna letterlijk tot aan zijn laatste snik, in het moerasachtige stadje Missolonghi, tijdens de desastreuze campagne in de Griekse onafhankelijkheidsstrijd. Nooit worstelde hij met de woorden, slechts af en toe veranderde hij iets. Zijn dichtkunst was een soort geestelijk freewheelen - veel van zijn verzen zijn opwindend enkel en alleen door de vaart waarmee je wordt meegesleept. Het was ook een performance, in zijn hoofd zag hij ook altijd het publiek dat zijn regels zou lezen.

In zijn vroege poëzie - de eerste twee canto's van Childe Harold's Pilgrimage en oriëntaalse vertellingen als The Corsair en The Giaour - poseerde Byron als de Indiana Jones van de Engelse poëzie. Alles stond in teken van de beweging: de verzen holden vooruit, gevoelens werden opgeblazen tot meeslepend melodrama, de avontuurlijke gebeurtenissen buitelden over elkaar heen. Alleen waren zijn helden geen zorgeloze vrijbuiters, maar trotse ballingen die een naamloos Duister Geheim bij zich droegen en de samenleving met zijn institutionele onderdrukking en wreedheid honend de rug hadden toegekeerd. Later in zijn leven, toen het lot hem een paar rake klappen had toegediend, lukte het Byron zijn blik scherper te richten, zowel naar buiten als naar binnen. In de zeventien canto's van Don Juan, geschreven toen hij Venetië en Ravenna de rol van cavaliere servente speelde voor de Italiaanse gravin Teresa Guiccioli, laat hij de wereld zien zoals hij is - vol komische dwaasheid, zinloze ambities, pretenties en machinaties, absurde liefdes en berekenende wreedheid. Het is zijn Comedie Humaine, en samen met zijn verzamelde brieven, zijn meesterwerk. De korte, intieme gedichten die hij in diezelfde, laatste periode schreef om de emotionele hoogte en dieptepunten in zijn leven vorm te geven, zijn minder geposeerd dan zijn vroege gedichten, schrijnend door hun authentieke toon van verlatenheid.

Dagboek

Maar Byron moest blijven bewegen, voor hem was dat van levensbelang - tot aan het einde. Vandaar dat zijn leven, zeker wanneer dat zo gestroomlijnd wordt neergezet als in Grosskurths boek, de indruk maakt van een voorbijschietende komeet. Wanneer Byron stil stond, dat wil zeggen wanneer hij niet dichtte, niet in een heftige romance verwikkeld was of niet op reis was, dan opende zich direct een afgrond in zijn hoofd. In het provinciale Ravenna, waar hij zo'n twee jaar in de buurt van La Guiccioli en haar familie verkeerde, probeerde hij orde aan te brengen in zijn geest door een dagboek bij te houden. De man die de reputatie had een van de spannendste levens ter wereld te leiden, moest toen constateren dat hij zich zijn hele leven verveeld had. 'Hoe komt het toch dat ik mijn hele leven min of meer ennuyé ben? en dat ik dat nu zo mogelijk minder ben dan toen ik twintig was, voor zover ik me herinner? Ik weet niet hoe ik dit moet verklaren, maar neem aan dat het aangeboren is - net als somber wakker worden, wat me al jaren onveranderd overkomt. Matiging en lichaamsbeweging, waar ik me soms, en lange tijd heftig en hartstochtelijk, aan overgegeven heb, hebben weinig uitgemaakt. Hartstochtelijke liefdes wel. Wanneer ik onder hun directe invloed was - het is vreemd, maar dan was ik nerveus maar niet teneergeslagen.'

Grosskurth bewaart een zekere afstand tegenover Byrons persoonlijkheid. Het is alsof ze zich heeft voorgenomen om hem niet, zoals al die dweepzieke minnaressen, alles meteen maar te vergeven. Ze portretteert hem als een manische persoonlijkheid, heen en weer geslingerd door krachten waar hij niet of nauwelijks vat op heeft. Dat beeld is geloofwaardig: Byron was niet de romantische held, die onvervaard het avontuur zocht, hij was een onzekere persoonlijkheid die voortgedreven werd, steeds verder, steeds naar iets nieuws, zodra het oude te vertrouwd dreigde te worden.

