Betondorp; Het bevroren dorp vertoont scheuren

De hoofdpersoon groeide op in het Amsterdamse Tuindorp, Watergraafsmeer, ofwel Betondorp. Waar veel aan vroeger herinnert. Maar waar het achterhek tegenwoordig op slot moet.

HET BEGINT MET de woorden, vier woorden, die geen gezonde jongen kan weerstaan: “Doen jullie mee partijtje?” Maar wat zich vervolgens op deze speelplaats voltrekt, is in tegenspraak met alle strijdlust die doorgaans bij de uitdaging hoort. Het zijn zes jongens: drie witten tegen twee donkeren plus een witte. De drie witten torsen bij elke sjok hun imago - vooral niet geïnteresseerd - en een sigaretje mee. Een van hen heeft de gewoonte zijn honkbalpetje van het hoofd te trekken als hij aan de bal is, en het weer op te zetten als hij heeft gepassed. Als de bal van het speelveld geschoten wordt, hangen de drie jongens als een tros bananen aan het roestvrijstalen doeltje, terwijl een vriendinnetje de bal voor hen haalt.

Onderlangs heet de straat, omdat-ie onder de wijk langsloopt. En toen het nog woeste grond was, de Ringweg er nog niet naast lag en het veldje nog niet was bedekt onder beton, hekken, doeltjes, baskets, toen slagerszoon Gerard Korrel er stiekem aardappels in verboden vuurtjes pofte - zijn ogen beginnen na veertig jaar weer ondeugend te glanzen - toen voetbalden hier net zulke jongens. Alleen waren het er toen veel meer.

Betondorp is de uiterste rand van oostelijk Amsterdam. Uit de naam spreekt de diep gekoesterde angst van de Amsterdammers voor de grote stad. Tot voor twee generaties woonden alle Amsterdammers zoveel mogelijk in hun eigen dorpjes, die toevallig samen een stad vormden. Wie in West woonde, kwam niet in Oost en vice versa. Je kwam het dorp eigenlijk nooit uit, zeggen oudere bewoners. “We hadden hier alles zelf.”

Betondorp is bij de bouw in de jaren twintig welbewust als dorp opgezet. Van de stad gescheiden door de Oosterbegraafplaats. Wel met rijtjeshuizen, maar bijna nergens meer dan éénhoog, tuintje voor en achter, in rustiek kromgetrokken straatjes en met een heuse Brink als centrum. “'t Is een dorp”, zo begint elke oudere bewoner met vertellen.

Terwijl alle buurten van Amsterdam de afgelopen dertig jaar onherkenbaar zijn veranderd, door nieuwbouw, schreeuwende winkelpuien of verloedering, lijkt Betondorp bevroren zo omstreeks 1950. Het grijs en wit van de 900 betonnen huizen is gekoesterd bij een grote renovatie in de jaren tachtig. En de 1.000 bakstenen huizen, die soms als poorten over de straten heengaan, worden zorgvuldig onderhouden door de woningcorporaties.

Maar het is niet alleen de fysiologie van huizen die aan vroeger herinnert. Het zijn de vogelhuisjes op het balkon, de spionnetjes tegen de ramen, de bewoners die een stoel tegen de gevel zetten en elkaar een goeie dag toewensen. De slager en de kruidenier die de boodschappen thuisbrengen bij de ouderen en degenen die slecht ter been zijn. Overal hangen de onzichtbare draden van het sociale web. Zoals Johan Cruijff ooit over zijn buurt zei: “Als ik van school kwam en ik had onderweg wat uitgevreten, dan was dat eerder thuis dan ik.”

In de Harkstraat komen wat draden bijeen. De dames Sirach, Scheepstra en Rappard nemen op de stoep de buurt door. Veel veranderd. Toen mevrouw Sirach 22 jaar geleden met haar baby naar de Brink liep, twee straten verderop, was ze een uur onderweg, zoveel mensen loerden even in de kinderwagen. Nu is het een wandelingetje van vijf minuten.

Ze wijzen om zich heen naar de huizen. Ze weten niet meer wie er wonen. Daar is Coby vertrokken. En Stien, Stien uit de Spaarndammerbuurt, die werd hier gek van de stilte. Nu woont er weer een oud stel. Bij het hoekhuis wordt een zakje pootaarde afgeleverd. Bijna honderd is die meneer, zegt mevrouw Sirach, en hij doet nog altijd zijn eigen tuintje.

