De varkenspest; Wat het gaat kosten

Toen op 4 februari het eerste geval van klassieke varkenspest werd vastgesteld op een bedrijf in het Noordbrabantse Venhorst, maakten de Produktschappen Vee, Vlees en Eieren duidelijk dat er een financiële ramp dreigde voor een sector die vorig jaar nog goed was voor 5,6 miljard gulden aan export. De toen voorziene ramp begint zich nu voluit af te tekenen, nu in Zuid-Holland ook al een geval is ontdekt en inmiddels de grens van honderd besmette bedrijven is overschreden.

De Europese Unie wil ruim twee honderd miljoen gulden bijdragen aan het extra opkopen van een miljoen biggen en 700.000 varkens. Intussen gaat het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ervan uit dat de regeling die minister Van Aartsen vorige week heeft voorgesteld zo'n 460 miljoen gaat kosten, 310 miljoen meer dan wat eerder toereikend leek. Die eerdere aanpak - het vernietigen van 450.000 biggen en 350.000 mestvarkens - zou rond 150 miljoen gulden vergen. De kosten die gepaard gaan met deze opkoopregeling vormen echter maar een onderdeel van de totale schade.

Vraag is hoe hoog de uiteindelijke rekening zal zijn. Dat hangt natuurlijk af van de vraag wat er nog komen gaat. De epidemie lijkt echter nauwelijks in te dammen, zeker niet als mocht blijken dat het varkenspestvirus ook via sperma wordt overgedragen. In dat geval moet worden gevreesd dat vanuit het KI-station in Wanroij wellicht heel varkenshoudend Nederland is besmet.

De vakgroep agrarische bedrijfseconomie van de Landbouwuniversiteit Wageningen heeft eerder dit jaar een haalbaarheidsstudie gepresenteerd naar risico-kwantificering en verzekering van zogeheten veewetziekten, waarvan de klassieke varkenspest er één is. Daaruit blijkt dat de schade zich tot ver buiten de bedrijfstak uitstrekt.

De opkoopregeling staat het meest in de belangstelling, maar er zijn ook nog andere kosten. De reiniging van het getroffen en geruimde bedrijf, het verlies van de afgemaakte dieren en de materialen die moeten worden vernietigd laten zich vangen in de post ruimschade. Daarna komt de gevolgschade. Er is produktieverlies door noodzakelijke leegstand. Vervolgens komen de kosten van de opbouw van een nieuwe veestapel: aanvoer en aankoop van nieuwe dieren. Vervoersverboden wegens de varkenspest veroorzaken ook schade aan andere bedrijven. Toeleveranciers, verwerkende en dienstverlenende bedrijven lijden schade. Gegeven die exportwaarde van 5,6 miljard gulden vorig jaar, is ook duidelijk dat er een forse marktschade ontstaat. Het eerste BSE-geval van Anja 3, enkele weken geleden, bijvoorbeeld leidde onmiddellijk tot prijsdalingen van slachtkoeien, omdat door een gebrek aan certificaten de export stagneerde. Daardoor kan een overschot op de binnenlandse markt ontstaan dat tot verdere prijsdaling leidt. Ook andere partijen in de bedrijfskolom kunnen schade lijden door prijsdalingen, tijdelijke of blijvende afzetvermindering, het niet kunnen nakomen van leveringscontracten, klantenverlies, retourladingen of vernietiging van gedane leveringen.

Tot zover de gevolgschade. Daarnaast zijn er de kosten die de bestrijding van de ziekte met zich meebrengt, de post organisatie. De kosten van de diagnosestelling bijvoorbeeld, die van de taxatie van het bedrijf, het afmaken en vernietigen van de dieren, desinfectie, het verlenen van ontheffingen, bedrijfscontroles, serologisch onderzoek en campagnekosten van Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees (RVV) en Gezondheidsdienst voor Dieren. Indirect is er ook schade voor de staat, omdat die een hogere EU-bijdrage moet betalen voor de extra interventiekosten waarmee Brussel de boer 'schadeloos' probeert te stellen.

Als de varkenspest beperkt zou blijven tot het zuiden van het land, dan zal volgens de berekeningen van de Wageningse vakgroep de schadepost voor het afmaken van dieren maximaal 43.748.317 gulden gaan bedragen. Daar komt ruim 1,3 miljoen gulden bij voor het ruimen van materialen in het bedrijf, waarop mogelijk het varkenspestvirus is achtergebleven. Dat zijn de twee posten voor de ruimschade.

