De held van Kinshasa; Leon Gast en 'When We Were Kings'

Het fameuze gevecht om de wereldtitel boksen tussen Muhammad Ali en George Foreman vond in 1974 plaats in Zaïre. In de weken daarvoor volgde filmmaker Leon Gast Ali door de straten van Kinshasa. Pas drieëntwintig jaar later voltooide hij zijn documentaire 'When We Were Kings', die vorige maand door Hollywood werd onderscheiden met een Academy Award. “Muhammad Ali's vrouw heeft me voor de Oscar-ceremonie toevertrouwd dat hij heel erg hoopte dat de film zou winnen. Ze zei: winnen betekent alles voor hem, net als vroeger”.

Heeft de Oscarwinnaar ooit gewanhoopt? “Vele malen. Elke keer als in die 22 jaar wéér een distributeur belangstelling had getoond voor mijn film, maar tenslotte dan toch weer nee zei. Elke keer als ik al trots aan mijn kinderen en collega's had verteld dat de film er eindelijk toch zou komen”.

Maar het is goed gekomen, meer dan goed voor Leon Gast (60). “Achteraf ben ik blij dat de film niet gewoon in de jaren zeventig is gemaakt.”

In 1974 vertrok hij naar Zaïre om een film te maken over Black Woodstock, een muziekmanifestatie in de marge van het wereldtitelgevecht boksen zwaargewicht tussen Muhammad Ali en George Foreman. In 1997 won hij een Oscar voor nog steeds dezelfde film, zij het dat die inmiddels over een ander onderwerp ging. In When We Were Kings, die woensdag in Amsterdam zijn Nederlandse première beleefde, speelt de muziek nog maar een bijrol. Het is een ode geworden aan Muhammad Ali in 1974 - tierend verdediger van zwarte rechten en de identiteit van zwarte Amerikanen.

Gast heeft het zwaarvergulde beeldje naar Amsterdam meegenomen, in een juten zak, want tegen zulk gewicht is geen koffer bestand. Met de energie van iemand die weet dat hij nu moet toeslaan om meer dan twee decennia gesappel om te buigen tot een voorspoedige carrière, wordt hij niet moe over When We Were Kings en zijn ontstaansgeschiedenis te vertellen. Gretig zit hij op een punt van de bank en praat zo jachtig, dat hij regelmatig buiten adem raakt.

“Ik ben al sinds 1971 documentaire-maker, en het is altijd moeilijk geweest om de eindjes aan elkaar te knopen. Nu ben ik veilig, mijn leven is veranderd. Niet alleen kan ik mijn auto nu in een garage parkeren, maar ik kan ook mijn volgende project uitkiezen, en financiering van de film ligt op me te wachten. Ongelofelijk toch? Eergisteren nog werd ik gebeld door Aretha Franklin. Of ik een film over Jesse Jackson wilde maken. Ik wilde eerst niet geloven dat ze het echt was.”

Van Dreamworks, de nieuwe studio van Steven Spielberg, hebben ze ook al gebeld. “De studio's in Hollywood hebben plotseling weer vertrouwen gekregen in de documentaire. Niet alleen worden documentaires in de VS weer in bioscopen uitgebracht, maar ze hebben ook een veel langer leven als video dan speelfilms”.

Dit zeer Amerikaanse verhaal, from rags to riches, begint in 1974. Don King, organisator van bokswedstrijden, weet George Foreman (26), de somberogende beuker en wereldkampioen zwaargewicht, te verleiden tot een gevecht om de titel tegen Muhammad Ali (32). Ali, al wat oud voor een prof-bokser, is het enfant terrible van de Amerikaanse bokswereld en lid van de zwarte Nation of Islam. Eerder verloor hij zijn titel omdat hij had geweigerd zich als dienstplichtige naar de slagvelden van Vietnam te laten sturen.