De tuintjes. In de film Nr. 14 wandelt Johan Cruijff met de camera door zijn oude buurt en stopt even bij de ballenpakker van weleer. Het is een ongemakkelijke scene, waarin de man verwoed schoffelt in zijn tuintje en Cruijff en zijn vrienden om hem heen wat staan te lachen. Terwijl iedereen toch kan zien waaròm hij die ballen inpikte: om zijn tuintje te beschermen.

De Betondorpse tuintjes zijn nog altijd keurig. Met zorg opgeschikt, houten ooievaartje, aarden mannetjes, vijvertjes. Als een echtpaar in de Weidestraat thuiskomt van een autoritje, maakt de man de huisdeur open, laat zijn vrouw binnengaan, maar veegt zelf eerst nog even met de stoffer zijn tuintegels schoon.

Het zijn normen en gewoontes uit een verloren tijd. Behouden met een vooroorlogse discipline, door vooroorlogse mensen. Meer dan de helft van de inwoners van Betondorp is ouder dan 55. Het is een van de allerarmste buurten van Amsterdam, er wonen bovenmatig veel mensen die van een AOW-uitkering leven. Maar geen spoor van verloedering. Lijkt het.

Toch kun je merken dat de hoeders van dit openluchtmuseum van normen en waarden aan het uitsterven zijn. Dat vinden niet alleen de dames in de Harkstraat. Dat zegt ook slager Gerard Korrel, op de hoek van de Brink. De winkel is net vijftig jaar oud, twee jaar ouder dan Korrel zelf. En bij het jubileum kwamen honderden klanten om zijn moeder te feliciteren. “Mensen die je allemaal bij naam kent.” Maar hij moet tegenwoordig wel elke dag zijn stoep vegen omdat er zoveel troep ligt. En zijn klanten hoort hij steeds meer klagen over nieuwelingen. En over de criminaliteit. Dat je tegenwoordig het hek achter op slot moet doen en tralies voor de ramen - het lijkt wel of je zelf in de gevangenis zit. Het zijn vier families, hadden de dames in de Harkstraat gezegd, en iedereen weet wie het zijn.

De buurt liet drie jaar geleden tegen de tekenen van de verloedering een protest horen. In Betondorp, het vanouds rode Betondorp, waar de geschoolde arbeider bewust was gaan wonen om zijn kinderen een betere buurt te geven, kreeg in 1994 extreem-rechts op één buurt na de meeste stemmen van Amsterdam.

Het heeft een beetje geholpen. De laatste school, die dreigde te worden opgeheven, kan blijven staan. De openbare leeszaal op de Brink is gered. Maar dat Betondorp nog zo rustig wordt als vroeger, dat gelooft niemand.

“Is die Uno sneller dan die M3?” Een van gel aan elkaar hangende jongen (Rik, heet-ie) buigt zich voorover naar het raampje van de auto waar twee vrienden in zitten. “Ik dacht dat die vet was opgevoerd.”

De Brink tiert van de bloesems. Op een doordeweekse middag is het centrale plein voor de meeste mensen een oversteekplaats. Niet voor dit groepje jongens. Op de bankjes of in hun geparkeerde auto genieten ze van het weer en van de autoradio, ouwe hits. Maar verder van niks. Hun gesprek is gekruid met de taalspecerij van de verveling: wijven, en wat je ermee kunt doen, kratjes bier, geld - doekoes, zegt Rik met een knipoog naar de Surinaamse jongen in het groepje.

“Saai”, zegt een van hen met een armzwaai. “Zie jij hier terrassen?” Dus blijven ze maar in het portier van hun auto hangen. En stappen de oudere bewoners de stoep af om hen te ontwijken. “Het zijn geen slechte jongens”, zegt slager Korrel. “Alleen hebben ze niks te doen.”

Waarom rijden ze niet naar de stad? Terrassen genoeg daar. “Ah man...”, maar verder weten ze niet wat te zeggen. Echte Amsterdammers komen hun dorp nog altijd niet uit.