Dat is nog niets vergeleken met de gevolgschade. De kosten voor de leegstand van bedrijven belopen maximaal 37.396.763 gulden. In gebieden met leegstand lijden primaire bedrijven een schade van in totaal 62.163.308 gulden. De slachterijen worden getroffen door een schade van 85.500.972 gulden. De handel incasseert een tegenvaller van 23.325.537 gulden, terwijl KI- en fokkerijbedrijven 39.379.410 aan schade te verwerken krijgen. Ook de veevoedersector raakt voor een langere periode een fors aantal klanten kwijt, waardoor daar de afzet daalt met 21.842.945 gulden. Totale gevolgschade: 269.608.935.

De kosten van de opkoopregeling becijfert de vakgroep op maximaal 449.121.900 gulden, wat ongeveer overeenkomt met de schatting van Van Aartsen.

Dan de organisatiekosten. Het laten stellen van de diagnose varkenspest op bedrijven bij een uitbraak wordt geschat op 1,08 miljoen gulden. Het taxeren van de waarde van de te ruimen veestapels komt op 434.491 gulden. Het afmaken van de dieren van besmette bedrijven kost 3.586.824 gulden. Het desinfecteren van die bedrijven kost 872.424 gulden. Het ruimen van de opgekochte dieren kost 44.933.742 gulden. Daarnaast zijn er de bedrijfscontroles en het serologisch onderzoek, waarvoor 1.187.984 gulden in rekening wordt gebracht. Het patrouilleren door de Algemene Inspectiedienst (AID) kost 3.907.344 gulden, de factuur van de destructor beloopt 190.208 gulden. In totaal wordt de schade van de epidemie dan op maximaal 820.034.800 gulden geschat.

Dit 'worst case' scenario geldt wel nadrukkelijk voor de 'regio Zuid', een gebied dat ook veruit de meeste varkens telt. In de buurt van het eerst getroffen bedrijf in Venhorst huisden al 1,3 miljoen varkens. De mogelijkheid dat de varkenspest het hele land bezoekt is niet uitgesloten. Als achtereenvolgens de regio's Oost, Noord en West maximaal worden aangestoken, dan moet bij die 820 miljoen respectievelijk 466, 1,78 en 14 miljoen worden opgeteld. Het totaal zou dan komen op ruim 1,3 miljard gulden. Naarmate gebieden 'varkensdunner' zijn, wordt het aandeel van de opkoopregeling relatief geringer in het totaal van de kosten. In de regio Zuid bijvoorbeeld maakt de opkoopregeling voor 66 procent deel uit van het totaal. Ook in de gebieden Oost en West vormt de opkoopregeling meer dan de helft van de totale schade, maar in het 'varkensdunne' Noorden vormen de kosten van de organisatie van de bestrijding de grootste kostenpost.

Slachterijen lijden logischerwijs nog meer schade van vervoersverboden in getroffen gebieden dan door het gebrek aan aanvoer door de geruimde bedrijven. Bij een gemiddelde uitbraak in heel Nederland zouden volgens de Wageningse berekening de slachterijen een schade hebben van 14.359.896 gulden. Voor de handel zou zo'n gemiddelde uitbraak neerkomen op een schadepost van 3.262.983 gulden. De KI- en fokkerij-organisaties zouden in zo'n geval een klap van 8,7 miljoen gulden te verwerken krijgen, veevoederfabrikanten moeten dan rekenen op een schade van 5,3 miljoen gulden.

De getroffen veehouder wordt voor een deel schadeloos gesteld uit het 'stamping-outfonds'. Hij krijgt voor verdachte dieren de marktwaarde, voor zieke dieren de helft daarvan. Voor dode dieren krijgt hij niets, zodat hij er wijs aan doet een ziektegeval zo snel mogelijk te melden. Sinds 1994 geldt een kortingsregeling, waarmee de afgelopen weken een aantal nalatige varkenshouders is geconfronteerd. Als een boer de herkomst van zijn dieren niet kan aantonen, keert het 'stamping-outfonds' niet uit. En gegeven het grote aantal processen-verbaal wegens overtreding van het vervoersverbod in de eerste dagen van de pestcrisis en de boycot van de mestboekhouding zouden nog wel eens wat boeren problemen kunnen hebben met het aantonen van die herkomst.

Van de 100 miljoen gulden die dit fonds bevat wordt de helft opgebracht door het ministerie, de andere helft door het betrokken bedrijfsleven. Die pot van 100 miljoen geldt steeds voor vijf jaar. Het bedrijfsleven hoeft niet meer dan jaarlijks 10 miljoen bij te dragen. Als wordt besloten dieren op te kopen, wordt die vergoeding voor 70 procent door de EU bekostigd. Het bedrijfsleven hoeft in zoverre niet te vrezen, dat van haar aandeel in het fonds maximaal 20 miljoen gulden per jaar mag worden uitgegeven. Voor de overheid geldt een 'open-einde-karakter'. Mocht de varkenspest in heel Nederland doorzetten, dan gaat dat dus vooral de overheid en het indirect betrokken bedrijfsleven veel geld kosten.