De voetballer en de mens

Mijn bewondering voor Johan Cruijff is zelfs niet aangetast door een incident tussen mij en een van zijn bekendste familieleden.

Het moet aan het eind van de jaren zeventig zijn geweest. Ik had in de Volkskrant, toch al niet de favoriete krant van de familie Cruijff, een satirisch stukje geschreven naar aanleiding van een van de eindeloze vetes waarmee Cruijff zijn leven nóg meer kleur pleegt te geven.

De volgende dag ging de telefoon. Een kordate, bekend klinkende, mannenstem met een sterk Amsterdams accent meldde zich. “Heb jij dat stukkie over Johan geschreven?” “Welk stukje?” “Je weet heel goed wat ik bedoel.” “Met wie heb ik de eer?” “Coster. Cor Coster. Nou mot jij 's goed luisteren, lijp. Dit pik ik niet. Ik pik het niet dat Johan in de stront wordt getrapt.” “Wat wilt u precies?” “Dat zul je gauw genoeg merken. Wij komen nú met een knokploeg naar jou toe en wij gaan jou eens goed in elkaar tremmen.” “Is dat altijd uw stijl?” “Jij hoort nog van ons, mannetje. Wij zijn onderweg.” Ik kan me nog goed herinneren dat ik de bedreiging behoorlijk serieus nam. Er had in die stem een woede doorgeklonken die ongeveinsd was. Daar zat ik met mijn satirische gedrag. Het liefst zou ik, met de klassieke lafheid van een echte stukjesschrijver, de hei zijn opgevlucht, maar ik kon mijn gezin moeilijk in handen laten vallen van een groepje razende, met honkbalknuppels gewapende, Amsterdammers. Je hebt dan later zoveel uit te leggen.

De politie bellen? Dat was wel erg pathetisch, vooral als achteraf zou blijken dat het loos alarm was geweest. Ik volstond dus met het vergrendelen van de poorten. Vrouw en kinderen werden naar de uitkijkposten bij de kantelen gecommandeerd.

Wachten. Ronddrentelen. Elke langskomende auto observeren.

Nee, het werd geen gezellige middag meer. Daar zal het Cruijffs schoonvader ook wel om te doen zijn geweest, want hij en zijn knokploeg lieten zich niet zien. Zijn wraak hield op bij de intimidatie - ik mocht niet mopperen.

Ik was stomverbaasd over Costers reactie, omdat ik altijd een onderscheid heb gemaakt tussen de voetballer Cruijff en de méns Cruijff. De laatste lijkt soms niet helemaal goed snik. We moeten nu overal lezen dat Cruijff altijd zo'n gewone, aardige man is gebleven, maar dat is natuurlijk onzin. De naam Cruijff is synoniem met ruzie: waar en met wie doet niet terzake. Overal waar Cruijff ten tonele verschijnt, daar zal op den duur herrie zijn en geween en geknars van tanden. Het is de pathologische kant van Cruijff.

Maar de voetballer Cruijff staat hemelhoog boven dit vuige, aardse gewoel. Hij is de beste speler die ik ooit in actie heb gezien. Dat zegt niet alles, maar wel iets, want ik heb als jongen twee seizoenen lang Faas Wilkes in levenden lijve zien spelen. Wilkes wordt qua speelstijl als een soort voorganger van Cruijff beschouwd. Hij was óók een schitterende aanvaller, maar Cruijff overtreft hem verre in effectiviteit en gedrevenheid.

Cruijff was de beste: dynamischer dan Pelé, constanter dan Maradona, artistieker dan Beckenbauer - om drie namen te noemen die tot de allergrootste voetballers van deze eeuw worden gerekend.

Wie aan mijn conclusie twijfelt, moet zich de twee videobanden aanschaffen waarop Cruijffs talent is vereeuwigd. Het betreft de film Nr. 14 van Maarten de Vos en - vooral - de compilatieband uit 1991 van de NOS. Deze laatste band toont een aaneenschakeling van louter geniale spelmomenten van Cruijff. Zonder engelachtige kitschmuziek en zonder Cruijffs vreselijke orakeltaal, zoals in Nr. 14.

Alleen de voetballer Cruijff. Dat is genoeg voor de liefhebber. Als de band afgelopen is, is er geen twijfel meer mogelijk: beter kan het niet.