Volksheld; Onnavolgbaar maar nooit alleen

Zoals Johan Cruijff voetbalde, zo wilde iedere jongen kunnen voetballen. Hij is een vrijheidsstrijder. Ere zij Cruijff.

WIE HET VERLEDEN niet eert, zal niet gauw de waarheid leren kennen. Zowel mooie als slechte herinneringen dienen voort te leven als onverwoestbare relikwieën. Hoe ouder een mens wordt, des te meer zal hij terugkijken. Wie vijftig jaar wordt, heeft nog bijna een half mensenleven te gaan. Die blikt liever vooruit; al is het met voorbehoud en groeit met de dag zijn angst voor het einde. Natuurlijk is er verschil. Een gewoon mens zal niet zo gauw omzien naar hetgeen hij achter zich heeft gelaten als een voetballend mens. Want wie zijn eerste dagen heeft gevuld met voetballen, heeft voor hij het weet al een heel leven achter zich.

Een voetballer die tussen de dertig en veertig is, praat al snel over vroeger. Die droomt op betrekkelijk jonge leeftijd nog van onnavolgbare bewegingen en doelpunten die hij vroeger als jongen maakte. Die reageert al gauw de teleurstelling van een mislukt voetballeven af op zijn zonen. Wat vaders fout deden, zullen zonen moeten vereffenen.

Zou Johan Cruijff, nu hij vijftig jaar oud wordt, zich ooit hebben afgevraagd of zijn leven geslaagd is? Heeft hij ooit het gevoel gehad dat er meer uit zijn talenten te halen was geweest? Droomt hij weleens van vroeger, toen hij doelpunten en onnavolgbare acties maakte? We hebben hem er niet over horen praten. Niet toen hij tussen de dertig en de veertig jaar was en niet toen hij de vijftig jaar naderde. Hij praat niet over zichzelf, hij heeft het altijd over een ander, ook als hij zichzelf bedoelt.

Johan Cruijff zegt altijd 'je' als hij 'ik' bedoelt. Daaruit spreekt enige bescheidenheid. In wezen is hij heel verlegen; misschien heeft hij wel een gevoel van minderwaardigheid. Wanneer hij over anderen oordeelt, menen we in hem de grote deskundige te herkennen voor wie zeker het voetbalspel geen geheimen heeft. Dan weet hij zich te verplaatsen in andere voetballers, praat dan over die voetballers alsof hij hen kent als jongens die hij in hoogst eigen persoon heeft verwekt, maar die niet helemaal aan zijn verwachtingen voldoen. Klonen, dat is wat Cruijff als hobby begeert.

Mogelijk trekt hij een façade op om zijn onzekerheid en zijn bewondering voor die andere voetballers te verbergen. Cruijff heeft zichzelf nooit zo goed gevonden als hij zich voordeed. Cruijff voelt zichzelf niet zo deskundig als hij zich voordoet. Maar wij houden maar niet op hem de gaven van een groot denker toe te dichten, domweg omdat wij, eenvoudigen van geest, snel in verwarring worden gebracht door taal die we niet kennen. Het is de mythologisering van de voetbalwereld volgens Cruijff. Cruijff is het geweten.

Nu Johan Cruijff vijftig jaar wordt, laten we daarom niet na hem te eren en zijn grote daden opnieuw te gedenken. Ons hele arsenaal aan kaarsen en wierook wordt op het altaar geplaatst, handelsgeesten willen zijn verjaardag uitroepen tot nationale feestdag, denkers geven gehoor aan de lokroep hem in het licht der eeuwigheid te plaatsen, dichters herwinnen inspiratie uit bronnen die uitgeput leken en pseudodichters rukken op als lastige sprinkhanen.