Don King belooft beide boksers ieder vijf miljoen dollar, die hij niet heeft. President Mobutu van Zaïre - dezelfde die een dezer dagen door rebellen uit de hoofdstad Kinshasa zal worden verdreven - is bereid tien miljoen voor te schieten. Drie procent van de jaarlijkse staatsbegroting van Zaïre besteedt Mobutu aan het binnenhalen van het gevecht Foreman-Ali - er zorg voor dragend dat de baten van de onderneming hem persoonlijk zullen toevallen.

In de kelders van het stadion, waar het gevecht zal plaatsvinden, is het bloed van de massa-executies ternauwernood weggespoten. De dictator is mede aan de macht dankzij de afdeling smerige zaakjes van de Amerikaanse geheime dienst CIA, die hem als nuttig tegenwicht ziet tegen marxistische neigingen in de buurlanden.

Aan Don King en de zijnen zijn zulke details niet besteed, en aan Ali al helemaal niet. Het zijn de dagen van zwart radicalisme. De ideologische implicaties van het gevecht in Kinshasa staan de organisatoren helder voor ogen: voor dit hoogtepunt in het leven van de zwarte gemeenschap van Amerika gaan de meest prominente vertegenwoordigers van die gemeenschap terug naar hun roots in Afrika. Het moet een manifestatie van Amerikaanse zwarte trots worden, op het continent van herkomst.

Dit is iets geheel nieuws, zoals Spike Lee in de film benadrukt. Nu is 'African Americans' een alleszins correcte aanduiding voor zwarte Amerikanen, maar in 1974 was een zwarte Amerikaan een 'Afrikaan' noemen nog een regelrechte belediging. Je hoort Ali in de film in 1974 regelmatig het woord 'negro' (neger) gebruiken, dat nu weer juist politiek-incorrect is.

Niet alleen de vechters gaan naar Zaïre, ook het puikje van zwarte Amerikaanse musici: James Brown (I'm black and I'm proud), de blues-legende BB King, Miriam Makeba. Het moet in Kinshasa een zwarte pendant van het legendarische popfestival Woodstock worden. En over Black Woodstock moet een bioscoopfilm worden gemaakt, die niet alleen het concert laat zien, maar ook aantoont dat de wortels van de Amerikaanse soul en blues in de Afrikaanse volksmuziek liggen.

Leon Gast is in 1974 een 37-jarige ex-fotograaf, die moeizaam de eerste schreden op het pad van de film zet. Na heel veel tv-commercials heeft hij in 1972 zijn eerste documentaire verwezenlijkt: All things latin, over salsa-muziek in New York en de achtergronden daarvan. Hoewel niet zwart, ziet Gast zichzelf als dé man om deze muziekfilm te maken. “Toevallig hoorde ik welke (overigens blanke) impresario met de organisatie was belast”, vertelt hij. “Dus ik erheen, met mijn projector en mijn films, want we spreken hier over de dagen van vóór de video”. Hij krijgt de job.

Beginnelingen

In het spoor van tientallen charter-vliegtuigen met boksers, toeschouwers en de verzamelde Amerikaanse sportpers, arriveert ook de zestig man tellende filmploeg in Kinshasa. King en zijn vrienden ontsteken in woede: hoe kan een blanke een film maken over zwarte muziek? “Ik moest me op hun hotelkamer komen verantwoorden. Tenslotte eisten ze dat minstens dertig leden van de filmploeg zwart zouden zijn. Zwarten waren moeilijk te vinden in de filmwereld, maar desnoods moest ik maar beginnelingen inhuren”.

Al spoedig krijgen de organisatoren andere zorgen. Tijdens de trainingsperiode van beide boksers gaat alles nog prima. De immer zwijgzame Foreman beukt dermate hard tegen de trainingszak, dat het instrument blijvende deuken vertoont. Ali danst sierlijk rond in de trainingsring, en geeft zich over aan lange, komische monologen over de verhoopte ondergang van zijn opponent en de rechten van zwarten.

