De mechanismen

'Belediging van een bevriend staatshoofd', doen we daar nog aan? Behalve de omschrijving van een strafbaar feit is het een staande uitdrukking die dient tot het aanduiden van een bepaald soort laffige, ja, lullige houding van de overheid: die nederige voorkomendheid met een gezicht waaraan te zien is dat de eigenaar het bij voorbaat in zijn broek doet.

Dat er inmiddels een generatie is aangetreden die er geen flauw idee meer van heeft dat de uitdrukking bijna een halve eeuw zwaar beladen is geweest, bewijst alweer hoe snel de tijd gaat, hoe we spelenderwijs in een heel ander tijdvak zijn beland.

De laatste keer dat B.v.e.b.s. grote opschudding heeft veroorzaakt was in de jaren van Vietnam. In betogingen tegen de Amerikaanse politiek mocht het spandoek met het opschrift 'Johnson moordenaar' niet ontbreken. (Lyndon B. Johnson was de Amerikaanse president). Artikel 117 van het Wetboek van Strafrecht bepaalde dat wie een bevriend staatshoofd beledigde, tot ten hoogste vier jaar gevangenisstraf kon worden veroordeeld. De betogers vonden er iets op: in plaats van 'Johnson moordenaar' schreven en riepen ze 'Johnson molenaar'. Justitie radeloos.

Toen is de wet aangepast. Bevriende staatshoofden (dat zijn ze behalve Radovan Karadzic allemaal) kunnen volgens de wet van 25 maart 1978 alleen nog worden beledigd als ze binnen onze landsgrenzen zijn en daarbij in functie. Iedereen in Nederland kan president Chirac in Parijs, president Clinton incognito in Den Haag ongestraft beledigen. Maar president Jeltsin beledigen terwijl hij als president in Den Haag is: twee jaar gevangenis, ten hoogste.

Tot 10 mei 1940 was het niet zonder risico's als je in Nederland Hitler beledigde. Daarna werd het nog veel gevaarlijker, maar dat lag niet aan de Nederlandse overheid. Intussen waren er al allerlei omwegen gevonden om uitdrukking te geven aan je mening over de rijkskanselier. Bijvoorbeeld had hij in alle talen bijnamen gekregen. In het Chinees: Hang Kreng-hang; in het Spaans: Lopez de Zeeïn. Het was in de tijd dat je je Oranjegezindheid kon laten blijken door Worteltje boven! te roepen. Veel taalkundig vernuft is in het verzet geïnvesteerd. Dierbare vaderlandse geschiedenis.

Maar hoe kon het nu in de praktijk gaan met een overtreder van Artikel 117? In het deze week verschenen nummer van het tijdschrift De Parelduiker beschrijft Koos van Weringh de lotgevallen van de Duitse schrijver en journalist Heinz Liepman. In juni 1933, een half jaar na de machtsovername, heeft hij Duitsland verlaten. In december verschijnt bij de Nederlandse uitgever P.N. van Kampen en Zoon in Amsterdam zijn boek Das Vaterland, Ein Tatsachen Roman aus dem heutigen Deutschland. Daar weet de schrijver alles van. Ik heb het niet gelezen. Van Weringh schrijft: 'Ook de moderne lezer raakt onder de indruk van de mechanismen van de macht, die ertoe hebben geleid dat de stem van het verzet die er wel degelijk was, verstomde. Wie niet de Hitlergroet brengt als een muziekkorps voorbij komt, wordt inelkaar geslagen.'

De mechanismen van de macht: daar ging het om. Je kunt wel proberen, het met woorden als brutaal, hersenloos en doof nader uit te leggen, maar mechanisme is het best. In Duitsland wordt het boek meteen verboden. Liepman, die zijn naam dan nog met twee maal de n aan het eind schrijft, woont al in Parijs. Hij komt naar Amsterdam om bij De Arbeiderspers te praten over een Nederlandse vertaling. Hier wordt hij op 12 februari 1934 gearresteerd. Er wordt een vervolging tegen hem ingesteld 'wegens opzettelijke belediging van een bevriend staatshoofd'. Dat is dan nog Hindenburg, de Duitse president die overigens niets te vertellen heeft. De inhoud van de belediging heeft verhoudingsgewijs geen zware politieke lading. In Das Vaterland voeren twee personages een gesprek over enig financieel gesjoemel waardoor het oude staatshoofd zich ten onrechte verrijkt heeft. Niettemin wordt het nog bereikbare deel van de oplage in beslag genomen. De Officier eist twee maanden gevangenisstraf, de schrijver wordt veroordeeld tot één maand. Op 20 maart 1934 wordt hij op last van de minister van justitie het land uitgezet. 'Een rechercheur vergezelt hem in de trein tot de Belgische grens, vanwaar hij alleen zijn reis naar Parijs mag voortzetten.'

Van Weringh heeft, althans voor mij, een evocatief artikel geschreven. Voor alle zekerheid zeg ik het erbij: het gaat er niet om 'dat je het zelf hebt meegemaakt'. Het gaat om het mechanisme van de terreur en de bangheid bij voorbaat die de mensen ongewild, onbedoeld tot handlangers maakt. Vorig jaar heeft Salman Rushdie in de New York Times een artikel geschreven waarin hij zich beklaagt over de onverschilligheid die hem hoe langer hoe meer omgeeft. Dit is een tijd waarin je bij voorbaat alle stekels opzet als je maar een poging tot hype vermoedt. Je denkt: Man hou eens op met dat gekerm. Maar hij heeft gelijk. Alle staatshoofden zijn bevriend, belediging is afgeschaft; de mechanismen zijn er nog.