Hij werd 'de Verlosser' genoemd, mede omdat zijn initialen J.C. dezelfde zijn als die van Jezus Christus. Nog even en hij zal ook een zoon van God worden genoemd. Zo ver gaat vandaag de dag de idealisering van voetbalfenomenen. Het is inderdaad denkbaar dat hij mensen heeft verlost uit hun lijden, uit de sleur van alledag, uit de eenzaamheid en de grauwheid, uit de uitzichtloosheid en dat hij het verlossende antwoord heeft gegeven op de vraag waartoe het leven op aarde dient. Wie de weg van Cruijff volgde, volgde de weg van de witte wolk, zwevend op weg naar rijkdom, heldendom en eeuwige roem.

Cruijff wees de weg. Zoals Cruijff voetbalde, wilde iedere jongen kunnen voetballen. Wie op zijn zeventiende in het eerste elftal van zijn club debuteerde, vergeleek zichzelf met Cruijff die ook op die leeftijd in het eerste elftal van zijn club debuteerde. Wie Cruijff als jongen zag voetballen, wilde ook zo voetballen, die wilde net zo brutaal, onverschillig, uitdagend en wereldveroverend zijn. Cruijff aan de bal was een symbool van anarchie, het teken van de jaren zestig waarin alle remmen los gingen en alle ketens en dwangbuizen werden gebroken.

Cruijff willen zijn.

Cruijff slingerde zich als een aap langs de lianen van het donkere woud van gehoorzaamheid, saaiheid en eeuwige trouw aan familie, koningin en vaderland, van conservatisme en calvinisme. Aan twee naoorloogse decennia van aardappels met spruitjes, gehaktballen en jus zonder een onvertogen woord kwam een einde in de jaren zestig. Een tijd brak aan van opstandige karakters met lange haren, zangers met valse gitaren en naïeve protestliederen tegen de gevestige orde, hasj-blowers en LSD-trippers die langs psychedelische weg hun eigen wereld schiepen en voetballers als Johan Cruijff, George Best en Paul Breitner die zich niet langer wensten te conformeren aan de heersende regels van fatsoen.

Menig vrijheidsstrijder heeft zich in die jaren stoned als een aap op een tribune van een voetbalstadion geposteerd om zich te laten meevoeren op de golven van Cruijffs avontuurlijke bewegingen, met een bal aan zijn voeten. Standing there on freedom's shore. Waiting for the sun. Can't you feel it, now that's spring has come - Jim Morrison & The Doors hadden die ervaring niet beter kunnen verwoorden.

Cruijff was niet stijf en houterig. Cruijff was soepel, gek en elastisch, en omzeilde wat hij omzeilen wilde. Andere voetballers kropen uit hun cocon, gleden achter hem aan op het slijmspoor dat Cruijff achterliet. Anderen wonnen omdat hij wilde winnen. Anderen gingen veel geld verdienen, omdat hij veel geld wilde verdienen. Anderen vertrokken naar vreemde landen, omdat hij naar vreemde landen wilde gaan. Wie Cruijff niet wilde volgen, was eigenwijs en meende op zijn eigen kwaliteiten te kunnen rekenen. Piet Keizer was er zo een, zijn antipode, een speler met een gezonde afkeer van voortrekkers en vooral van blinde volgelingen. Keizer bleef in zijn eigen huis wonen, wars van uiterlijk vertoon, vertrouwend op zijn innerlijke krachten. Keizer is al drie jaar geleden vijftig geworden, zonder ophef. Gewoon dus, maar met evenveel plezier.

Altijd is de vergelijking getrokken tussen Cruijff en Keizer. Wie was er beter? Cruijff, Keizer, Moulijn, Van Hanegem, Rensenbrink, Van Basten, Lenstra en Wilkes. We zullen niet ophouden met die eeuwige vergelijkingen tussen de beste voetballers van Nederland. Zonder die discussies heeft een voetbaldier geen gespreksstof.

