Zwijgen over mensenrechten komt Chinese dictators goed uit

China heeft het bezoek dat een zware Nederlandse handelsdelegatie in juni zou brengen afgelast. Aanleiding vormt de kritiek die minister Van Mierlo van Buitenlandse Zaken, als vigerend voorzitter van de Europese Unie, uitte op de naleving van de mensenrechten in China. Kamerlid Maarten van Traa vindt dat Van Mierlo daarvoor alle steun verdient. Werkgeversvoorzitter Hans Blankert had liever gezien dat de minister in het openbaar zijn mond had gehouden.

Het Nederlandse zelfrespect is weer eens danig op de proef gesteld nu China de reis van de Nederlandse handelsdelegatie onder leiding van minister Wijers van Economische Zaken heeft afgezegd. Als de meerderheid van de Verenigde Naties zelfs geen veroordeling van China uitspreekt, waar zijn we als Nederland dan mee bezig, vroeg werkgeversvoorzitter Blankert zich vertwijfeld af. Waarom mooie orders mislopen voor het principe van de mensenrechten?

Had minister Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) dan op zijn minst niet zeer stilletjes die vermaledijde mensenrechten aan de orde kunnen stellen? Nu is sprake van “onnodig prestigeverlies en schade voor het Nederlandse bedrijfsleven”, aldus Blankert. Die schade zal uiteindelijk voor het bedrijfsleven wel meevallen. Dat is constant de ervaring geweest van het handeldrijven met China. Andere ondernemers, zoals bestuursvoorzitter M. Tabaksblat van Unilever, wijzen daar ook op in NRC Handelsblad van gisteren.

De vaak geciteerde 'gevoeligheden' van de 'Oosterse Chinezen' die wij zouden moeten ontzien door een andere vorm voor het ventileren van onze bezwaren te kiezen zijn in de eerste plaats een uiting van ontzag voor de macht van de Chinese politieke leiding, niet voor enig gevoel. Ik hoor weinig over de 'gevoeligheden' van Miloševic of de Burmese militairen, van wie we, overigens terecht, wel fier de mensenrechtenpolitiek aan de kaak stellen.

Het gaat om de Chinese macht om hun interne politiek van de rest van de wereld af te schermen tegenover onze macht om algemeen geldende rechten van de mens overal aan de orde te stellen. Ook mensenrechtenpolitiek heeft te maken met macht. De macht namelijk van China om op de langere duur de universaliteit van de rechten van de mens tot een dode letter te maken. Daarmee wordt de bijl aan de wortel gelegd van wat wij als de internationale rechtsorde beschouwen. De voorbode daarvan is het in dit Chinese geval de facto uitschakelen van organisaties van de VN, zoals de Commissie voor de Mensenrechten in Genève.

Er staat dus op langere termijn meer op het spel dan de vraag welk verkopend land de beste witte voet bij de gerontocraten in Peking weet te halen om Airbusvliegtuigen te verkopen, zoals nu Frankrijk en Duitsland. Van Mierlo had dat goed begrepen toen hij de collega's van de Europese Unie erop wees dat zij niet met twee maten moeten meten ten aanzien van grote en kleine staten, en zeker niet wat betreft hun oordeel over de aard van de mensenrechtenschendingen in verschillende staten.

Onder vuur ligt de hele mensenrechtenpolitiek van de Europese Unie en daarmee de consistentie van de buitenlandse politiek van de Unie. Frankrijk is daar bijzonder lichtvaardig en vrij perfide mee omgegaan. Al eerder bleek president Chirac veel te voelen voor het verregaand relativeren van het belang van de mensenrechtenpolitiek van de EU.

Indien de EU niet in staat is op enkele punten een gezamenlijke lijn uit te zetten, als het kan tezamen met de Verenigde Staten, en de mensenrechtenschendingen van China voor de VN in Genève te veroordelen, ziet het er somber uit voor een werkelijke China-politiek van Europa.

China zal dan, vrij ongestoord, een verdeel- en heerspolitiek kunnen voeren die de invloed van Europa op de gang van zaken in China slechts zal verkleinen. Diegenen in China die een democratisering van het politieke systeem voorstaan, zullen zich verder geïsoleerd weten. De partijhiërarchie zal gesterkt worden in de idee ongestoord een autocratisch kapitalisme op te kunnen zetten, met de onvermijdelijke verdere corruptie en de afwezigheid van enige werkelijke controle van de bevolking en van de consument.

Het voortduren van een politieke dictatuur naast de ongebreidelde ontwikkeling van een kapitalistisch systeem is niet in het belang van de investeerders van vandaag. Daarom is zichtbaar mensenrechtenbeleid ook hun zaak. Zij hebben er op langere termijn belang bij dat de Chinese maatschappij democratiseert en dat de onvermijdelijke overgang van de rol van de Chinese communistische partij naar iets nieuws een enigszins betrouwbaar en bestuurbaar systeem oplevert. Het grotere verschil tussen politieke onvrijheid en bijvoorbeeld het bestaan van werkkampen voor dissidenten en de volgens correspondent Willem van Kemenade van NRC Handelsblad toegenomen persoonlijke en economische vrijheid zal leiden tot het einde van de heerschappij van de communistische partij.

Die voorspelling durf ik wel aan. De communistische partij in China heeft niet het eeuwige leven. Het voortschrijdende kapitalisme met zijn Manchestertrekken zal leiden tot een sociale opstand van een onvermoede omvang. Het is een onverstandige politiek om uit te gaan van de veronderstelling dat de huidige machthebbers en hun nazaten de zaken wel onder controle zullen houden.

Ik zal mij niet wagen aan een voorspelling over de aard van het regime dat in China de communistische partij zal opvolgen. Maar evident in Westers belang is, dat dat regime open en democratisch zal zijn en dus de mensenrechten respecteert. Een omgekeerde ontwikkeling zou in geheel Oost-Azië leiden tot een verder gebruik van de machthebbers van de relativering van de mensenrechten en dus van een meer anti-democratische opstelling.

Vandaar het grote belang van een duidelijk mensenrechtenbeleid ten opzichte van China, ook voor hen die daar jarenlang ongestoord zeep willen verkopen zoals Unilever-topman Sydney van den Bergh het ooit formuleerde.

Een andere belangrijke vraag die uit de Chinese houding voortkomt is, of het verstandig is in ons herijkte buitenlandse beleid zodanig handelsbevordering en het ook ter sprake brengen van mensenrechten aan elkaar te koppelen zoals ten aanzien van China gebeurd is, bijvoorbeeld tijdens de reis van premier Kok in 1995. Wat is het nut geweest van de inzet van ontwikkelingsgeld van Nederland om als smeerolie voor het verkrijgen van orders te dienen als consistent mensenrechtenbeleid het effect daarvan op de korte termijn alweer om zeep helpt? Daarom heeft de PvdA-fractie bij de begrotingsbehandeling Buitenlandse Zaken al gezegd dat ontwikkelingsgeld niet ingezet moet worden voor handelsbevordering in landen waar de mensenrechten geschonden worden.

Mao Zedong noch Jiang Zemin kan men vanuit Nederland 'voor de laatste maal waarschuwen'. Maar de buitenlandse politiek ten aanzien van China terugbrengen tot puur handel is kortzichtig en contra-produktief. Daarom moet worden gestreden voor een consistent mensenrechtenbeleid van de EU dat nu zo schrijnend ontbreekt. Dat heeft Van Mierlo gedaan en daarin verdient hij steun.