Deze biografe moet het niet hebben van nieuwe gegevens over het leven van de dichtende lord. Ze heeft weliswaar inzage gehad in tot nu toe ontoegankelijke archieven van de familie van Byrons haatdragende vrouw, maar veel nieuws over Byron leveren die niet op. Nieuw is vooral de houding van de biografe ten opzichte van haar onderwerp: ze ontmantelt kordaat de romantische mythe, accepteert Byrons seksuele ambivalentie als vanzelfsprekend, en verliest zich niet te veel in de details waar Byron-dwepers geen genoeg van krijgen. Tegelijkertijd toont ze opvallend weinig begrip of sympathie voor de wanhoop die vaak de directe oorzaak van zijn uitzinnige en schofterige gedrag was.

Wanneer Byron niet onder invloed verkeerde, van woorden of van hartstocht, was het leven ondraaglijk voor hem - dan dreigde hij onmiddellijk overweldigd te worden door een gevoel van zinloosheid. Een mens was de gevangene van zijn eigen, hopeloos beperkte lichaam. Buiten dat lichaam was er niets, geen god, geen verlossing, niets dan een grote, angstaanjagende leegte.

In Darkness, een relatief onbekend gedicht, geschreven toen hij Engeland en het schandaal van zijn rampzalige huwelijk (en de roddels over zijn incestueuze liefde voor zijn halfzuster Augusta) ontvlucht was, riep hij het beeld op van een universum dat verstoken was van licht. Alles is duisternis: The world was void,/the populous and the powerful was a lump,/ Seasonless, herbless, treeless, manless, lifeless -/ A lump of death - a chaos of hard clay. Het moet de wereld zijn geweest zoals Byron hem vaak genoeg werkelijk heeft ervaren, zoals hij in de lichamen van zijn vrienden en zijn moeder enkel nog een vleesklomp kon zien.

Sensatie

Er bestond ook een andere wereld, een wereld vol kleur en sensatie. Dat is de wereldse wereld van Don Juan. Wie zich daar in stort, belandt in een roes die hem even van zichzelf verlost. Een andere zin heeft het leven niet, stelde Byron in een brief aan Annabella Millbanke, vlak voordat hij zijn fatale huwelijk met haar zou sluiten. 'Het doel bij uitstek in het leven is Sensatie - te voelen dat we bestaan - al is het door pijn - het is die “schrijnende leegte” die ons aanzet tot Gokken - tot Vechten - tot Reizen - tot het tomeloos najagen van allerlei intens gevoelde zaken, waarvan de voornaamste aantrekkingskracht ligt in de opwinding die onverbrekelijk samengaat met het verwezenlijken ervan.' Gokken, vechten en reizen; Byron laat één hartstochtelijk en meeslepend tijdverdrijf zorgvuldig achterwege in de brief aan zijn aanstaande. Ze had gewaarschuwd moeten zijn.

Uit Byrons woorden volgt logischerwijs dat wie geen sensatie ondergaat, ook niet het gevoel heeft dat hij bestaat - en zo is het voor hem ook geweest. Meerdere malen in zijn brieven verklaart hij dat hij niet kan bestaan zonder iets of iemand lief te hebben; zijn hond Boatswain, de talloze minnaressen en al die jonge jongens die de onschuld in zich droegen die hijzelf voorgoed dacht te zijn kwijtgeraakt. Byrons romantische helden zochten de eenzaamheid, maar wanneer de dichter zelf alleen was, voelde hij al snel de duisternis van alle kanten aan zich opdringen. Kreeg een liefdesaffaire al te herkenbare contouren, dreigde er een zekere vertrouwdheid, dan kreeg hij het al gauw op zijn heupen. Wat dan uitkomst bood, was een hogere zaak, een verheven ideaal.