Om kort te zijn over Cruijff en Keizer. Zonder Cruijff was er geen Keizer, zonder Keizer was er geen Cruijff. Grote tegenstellingen zijn nodig om individuele kwaliteiten op hun waarde te schatten. Mogelijk heeft Keizer meer kijk op voetbal dan Cruijff.

Maar Cruijff praat zoals hij voetbalt, onnavolgbaar, zich een weg banend naar plaatsen waar nog niemand is geweest en waar nog niemand van heeft gehoord. Dat is bijzonder, opwindend als een vrijheidsstrijder die zegt dat aan de horizon het licht brandt en dat daar eeuwige vrede heerst, zolang men maar voetbal speelt volgens Cruijffs ideologieën.

Keizer zal zeggen dat voetballen niet meer is dan spelen met een bal en dat er doelpunten gemaakt zullen worden zolang er doelpalen op een voetbalveld staan. Voetballen is volgens hem een kunst, die de een wel beheerst en de ander niet. Zonder voetbal is nog wel te leven, gelooft hij.

Keizer veronderstelt dat er meer is tussen hemel en aarde, Cruijff gelooft meer in de hemel dan in de aarde. Hij is nog als een jongetje dat zeker weet te voelen dat hij gestuurd wordt, of door zijn vader die al op vroege leeftijd stierf en van wie hij zeker weet dat hij nog altijd over hem waakt, of door een andere, nog betere vader die vanuit de hoogste hemelen over hem beschikt. Johan Cruijff bidt, brengt offers en dankt trouw als een hond. Niet als quasi-religieuze sportmensen die te weinig aan zichzelf hebben, maar als een oprechte, devote gelovige.

Wie hem heeft zien voetballen, hem voetbal heeft zien onderwijzen en over voetbal heeft zien en horen praten, voelt dat Cruijff zich altijd gesteund weet door een vader. Hij is nooit alleen. Misschien verbeeldt hij die aanwezigheid. Omdat hij bang is alleen te zijn. Want wie zoals Cruijff is, wie bijzonder is, is gauw alleen. Die heeft steun nodig.

In Brazilië eren ze Pelé, in Argentinië kent Maradona zijn gelijke niet, in Frankrijk koesteren ze Platini en Cantona, in Engeland zijn ze idolaat van Matthews, Charlton en Gascoigne, in Duitsland van Beckenbauer en Walter, in Italië van Rivera, Mazzola en Baggio, in Hongarije van Hidegkuti, Kubala en Puskas, in Bulgarije van Asparoechov en Stoitjskov, in Spanje van Gento en Di Stefano, in Portugal van Eusebio, in Oostenrijk van Happel, in Colombia van Asprilla en in Montenegro van Savicevic.

Elk volk heeft zijn voetbalhelden nodig, om de monotonie van het bestaan en het verdriet van alledag te vergeten. Sommige helden, zoals Mick Jagger en David Bowie, worden vijftig met gepast eerbetoon. Sommigen worden ouder, zonder dat ooit iemand iets van hen verneemt totdat ze sterven. Anderen worden geen helden en gaan gewoon dood.

Johan Cruijff hoeft niet te wanhopen. Zolang er geen betere voetballers in Nederland worden geboren, blijft hij de beste, een oud geworden jongen die ons heeft geleerd wat avontuur en vooral wat voetbal betekent. Tot in verre oorden klinkt zijn naam. Wie hoog in de bergen van Tibet driemaal een bal op zijn voet laat stuiten alvorens hem tegen de poort van het klooster te kogelen en daarbij met stemverheffing Cruijff roept, heeft kans op een entree. Waarschijnlijk hebben de monniken zich afgewend van aardse bezigheden zoals voetballen, maar wie weet maken ze een uitzondering voor bewonderaars van Cruijff, de almachtige Nederlandse voetballer.

Misschien zijn ze bereid hen de weg te wijzen naar het eeuwige geluk. Misschien wachten ze in Tibet zelfs al jaren op Johan Cruijff. Als de man die hun leert voetballen. Als hun verlosser.