Die monologen geeft Ali - op de voet gevolgd door Gasts filmploeg - ook ten beste in de straten van Kinshasa. Een welkome afwisseling in deze dagen van bloedige terreur: spoedig ziet Ali zich omringd door dankbare menigten Zaïrezen, die op verzoek van de bokser welwillend de leuze 'Ali bomaye!' aanheffen, wat Ali, kill him betekent. Muhammad Ali, luidt de zwarte opinie, is de ware Afrikaan, die het verdient om te winnen. Foreman, ofschoon donkerder van huid dan Ali, is een verkapte blanke, die bovendien de massapsychologische vergissing heeft begaan in Kinshasa de vliegtuigtrap af te dalen in het gezelschap van zijn trouwe Duitse herder - het soort hond dat vroeger steevast aan de zijde van wrede Belgische kolonialen werd aangetroffen.

Dan loopt Foreman tijdens een oefenpartijtje een forse snee boven zijn linkeroog op. Zes weken heeft de wond nodig om te herstellen, en zolang zal het gevecht dus moeten worden uitgesteld. Het hele circus, filmploeg incluis, moet het aanzienlijk langer dan gepland uithouden in Zaïrese hotelkamers waar de airconditioning sterk te wensen overlaat - ook de broeders in Afrika blijken te kampen met onvolkomenheden in hun samenleving. Ali staat bijna huilend in de trainingsring: “Ik was klaar voor hem! Ik was klaar!”

Eerst vindt nog het Black Woodstock plaats. In de spectaculaire verrichtingen van Browns dansgroep is duidelijk bespeurbaar dat deze met vrucht de Afrikaanse volksdansen heeft bestudeerd. Met enthousiasme ontdoet de sterdanseres zich op het podium van haar bovenstukje - gehaat symbool van culturele vervreemding. Helaas is er op de eerste avond maar een handjevol mensen in het immense stadion aanwezig. De concertorganisatoren hebben de toegang op de tegenwaarde van dertig dollar gesteld - niet overdreven misschien gezien het gebodene maar wel acht keer het gemiddelde maandloon in Zaïre. “Toen greep Mobutu in: Black Woodstock moest gratis zijn voor het volk”, zegt Gast. “En niemand durfde hem tegenspreken. Het was bomvol, maar er waren natuurlijk geen inkomsten”.

Zakenpartners

Gelukkig is de financiering van de film losgekoppeld van de opbrengsten van Black Woodstock. De Zaïrese zakenpartners hebben een garantiesom van vijf miljoen dollar naar een bank in Londen overgemaakt. De zes weken extra wachten worden door de filmploeg goed besteed: de orerende Ali in de straten van Kinshasa staat dagelijks garant voor treffende beelden. De kreet 'Ali bomaye' ligt op ieders lip en Ali gaat met de filmcamera een langdurig schijngevecht aan.

Tot algemene verbazing wint Ali het gevecht. De beelden daarvan - meeslepend becommentarieerd door de schrijver Norman Mailer die er als verslaggever bij aanwezig was - vormen een hoogtepunt in When We Were Kings. Maar ze zijn niet van Gast en de zijnen. De beeldrechten van het eigenlijke gevecht zijn exclusief aan een televisiemaatschappij verkocht. Niet dat de filmer daar in 1974 erg over in zit: voor zijn muziekfilm is het gevecht immers bijzaak.

Terug in de VS blijkt die bank in Londen niet te bestaan. Gast neemt een jonge New-Yorkse advocaat, David Sonenberg, in de arm. Deze traceert het geld op een bank op de Kaaiman-eilanden, welke eigendom blijkt van Stephen A. Telkert, minister van financiën van Liberia en lid van de koninklijke familie aldaar. Voortvarend start Sonenberg processen om het geld terug te krijgen. Na een staatsgreep in Monrovia verdwijnen zowel de koninklijke familie als hun bank definitief uit het zicht.

