De strip sterft

Vorige maand is Flater's Boekenpaleis ter ziele gegaan. Achteraf had ik het kunnen zien aankomen. De treurnis achter de kassa werd bijna tastbaar. De aanschaf van een boekje was alleen nog maar aanleiding voor zwartgallige tirades tegen de samenleving. Dit geheel in tegenspraak met het belangrijkste product van het paleis: stripverhalen.

In de laatste vijf, tien jaren heb ik in Amsterdam misschien wel zes of zeven van deze winkels ten onder zien gaan. Niet de stripantiquaren - die diehards zullen ze moeten wegdragen - maar de kleine scharrelwinkels, waar in grofgesorteerde bakken de mooiste avonturen lagen die ooit getekend zijn. Geen vitrines met Kuifje in harde band, geen in folie verpakte eerste drukken van Archie, de man van staal. Nee, gewoon stapels beduimelde albums van Robbedoes en Kwabbernoot, van Johan en Pirrewiet en Lucky Luke - om te lezen.

Ik droomde wel eens over deze winkels, toen ik alle albums van de vrolijkste en mooiste series had gelezen. Dat ik in die bakken opeens nog een avontuur van Robbedoes en Kwabbernoot tegenkwam, dat ik niet kende. Een Rembrandt op zolder.

Eerst dacht ik nog dat het de sanering was van een overvolle markt. Er is in de jaren tachtig ook flink huisgehouden onder de notenbars, de kado-shops en de reformwinkels. Maar hun producten zijn van de 'speciaalzaak' verhuisd naar het warenhuis of de supermarkt. Strips niet. Goed, er liggen wel wat albums bij de Ako, maar dat zijn laagdrempelige quasi-lollige seksboekjes 'Rooie Oortjes', de automatische verhalen van Suske en Wiske, of het nieuwste avontuur van de inmiddels gemummificeerde Asterix.

De strip is aan het uitsterven. Of preciezer: de Europese avonturenstrip sterft uit. Tegelijk met de generatie tekenaars die hem geschapen en meteen vervolmaakt heeft. En tegelijk met die ene generatie lezers die ermee is opgegroeid, zo ruwweg tussen 1950 en 1975, met weekbladen als Pep, Robbedoes en Kuifje.

De generatie ervoor had er niks mee. Als ik aan mijn vader, die toch net zo hard als ik kon lachen om Monty Python's Flying Circus, een Guust Flater liet zien, trok hij een gezicht of ik hem een opgespelde vlinder voorhield - dat moest vast wel iets moois zijn voor de liefhebber.

De generatie erna schijnt liever naar de video of de computer te kijken. Die heeft de sluiting van al die stripwinkels op zijn geweten.

Enkele maanden geleden overleed de geestelijk vader van Robbedoes en Kwabbernoot en Guust, André Franquin. Dat was de afsluiting van een periode. Maar misschien wilde ik het nog niet echt geloven, tot ik hoorde van het plan voor een Nederlands Stripmuseum in Groningen. Het is natuurlijk bedoeld als eerbetoon aan een genre dat zichzelf wel trots 'de negende kunst' noemde. Maar het is ook de hemelvaart ervan.

Guust Flater wordt in Groningen opgebaard. Hij ruste in vrede.