Wet BOPZ

In het verslag van de rechtszitting onder de titel '20 jaar wachten met een moord' (NRC Handelsblad, 8 april), wordt de vraag gesteld waarom de RIAGG niet in staat is geweest om “een dolende man” tegen te houden in de uitvoering van zijn, op psychotische gronden gebaseerde, plannen om zijn broer te vermoorden.

Deze vraag is eenvoudig te beantwoorden. Sinds in 1994 de Krankzinnigenwet werd vervangen door de Wet Bijzondere Opnemingen in Psychiatrische Ziekenhuizen (wet BOPZ), is het niet meer mogelijk om een patiënt voor zijn bestwil op te nemen. Het zogenaamde bestwilprincipe werd vervangen door het gevaarscriterium o.i.v. de ontwikkeling van de maatschappelijke opvattingen hierover (Uitspraak Hoge Raad 1982).

Dit betekent dat een patiënt slechts tegen zijn of haar wil kan worden opgenomen, als er een (te verwachten) gevaar bestaat en dit gevaar voortvloeit uit de aanwezige stoornis van de geestvermogens. Men dient zich echter te realiseren, dat het in vele gevallen niet mogelijk is om een betrouwbare voorspelling te doen over het optreden van gevaar. Zeker niet als er sprake is van een patiënt die aan een psychotische stoornis lijdt. Een directe relatie tussen (enige vorm van) gevaar en een (bepaalde) psychische stoornis is, ondanks wetenschappelijk onderzoek, nooit met zekerheid aangetoond. Gesteld zou kunnen worden dat de RIAGG, doordat het gevaar uitbleef, 20 jaar lang een juiste beslissing heeft genomen en de patiënt niet heeft laten opnemen. Kort voor het moment van delictpleging zou het beter zijn geweest, als de RIAGG een gedwongen opneming had bewerkstelligd. Van belang is dat dergelijke opnemingen meestal slechts een (tijdelijke) afwending van het gevaar tot gevolg hebben. De mogelijkheden voor een juiste behandeling van 'dolende' psychotische patiënten' worden sterk beperkt door de wettelijke restricties, neergelegd in diezelfde wet BOPZ.