Gast ziet zich inmiddels in zijn bescheiden woning op Manhattan geconfronteerd met talloze, langs de muren opgestapelde blikken 16-millimeterfilm met separate geluidsbanden. Om een slordige 85.000 meter gaat het, oftewel 173 uur. Omdat zich in de verste verte geen nieuwe financier aandient, slaat Gast in zijn vrije uren aan het monteren. Het ruimteprobleem in huize Gast wordt nog nijpender door een tweedehands montagetafel. Om die naar binnen te brengen moet met een moker de toegangsdeur van de flat worden verbreed. “Mijn huur verdiende ik met het assisteren van andere documentairemakers, zoals Barbara Kopple”.

Zelf maakt Gast een aantal muziek-documentaires. Ze hebben nauwelijks geschiedenis gemaakt - of het moest zijn omdat Gast bij het vervaardigen van een portret van een groep Hell's Angels door zijn onderwerp in elkaar werd geslagen. “Gelukkig hadden ze hun zilveren boksbeugels afgedaan”.

Na twaalf jaar ploeteren een eerste lichtpuntje: David Sonenberg heeft de advocatuur vaarwel gezegd en is inmiddels een succesvol manager van diverse rock- en rap-groepen. Het is aan hem te danken dat in de uiteindelijke film de Fugees (Rumble in the jungle) te beluisteren zijn. In 1986 schiet Sonenberg Gasts filmschulden voor - in totaal meer dan 980.000 dollar.

Kakkerlakken

Twee jaar later is er een eerste montage van twee uur af, die Gast aan geïnteresseerden kan laten zien. “Ik werd overal vriendelijk ontvangen. Bij United Artists zag de artistieke afdeling wel iets in de film. Inmiddels had ik het zwaartepunt al verschoven van de muziekwereld - die bleek niemand meer te interesseren - naar het optreden van Muhammad Ali in Kinshasa. Maar de zakelijke leiding van United Artists schoot het plan af: met documentaires, meende iedereen in de jaren tachtig, viel niets te verdienen”.

Muhammad Ali verwerd tot een schim van zichzelf. Don King en andere boksondernemers hebben de held van Kinshasa in de latere jaren zeventig financieel tot in totaal 22 nieuwe gevechten verleid, waarvan Ali er steeds meer ging verliezen. HIj is ten prooi aan lichamelijke aftakeling - later zal blijken dat hij ook lijdt aan de ziekte van Parkinson. Gast: “Ik herinner me een tv-commercial uit die tijd. Daarin zag je Ali in gevecht met kakkerlakken. Hij won dankzij een spuitbus”.

Er volgen nieuwe jaren van onbezoldigde arbeid, en nieuwe montage-versies. In 1995 neemt het filmbedrijf UFA een optie op de film, maar eist wel een nieuwe opzet. Er moeten interviews komen met mensen die terugblikken op het gevecht in Zaïre en de historische betekenis daarvan: Norman Mailer, Spike Lee en anderen. UFA vertrouwt Gast die interviews niet toe: dat moet Taylor Hackford doen, regisseur van de documentaire Chuck Berry: Hail! Hail! Rock 'n' Roll!. Aldus geschiedt, maar UFA heeft geen vertrouwen in het resultaat en laat zijn optie vallen.

Gast versaagt niet: hij monteert de interviews en zijn eigen materiaal tot een geheel - zodat hij nu op de filmtitels het regisseursschap van When We Were Kings met Hackford moet delen. De combinatie levert binnen de film een merkwaardig contrast op: de gewild slordige, trillerige beelden in de stijl van de living camera uit de jaren zeventig, naast de statische, fraai uitgelichte interviewbeelden uit de jaren negentig. Gast koopt televisiebeelden van het eigenlijke gevecht: “acht minuten, veertig seconden à tienduizend dollar per minuut. Maar het lijken er meer omdat we sommige beelden in slow motion herhalen”. Sonenberg tast nog één keer diep in de buidel om het geheel op 35-millimeterfilm te laten overzetten. Het resultaat zenden Gast en Sonenberg in naar Sundance in Salt Lake City (Utah), het voornaamste festival voor onafhankelijke en low-budget film van de VS.