Byrons inzet voor de Griekse onafhankelijksstrijd was grotendeels het gevolg van het afsterven van zijn gevoelens voor Teresa Guiccioli. Zijn Griekse avontuur werd op grootse wijze ingezet; Byron liet een speciale helm met vederbos ontwerpen en een oorlogsschip uitrusten. Maar toen de expeditie roemloos ten onder ging in Missolonghi, temidden van liegende en bedriegende Griekse leiders en hebberige huurlingen, zocht Byron zich een laatste onderkomen in de liefde: in de maanden voor zijn dood in 1824 vatte hij een onbeantwoorde passie op voor zijn Griekse schildknaap Loukas, een jongen van vijftien - die een behoorlijk verwend nest moet zijn geweest, als je een beetje tussen de regels doorleest.

Toen Byron stierf, was hij zesendertig jaar oud, maar hij had het gevoel dat hij de honderd gepasseerd was. Het leven moest hij wel liefhebben, schreef hij, zijn instinct dwong hem daartoe, maar hij had geen energie meer. Al die jaren had hij het leven in beweging weten te houden, en meestal was de duisternis op een afstand gebleven. Altijd had zich wel een nieuwe zaak of nieuwe liefde aangediend om zich in te verliezen. Maar uiteindelijk was zijn strijd tegen de leegte tevergeefs gebleken. En er was niemand die dat met meer berusting accepteerde dan hijzelf. Dat is een van de redenen dat Byrons persoonlijkheid ook nu niets van zijn aantrekkelijkheid heeft verloren: de heldhaftige manier waarop hij na een verwoede strijd zijn nederlagen slikt, zijn elegante aanvaarding van het onvermijdelijke.

Zijn laatste grote angst was dat zijn lichaam na zijn dood aan stukken zou worden gehakt en terug naar het gehate Engeland werd gebracht - wat vanzelfsprekend gebeurde, ook al had hij iedereen in zijn omgeving laten beloven dat hij gewoon in een willekeurig gat in de grond zou worden gestopt. Maar bij zijn dood was Byron allang niet meer van hemzelf. Wat de biografie van Grosskurth overtuigend laat zien, is dat Byron overal waar hij ging als het ware een stuk van zichzelf achterliet. Niemand bleef ongevoelig voor zijn persoonlijkheid, sommigen haatten hem, anderen bewonderden hem, en nog meer mensen werden hals over kop verliefd op hem - en iedereen fabriceerde uiteindelijk zijn eigen Byron. Na 1824 groeide hij uit tot een Europese mythe, een cultus met in ieder land een nationale variant, maar al tijdens zijn leven kon niemand zijn handen van Byron afhouden. Zijn doen en laten werd uitvoerig beschreven en becommentarieerd in een eindeloze stroom brieven, dagboeken en sleutelromans - waarop later nog eens tientallen, sterk gekleurde gedenkschriften volgden van mannen en vrouwen die Byron ooit een hand hadden mogen geven.

Dat is een fascinerend fenomeen, en het duurt voort tot aan de dag van vandaag. Er gaat geen jaar voorbij of er verschijnt wel een roman waarin Lord Byron een hoofdrol speelt - als een pre-moderne existentialist, als een onverzadigbare seksmaniak, of als getourmenteerde vampier. Hij moet inmiddels de historische figuur zijn waar het vaakst fictie van is gemaakt. Begrijpelijk is dat wel, want Byrons verschijning blijft onweerstaanbaar, juist omdat hij er zelf maar niet achter kwam wie hij was. Wie in zijn ban raakt, krijgt onherroepelijk de neiging zijn persoonlijkheid naar eigen inzicht in te vullen. Een dergelijke neiging typeert mensen die verliefd zijn - en dat is ook precies de emotie die Byron na zijn dood nog steeds weet op te roepen.

De biografie van Grosskurth laat zien dat die liefde wel tegen een stootje kan. Nu de mythe van de held voorgoed lijkt te zijn ontkracht, zijn het juist Byrons wanhoop, zijn onvermogen om greep op het leven te krijgen, en de extreme, gejaagde gretigheid waarmee hij iedere dag, ieder moment probeerde te plukken, die je een gevoel van romantische opwinding bezorgt. Zijn kracht is dat hij ons onszelf doet vergeten, ons groter maakt dan we ons meestal voelen.