Even dreigt het nog mis te gaan. Het vliegtuig waarmee Gast en zijn filmblikken de reis van New York naar Utah ondernemen, keert voor het opstijgen terug naar de pier omdat een passagier hysterisch wordt en roept dat ze niet durft te vliegen. Eenmaal in de lucht keert de machine terug naar New York, vanwege een technisch defect. Een sneeuwstorm steekt op, elk vliegverkeer is een nacht lang onmogelijk. When We Were Kings draait in Sundance een dag te laat en in een achteraf-zaaltje.

When We Were Kings - titel van een soul-nummer dat Sonenberg als titelsong heeft laten opnemen - is een triomf in Sundance. “Een zwarte vrouw stapte na afloop op me af en zei: I never imagined that white hands could craft such black pride. (Ik had nooit kunnen denken dat blanke handen zulke zwarte trots konden vervaardigen). Dat heeft me erg ontroerd, want de herinnering aan de achterdocht van Don King heeft me al die jaren nooit verlaten”, vertelt Gast. De definitieve verlossing volgt enkele minuten later, als Michael Kuhn, de president van Polygram Filmed Entertainment hem benadert met de woorden 'I want that film'. Kuhn heeft er vier miljoen dollar voor over.

De bekroning met een Oscar was hierbij vergeleken bijna een epiloog. Zowel Muhammad Ali als George Foreman waren bereid voor de Oscar-ceremonie naar Los Angeles te komen, en met Gast het podium op te gaan toen zijn film bleek te hebben gewonnen.

De verhoudingen uit 1974 zijn grondig gewijzigd: de zwijgzame Foreman wekt anno 1997 de indruk van een joviale heer, de eens jolige Ali is nu een wrak, dat nauwelijks meer tot spreken of enigerlei expressie in staat is. “Ali's vrouw heeft me voor de Oscarceremonie toevertrouwd dat hij heel erg hoopte dat de film zou winnen”, zegt Gast. “Ze zei: winnen betekent alles voor hem, net als vroeger”.

Ook Foreman vond het een leuke film, ook al is voor hem niet bepaald een heldenrol weggelegd. Zo zien we de Nederlandse televisieverslaggever Fons van Westerloo in 1974 ternauwernood ontsnappen aan een muilpeer, omdat hij Foreman gevraagd heeft wat hij gaat doen als hij verliest. Terwille van de public relations had Foreman - als vrijwel enige in het hele circus - zich enkele woorden Frans eigengemaakt, de populairste vreemde taal in Zaïre. “Maar hij bedierf het weer voor zichzelf door journalisten wier vragen hij niet op prijs stelde, uit te nodigen voor een antwoord op de gang”, vertelt Gast. “Foreman wilde de film eerst thuis zien, in gezelschap van zijn drie zoons, die trouwens alle drie George heten. Foremans eerste reactie: 'Wat was ik toch een jerk (engerd)'.”

De Amsterdamse première van de film is van de informele soort: genodigden - onder wie enkele Nederlandse boksers - zitten naast mensen die gewoon een kaartje hebben gekocht. Na afloop beantwoordt Gast opnieuw enthousiast vragen - de hoeveelheid anecdoten rond de totstandkoming van When We Were Kings lijkt onuitputtelijk. Hij vertelt meeslepend over allerlei mooie opnamen, die in verband met de bioscooplengte van anderhalf uur buiten de film moesten blijven. Hij houdt zijn handen voor zijn gezicht als was het een camera, en maakt woeste bewegingen. “Dan verschijnt plotseling de hand van King rechts in beeld, je ziet dat hij kwaad is. Maar dan zegt Ali, die links in de kamer staat...” Het is duidelijk dat Gast de 173 uur materiaal volledig uit zijn hoofd kent.

When We Were Kings van Leon Gast draait in Cinecenter in Amsterdam.